Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:6032
2026-06-05
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448373 / JE RK 26-874
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.232 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448373 / JE RK 26-874
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur,
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift, ontvangen op 15 mei 2026;
het rapport van de Raad van 19 mei 2026, ontvangen op 29 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat - via een digitale verbinding;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 6 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 17 maart 2026 is het restantverzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toegewezen met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. Er is een complexe situatie ontstaan door de verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [woonplaats 1] . Het ontbreekt aan communicatie tussen de ouders en er is sprake van onderling wantrouwen. De ouders zijn in toenemende mate lijnrecht tegenover elkaar komen te staan en hierdoor zit [minderjarige] klem tussen de ouders. Ook is het zorgelijk dat [minderjarige] al langere tijd niet naar school gaat. De Raad is van mening dat onder regie van de GI aan de doelen zoals geformuleerd in de raadsrapportage moet worden gewerkt.
4.2.
De vader is het eens met het verzoek. Hoewel de vader zich niet herkent in hetgeen in de raadsrapportage over hem is geschreven, is hij wel van mening dat aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling voldaan. Er is sprake van een zorgelijke situatie, vooral doordat de band tussen de vader en [minderjarige] door het gedrag van de moeder onherstelbaar wordt beschadigd. Het baart de vader zorgen dat de moeder blijft strijden om haar toekomst op te bouwen in [woonplaats 1] . Ook is het zorgelijk dat [minderjarige] al langere tijd niet naar school gaat. De vader vindt het daarom belangrijk dat er een jeugdbeschermer als regievoerder vanuit het gedwongen kader betrokken blijft. Daarbij is het voor de vader wel van groot belang dat er een andere jeugdbeschermer betrokken raakt dan de jeugdbeschermer die tot op heden betrokken is geweest. Het vertrouwen van de vader in de huidige jeugdbeschermer is namelijk onherstelbaar beschadigd.
4.3.
De moeder stemt in met het verzoek. De verzochte ondertoezichtstelling is nodig om de moeder en [minderjarige] tegen het gedrag van de vader te beschermen. De moeder wordt namelijk belaagd door de vader. Het gedrag van de vader wordt echter onvoldoende beschreven in het raadsonderzoek. Evenmin is in het raadsonderzoek beschreven dat de moeder door het gedrag van de vader genoodzaakt was om te verhuizen naar [woonplaats 1] . De moeder vindt dat hier meer zicht op moet komen. Verder verklaart de moeder dat zij al langere tijd op zoek is naar een woning in de omgeving van [plaats] . De huidige situatie is voor haar namelijk ook onhoudbaar. Tegelijkertijd acht de moeder het niet realistisch dat zij binnen drie maanden kan terug verhuizen naar [plaats] .
4.4.
De GI onderschrijft de zorgen zoals genoemd in de raadsrapportage, waarbij de omstandigheid dat [minderjarige] niet naar school gaat op dit moment als grootste zorg wordt gezien. Voorts benoemt de GI dat het ingewikkeld zal zijn om hulpverlening in te zetten in [woonplaats 1] .
5De beoordeling
Relatieve bevoegdheid
5.1.
Op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijke verblijf van de minderjarige. Artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die gezag over hem uitoefent. Oefenen beide ouders samen het gezag over hun minderjarige kind uit, maar hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] bij de moeder verblijft, die woonachtig is in [woonplaats 1] . Dit betekent in eerste instantie dat rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, relatief bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige verzoek. Echter, ingeval er reeds een verzoekschrift over eenzelfde of een verknocht onderwerp bij een (andere) rechtbank is ingediend, kan van die regel worden afgeweken (artikel 285 Rv). Verknochtheid of connexiteit doet zich voor indien de beslissing in de ene procedure op die andere procedure onvermijdelijk of rechtstreeks van invloed is. Voorts kan van connexiteit worden gesproken, indien tussen de onderwerpen van de respectieve verzoekschriften een zodanige samenhang bestaat, dat die - om redenen van doelmatigheid - een gezamenlijke behandeling door één en dezelfde rechter rechtvaardigt.
5.3.
De kinderrechter constateert dat er op dit moment een familierechtelijke procedure van partijen in behandeling is bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, waarmee een samenhang bestaat die een behandeling door één en dezelfde rechter rechtvaardigt. De kinderrechter stelt daarom vast dat er sprake is van verknochtheid dan wel connexiteit met de onderhavige procedure en acht zich ter zake bevoegd.
