Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:6013

2026-06-04 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447724 / JE RK 26-766
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-04
Publicatiedatum
2026-07-05
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447724 / JE RK 26-766
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging ondertoezichtstelling toegewezen, verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing deels toegewezen onder aanhouding van het restant.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.627 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/447724 / JE RK 26-766
Datum uitspraak: 4 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,





[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2015 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S.X. Scholten uit Vlissingen.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 april 2026;


het bericht van mr. S.X. Scholten met bijlagen, ontvangen op 2 juni 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de GI.



1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover telefonisch een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen gesprek met de kinderrechter gevoerd.





2De feiten


2.1.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn geboren tijdens het huwelijk van hun ouders.



2.2.
Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.



2.3.
De vader is op [datum 1] 2023 overleden.



2.4.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .



2.5.
Bij beschikking van 17 juni 2025 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld van de GI tot 17 juni 2026. Bij deze beschikking is een machtiging verleend om [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uit huis te plaatsen in een voorziening van pleegzorg tot 17 december 2025. Deze machtiging is op 4 december 2025 verlengd tot 17 juni 2026.



2.6.
Bij beschikking van 19 maart 2026 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aansluitend, zodra beschikbaar, in een gezinsgerichte voorziening, verleend en voor [minderjarige 1] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 19 maart 2026 tot 2 april 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden.



2.7.
Bij beschikking van 24 maart 2026 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en aansluitend, zodra beschikbaar, in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 17 juni 2026. Bij dezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening verlengd tot 17 juni 2026.



2.8.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven op basis van voornoemde machtiging in een gezinshuis.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Daarnaast verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening en later een accommodatie jeugdhulp te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.

[minderjarige 1] heeft in haar gesprek met de kinderrechter aangegeven dat ze graag terug bij de moeder wil wonen. Ze voelt zich niet thuis en eenzaam in het huidige gezinshuis. [minderjarige 1] heeft het afgelopen anderhalf jaar veel mentale en fysieke schade opgelopen. Nu wil ze zo snel mogelijk naar huis. [minderjarige 1] vindt het goed om op te bouwen bij de moeder, om vervolgens in juli definitief bij de moeder in [woonplaats] te gaan wonen. In [woonplaats] kan [minderjarige 1] gaan werken en na de vakantie kan zij starten op een nieuwe school.



4.2.
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing van de verzoeken naar de overgelegde stukken. De omgang tussen de moeder en de kinderen zal de komende periode worden opgebouwd. Het doel is om de kinderen voor de start van school in eind augustus terug thuis te plaatsen. De GI verzoekt de machtiging uithuisplaatsing deels aan te houden en zo eind augustus een toetsmoment te creëren voor de terugthuisplaatsing bij de moeder.



4.3.
Door en namens de moeder wordt aangegeven dat de moeder het eens is met de verzoeken van de GI. Daarbij gaat zij akkoord met een toetsmoment in eind augustus. Er zijn de afgelopen periode veel positieve ontwikkelingen geweest. De moeder voelt zich op dit moment goed. De moeder heeft het gevoel klaar te zijn voor de terugthuisplaatsing van de kinderen. De intentie moet zijn dat de kinderen voor de start van school terug bij de moeder zijn.





5De beoordeling



Wettelijk kader




5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



5.2.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



Inhoudelijke beoordeling





5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben in hun leven te maken gehad met een langdurige instabiele opvoedsituatie en meerdere wisselingen van verblijfplaatsen. Bovendien is de vader van de kinderen in 2023 overleden. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bevinden zich op dit moment in een kwetsbare fase van hun leven. Bij alle kinderen worden zorgen geconstateerd. Bij [minderjarige 3] lijkt er sprake te zijn van internaliserende problematiek. Bij [minderjarige 2] zijn er zorgen over zijn algehele ontwikkeling en zijn cognitieve beperking. [minderjarige 1] toont teruggetrokken gedrag en beperkte emotionele expressies. Ook gaat [minderjarige 1] amper naar school. Gelet op het voorgaande is de ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen nog steeds aanwezig. De ondertoezichtstelling is nodig om zicht te houden en te verkrijgen op de hulpverlening en de draagkracht van de kinderen en de moeder. Binnen de ondertoezichtstelling zal passende hulpverlenging voor de kinderen moeten worden georganiseerd.



5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de samenwerking tussen de GI en de moeder onvoldoende bestendig is om zonder dwingend kader voort te zetten. De samenwerking verloopt wisselend en er zijn binnen de ondertoezichtstelling periodes geweest waarbij de moeder langdurig onbereikbaar was. Ondanks dat de moeder zich op dit moment meewerkend opstelt, is het belangrijk dat de GI regie blijft voeren om de belangen van de kinderen voorop te blijven stellen.



5.6.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar.



5.7.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De moeder heeft de laatste periode goede stappen gezet. De moeder heeft een dag- en nachtstructuur opgebouwd, heeft ambulante zorg en slikt medicatie. De moeder is bovendien niet meer verslaafd aan oxycodon. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zitten momenteel in een gezinshuis. [minderjarige 1] heeft in haar gesprek met de kinderrechter kenbaar gemaakt dat ze graag naar huis wil. Ook de GI heeft de intentie de kinderen in de komende maanden terug bij de moeder te plaatsen. De kinderrechter sluit zich hier bij aan. Het is het streven dat de kinderen voor de start van school – eind augustus – terug bij de moeder wonen en zich daar verder kunnen ontwikkelen. Het is daarbij essentieel dat er een opbouw plaatsvindt in de omgang tussen de moeder en de kinderen. De belastbaarheid van de moeder moet continu in de gaten worden gehouden. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben een grote behoefte aan rust en voorspelbaarheid. De GI moet dan ook blijven monitoren of de moeder een veilige opvoedsituatie met rust en voorspelbaarheid kan bieden voor de kinderen. De kinderrechter oordeelt dat een toetsmoment van de uithuisplaatsing eind augustus passend is. Een mogelijke terugthuisplaatsing bij de moeder kan op dat moment geformaliseerd worden. Gelet op het voorgaande verlengt de kinderrechter de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 1 september 2026, onder aanhouding van het restant van het verzoek.



5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 17 juni 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening tot 1 september 2026;



6.3.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening en later in een accommodatie jeugdhulp tot 1 september 2026;



6.4.
houdt het resterende deel van het verzoek om de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen aan tot de mondelinge behandeling op [datum 2] 2026 om [uur] , bij mr. Zuijdweg als kinderrechter voor de duur van 45 minuten, in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan de Kousteensedijk 2, 4331 JE, met het verzoek aan de GI om de rechtbank uiterlijk 14 dagen voorafgaand aan die mondelinge behandeling schriftelijk te informeren en daarbij haar standpunt te geven over het resterende deel van het verzoek;



6.5.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als een oproep voor de GI en de moeder en haar advocaat;



6.6.
bepaalt dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] een aparte uitnodiging zullen ontvangen voor een gesprek met de kinderrechter;


6.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 18 juni 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.


Artikel 1:265c, tweede lid, BW.