Het wettelijk kader
5.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
5.5.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het - onweersproken - verzoek daarom toewijzen en [minderjarige] onder toezicht stellen voor de verzochte duur van een jaar. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
5.6.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is namelijk gebleken dat [minderjarige] in toenemende mate klem zit tussen de ouders. De grootste zorgen zijn ontstaan nadat de moeder met [minderjarige] naar [woonplaats 1] is verhuisd, waardoor het gezag van de vader en het contact tussen de vader en [minderjarige] onder druk is komen te staan. Bovendien vraagt de reisafstand tussen de ouders veel van [minderjarige] en van de ouders. Ondanks dat beide ouders proberen om [minderjarige] niet te belasten met de huidige situatie, maakt de kinderrechter zich met de Raad zorgen dat onbelast contact met beide ouders steeds moeilijker wordt als de situatie niet verandert. Naast de grote reisafstand tussen de ouders, verloopt de communicatie tussen de ouders namelijk zeer moeizaam en lukt het hen niet om afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de vader [minderjarige] recent zonder overleg met de moeder bij zich wilde houden zodat hij in [woonplaats 2] naar school kon gaan. Daarnaast lijkt het gedrag van de vader angst op te roepen bij de moeder, hetgeen [minderjarige] kan merken tijdens de wisselmomenten. Duidelijk is dat de spanningen tussen de ouders steeds verder oplopen. Hierdoor zijn er niet alleen zorgen dat [minderjarige] onrust, spanning en stress ervaart, maar ook dat de spanningen tussen de ouders zoveel emoties oproepen dat dit maakt dat zij emotioneel minder beschikbaar zijn voor [minderjarige] en zich vooral richten op de strijd tussen elkaar. Daarnaast zijn er zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , nu [minderjarige] al langere tijd meer naar school gaat en daardoor mogelijk een achterstand op loopt in zijn (cognitieve) ontwikkeling.
5.7.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat de vader en de moeder op dit moment weliswaar bereid maar onvoldoende in staat zijn om deze ontwikkelingsbedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en de noodzakelijke hulpverlening te accepteren. Er is sprake van een complexe situatie en gebleken is dat de communicatie tussen de ouders zeer moeizaam verloopt. Er is sprake van onderling wantrouwen en de spanningen tussen de ouders lopen steeds verder op. De kinderrechter heeft er daardoor onvoldoende vertrouwen in dat het in het vrijwillige kader zal lukken om de hierboven genoemde zorgen weg te nemen. Met de Raad vindt de kinderrechter het van belang dat wordt toegezien op de terugkeer van de moeder naar de regio [plaats] , het verloop van de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader en de onderlinge communicatie tussen de ouders.
5.8.
Op basis van het voorgaande komt de kinderrechter tot de conclusie dat het noodzakelijk is dat hulp en regie in een gedwongen kader wordt ingezet. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar. Tijdens de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan de onderstaande doelen:
[minderjarige] groeit op in een veilige, vertrouwde en stabiele opvoedomgeving en kan zich wortelen in de omgeving van [plaats] ;
De moeder verhuist terug naar [plaats] ;
De reisbewegingen tussen de ouders worden zoveel mogelijk beperkt, in ieder geval tot de moeder terugverhuisd is;
[minderjarige] heeft onbelast contact met beide ouders;
De ouders maken afspraken met elkaar over opvoeding en de belangen van [minderjarige] en de communicatie tussen ouders verloopt zonder strijd;
[minderjarige] gaat fysiek naar school en zijn cognitieve achterstand wordt ingehaald (voor zover deze aanwezig is) en op alle andere ontwikkelingsgebieden (onder andere sociaal en emotioneel) wordt hij voldoende gestimuleerd.
5.9.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie voert en passende hulpverlening inzet om bovenstaande doelen te behalen. Gelet op de huidige situatie verwacht de kinderrechter dat er op kortst mogelijke termijn een vaste jeugdbeschermer zal worden betrokken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de jeugdbeschermer er in de komende periode op toeziet dat de beschikking van 17 februari 2026 wordt nageleefd en zicht houdt op de inspanningen van de moeder om terug te keren naar de regio [plaats] . Daarnaast vindt de kinderrechter het van belang dat er hulp wordt ingezet om de communicatie en samenwerking tussen de ouders te verbeteren zodat zij afspraken kunnen maken over en in het belang van [minderjarige] . Tot slot is het belangrijk dat de schoolgang van [minderjarige] zo snel mogelijk wordt hervat, alsook dat er zicht komt op de door beide ouders geuite zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 5 juni 2026 en tot 5 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448373 / JE RK 26-874
Datum uitspraak: 5 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND, hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. H.E.C.M. Nieland te Bergen op Zoom,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof te Gilze.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur,
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift, ontvangen op 15 mei 2026;
het rapport van de Raad van 19 mei 2026, ontvangen op 29 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat - via een digitale verbinding;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 6 maart 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 maart 2026 en tot 20 maart 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
2.4.
Bij beschikking van 17 maart 2026 is het restantverzoek ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toegewezen met ingang van 20 maart 2026 en tot 6 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het verzoek. Er is een complexe situatie ontstaan door de verhuizing van de moeder met [minderjarige] naar [woonplaats 1] . Het ontbreekt aan communicatie tussen de ouders en er is sprake van onderling wantrouwen. De ouders zijn in toenemende mate lijnrecht tegenover elkaar komen te staan en hierdoor zit [minderjarige] klem tussen de ouders. Ook is het zorgelijk dat [minderjarige] al langere tijd niet naar school gaat. De Raad is van mening dat onder regie van de GI aan de doelen zoals geformuleerd in de raadsrapportage moet worden gewerkt.
4.2.
De vader is het eens met het verzoek. Hoewel de vader zich niet herkent in hetgeen in de raadsrapportage over hem is geschreven, is hij wel van mening dat aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling voldaan. Er is sprake van een zorgelijke situatie, vooral doordat de band tussen de vader en [minderjarige] door het gedrag van de moeder onherstelbaar wordt beschadigd. Het baart de vader zorgen dat de moeder blijft strijden om haar toekomst op te bouwen in [woonplaats 1] . Ook is het zorgelijk dat [minderjarige] al langere tijd niet naar school gaat. De vader vindt het daarom belangrijk dat er een jeugdbeschermer als regievoerder vanuit het gedwongen kader betrokken blijft. Daarbij is het voor de vader wel van groot belang dat er een andere jeugdbeschermer betrokken raakt dan de jeugdbeschermer die tot op heden betrokken is geweest. Het vertrouwen van de vader in de huidige jeugdbeschermer is namelijk onherstelbaar beschadigd.
4.3.
De moeder stemt in met het verzoek. De verzochte ondertoezichtstelling is nodig om de moeder en [minderjarige] tegen het gedrag van de vader te beschermen. De moeder wordt namelijk belaagd door de vader. Het gedrag van de vader wordt echter onvoldoende beschreven in het raadsonderzoek. Evenmin is in het raadsonderzoek beschreven dat de moeder door het gedrag van de vader genoodzaakt was om te verhuizen naar [woonplaats 1] . De moeder vindt dat hier meer zicht op moet komen. Verder verklaart de moeder dat zij al langere tijd op zoek is naar een woning in de omgeving van [plaats] . De huidige situatie is voor haar namelijk ook onhoudbaar. Tegelijkertijd acht de moeder het niet realistisch dat zij binnen drie maanden kan terug verhuizen naar [plaats] .
4.4.
De GI onderschrijft de zorgen zoals genoemd in de raadsrapportage, waarbij de omstandigheid dat [minderjarige] niet naar school gaat op dit moment als grootste zorg wordt gezien. Voorts benoemt de GI dat het ingewikkeld zal zijn om hulpverlening in te zetten in [woonplaats 1] .
5De beoordeling
Relatieve bevoegdheid
5.1.
Op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijke verblijf van de minderjarige. Artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die gezag over hem uitoefent. Oefenen beide ouders samen het gezag over hun minderjarige kind uit, maar hebben zij niet dezelfde woonplaats, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.
5.2.
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] bij de moeder verblijft, die woonachtig is in [woonplaats 1] . Dit betekent in eerste instantie dat rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, relatief bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige verzoek. Echter, ingeval er reeds een verzoekschrift over eenzelfde of een verknocht onderwerp bij een (andere) rechtbank is ingediend, kan van die regel worden afgeweken (artikel 285 Rv). Verknochtheid of connexiteit doet zich voor indien de beslissing in de ene procedure op die andere procedure onvermijdelijk of rechtstreeks van invloed is. Voorts kan van connexiteit worden gesproken, indien tussen de onderwerpen van de respectieve verzoekschriften een zodanige samenhang bestaat, dat die - om redenen van doelmatigheid - een gezamenlijke behandeling door één en dezelfde rechter rechtvaardigt.
5.3.
De kinderrechter constateert dat er op dit moment een familierechtelijke procedure van partijen in behandeling is bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, waarmee een samenhang bestaat die een behandeling door één en dezelfde rechter rechtvaardigt. De kinderrechter stelt daarom vast dat er sprake is van verknochtheid dan wel connexiteit met de onderhavige procedure en acht zich ter zake bevoegd.
Het wettelijk kader
5.4.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
De inhoudelijke beoordeling
5.5.
Op basis van de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat wordt voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het - onweersproken - verzoek daarom toewijzen en [minderjarige] onder toezicht stellen voor de verzochte duur van een jaar. De kinderrechter zal deze beslissing hierna toelichten.
5.6.
De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting is namelijk gebleken dat [minderjarige] in toenemende mate klem zit tussen de ouders. De grootste zorgen zijn ontstaan nadat de moeder met [minderjarige] naar [woonplaats 1] is verhuisd, waardoor het gezag van de vader en het contact tussen de vader en [minderjarige] onder druk is komen te staan. Bovendien vraagt de reisafstand tussen de ouders veel van [minderjarige] en van de ouders. Ondanks dat beide ouders proberen om [minderjarige] niet te belasten met de huidige situatie, maakt de kinderrechter zich met de Raad zorgen dat onbelast contact met beide ouders steeds moeilijker wordt als de situatie niet verandert. Naast de grote reisafstand tussen de ouders, verloopt de communicatie tussen de ouders namelijk zeer moeizaam en lukt het hen niet om afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat de vader [minderjarige] recent zonder overleg met de moeder bij zich wilde houden zodat hij in [woonplaats 2] naar school kon gaan. Daarnaast lijkt het gedrag van de vader angst op te roepen bij de moeder, hetgeen [minderjarige] kan merken tijdens de wisselmomenten. Duidelijk is dat de spanningen tussen de ouders steeds verder oplopen. Hierdoor zijn er niet alleen zorgen dat [minderjarige] onrust, spanning en stress ervaart, maar ook dat de spanningen tussen de ouders zoveel emoties oproepen dat dit maakt dat zij emotioneel minder beschikbaar zijn voor [minderjarige] en zich vooral richten op de strijd tussen elkaar. Daarnaast zijn er zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] , nu [minderjarige] al langere tijd meer naar school gaat en daardoor mogelijk een achterstand op loopt in zijn (cognitieve) ontwikkeling.
5.7.
Verder is de kinderrechter van oordeel dat de vader en de moeder op dit moment weliswaar bereid maar onvoldoende in staat zijn om deze ontwikkelingsbedreiging onder eigen verantwoordelijkheid weg te nemen en de noodzakelijke hulpverlening te accepteren. Er is sprake van een complexe situatie en gebleken is dat de communicatie tussen de ouders zeer moeizaam verloopt. Er is sprake van onderling wantrouwen en de spanningen tussen de ouders lopen steeds verder op. De kinderrechter heeft er daardoor onvoldoende vertrouwen in dat het in het vrijwillige kader zal lukken om de hierboven genoemde zorgen weg te nemen. Met de Raad vindt de kinderrechter het van belang dat wordt toegezien op de terugkeer van de moeder naar de regio [plaats] , het verloop van de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader en de onderlinge communicatie tussen de ouders.
5.8.
Op basis van het voorgaande komt de kinderrechter tot de conclusie dat het noodzakelijk is dat hulp en regie in een gedwongen kader wordt ingezet. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar. Tijdens de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan de onderstaande doelen:
[minderjarige] groeit op in een veilige, vertrouwde en stabiele opvoedomgeving en kan zich wortelen in de omgeving van [plaats] ;
De moeder verhuist terug naar [plaats] ;
De reisbewegingen tussen de ouders worden zoveel mogelijk beperkt, in ieder geval tot de moeder terugverhuisd is;
[minderjarige] heeft onbelast contact met beide ouders;
De ouders maken afspraken met elkaar over opvoeding en de belangen van [minderjarige] en de communicatie tussen ouders verloopt zonder strijd;
[minderjarige] gaat fysiek naar school en zijn cognitieve achterstand wordt ingehaald (voor zover deze aanwezig is) en op alle andere ontwikkelingsgebieden (onder andere sociaal en emotioneel) wordt hij voldoende gestimuleerd.
5.9.
De kinderrechter verwacht dat de GI stevig regie voert en passende hulpverlening inzet om bovenstaande doelen te behalen. Gelet op de huidige situatie verwacht de kinderrechter dat er op kortst mogelijke termijn een vaste jeugdbeschermer zal worden betrokken. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de jeugdbeschermer er in de komende periode op toeziet dat de beschikking van 17 februari 2026 wordt nageleefd en zicht houdt op de inspanningen van de moeder om terug te keren naar de regio [plaats] . Daarnaast vindt de kinderrechter het van belang dat er hulp wordt ingezet om de communicatie en samenwerking tussen de ouders te verbeteren zodat zij afspraken kunnen maken over en in het belang van [minderjarige] . Tot slot is het belangrijk dat de schoolgang van [minderjarige] zo snel mogelijk wordt hervat, alsook dat er zicht komt op de door beide ouders geuite zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.10.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 5 juni 2026 en tot 5 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 11 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.