Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5985

2026-06-03 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/445306 / JE RK 26-298
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-07-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/445306 / JE RK 26-298
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Internationaal privaatrecht. Schorsing van het gezag van de vader (artikel 1:253r BW).

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.980 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/445306 / JE RK 26-298
Datum uitspraak: 3 juni 2026




Nadere beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling




in de zaak van




DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen: de Raad,



over





[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Polen),
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] .



De kinderrechter merkt als informant aan:




STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


de in deze zaak gegeven beschikking van 24 maart 2026 en alle daarin genoemde stukken;


het bericht van de Raad van 19 mei 2026, ontvangen op 22 mei 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.



1.3.
Hoewel de moeder correct is opgeroepen, is zij niet bij de zitting verschenen. De kinderrechter besluit de zitting voort te zetten bij afwezigheid van de moeder. De overige aanwezigen hebben hiertegen geen bezwaar.


1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.





2De feiten


2.1.
De moeder en de vader zijn met elkaar gehuwd geweest. [minderjarige] is gedurende het huwelijk van de ouders geboren.



2.2.
De moeder en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit. Vermoedelijk heeft ook de vader de Poolse nationaliteit.



2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 maart 2026 de Raad verzocht de rechtbank te informeren over de gezagspositie van de vader, onder aanhouding van het verzoek.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4Het standpunt van de Raad


4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. Er is sprake van een ernstig ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] , omdat [minderjarige] de afgelopen drie jaar geen onderwijs heeft gevolgd en zij geen zinvolle dagbesteding heeft gehad waardoor haar algehele ontwikkeling stil heeft gestaan. Er is geen zicht op [minderjarige] in de thuissituatie van de moeder. [minderjarige] is een kwetsbaar meisje. Ondanks de pogingen van de hulpverlening is het de moeder en [minderjarige] niet gelukt een actieve houding aan te nemen zodat [minderjarige] zich kan ontwikkelen op een manier die passend is bij haar leeftijd.



4.2.
De moeder is op dit moment onvoldoende bereid en in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en de hulpverlening te accepteren. De moeder is argwanend richting de hulpverlening. Zij uit dit in veel weerstand. Het lukt de moeder niet om in contact te blijven met hulpverlening en praktische zaken voor [minderjarige] te regelen. Voor de aanvang van het initiële verzoek was er goed contact met de moeder, maar de afgelopen maand heeft de moeder niet meer gereageerd. De Raad heeft niet de echtscheidingsbeschikking ontvangen van de moeder zoals zij dat had toegezegd. Zeker nu [minderjarige] bijna de meerderjarige leeftijd heeft bereikt is het belangrijk dat wordt ingezet op de hulpverlening.



4.3.
De verwachting is dat moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.



4.4.

In het initiële verzoekschrift staat dat de moeder eenhoofdig gezag heeft. Dit is een kennelijke fout en zal worden hersteld. [minderjarige] is tijdens het huwelijk van de ouders geboren in Polen en er heeft naar het zich laat aanzien geen procedure plaatsgevonden voor het verkrijgen van eenhoofdig gezag. Het is onuitvoerbaar gebleken om de vader te betrekken bij het raadsonderzoek, nu er van hem geen contactgegevens bekend zijn en eveneens niet bekend is waar de vader verblijft.
5. Het standpunt van de GI




5.1.
Door de GI is, samengevat, naar voren gebracht dat de GI zich kan vinden in het verzoek en bereid is de ondertoezichtstelling uit te voeren. Er zijn veel zorgen. Het is belangrijk dat daarop wordt ingezet. Ook zal worden ingezet op opvoedondersteuning van de moeder en het organiseren van onderwijs of dagbesteding voor [minderjarige] .





6De beoordeling



Internationaal privaatrecht (IPR)



6.1.
Aangezien [minderjarige] in Polen is geboren, haar gewone verblijfplaats in dat land heeft gehad en [minderjarige] , de moeder en vermoedelijk de vader de Poolse nationaliteit hebben, draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet op deze internationale aspecten dient de rechtbank eerst vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek.



6.2.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter), is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek te beoordelen, nu [minderjarige] op het moment van de indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland had. Op grond van artikel 265 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: [minderjarige] ) is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda relatief bevoegd nu het verzoek een minderjarige betreft die woonplaats heeft in het arrondissement van deze rechtbank.



6.3.
Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Op grond van artikel 15 HKBV 1996 wordt het Nederlands recht toegepast op het verzoek.



Van rechtswege gezagsverhouding




6.4.
Alvorens het verzoek inhoudelijk te kunnen behandelen, dient allereerst te worden vastgesteld wie op het moment van indiening van het verzoek met het gezag is belast. Er is op dit moment geen rechterlijke beslissing betreffende het gezag bekend, waardoor de vraag rijst wie van rechtswege met het gezag is belast. [minderjarige] is geboren vóór 1 mei 2011. Voor de vraag wie van rechtswege is belast met het ouderlijk gezag en de erkenning van dergelijke gezagsverhoudingen moet daarom gekeken worden naar het Verdrag betreffende de bevoegdheid der autoriteiten en de toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen (hierna: HKBV 1961).



6.5.
Op grond van artikel 3 HKBV 1961 erkent Nederland als verdragsstaat een gezagsverhouding die van rechtswege voortvloeit uit de interne wet van de staat waarvan de minderjarige onderdaan is. Aangezien [minderjarige] vanaf haar geboorte de Poolse nationaliteit heeft, zal de rechtbank dan ook het Poolse recht als uitgangspunt nemen om vast te stellen wie op het moment van indiening van het verzoek met het gezag is belast. De rechtbank concludeert dat op basis van het Pools recht de ouders bij de geboorte gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen. Artikel 93 § 1 van het Poolse wetboek van Familie en Voogdij (Kodeks rodzinny i opiekuńczy) bepaalt dat het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door beide ouders. Uit de stukken is niet gebleken dat een rechter daarna heeft beslist over de gezagsverhouding, wat betekent dat deze na ontbinding van het huwelijk doorloopt. Ook de wijziging van de gewone verblijfplaats van [minderjarige] naar Nederland heeft geen wijziging in de gezagsverhouding tot gevolg gehad. Nu de ouders met het gezamenlijk gezag naar het Pools recht zijn belast blijven zij op grond van artikel 16 lid 3 HKBV 1996 met het gezag belast. Het op grond van het recht van de Staat van de gewone verblijfplaats van het kind bestaande ouderlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere Staat (zie ook artikel 30 lid 3 Uitvoeringswet Internationale Kinderbescherming).



6.6.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken gaat de kinderrechter er van uit dat zowel de moeder als de vader gezag hebben over [minderjarige] . De moeder en [minderjarige] verblijven sinds 2011 in Nederland, terwijl de vader in Polen is blijven wonen. De vader oefent op geen enkele manier zijn gezag uit en is onbereikbaar voor de moeder. [minderjarige] heeft al sinds 2012 geen contact met de vader of haar broer die ook in Polen woont. Op grond van voornoemde omstandigheden is de kinderrechter dan ook van oordeel dat de vader (al dan niet tijdelijk) in de onmogelijkheid verkeert om het gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Derhalve is voldaan aan de voorwaarde van artikel 1:253r, eerste lid, onderdeel a, BW. Daarmee is op de voet van het bepaalde in artikel 1:253r, tweede lid, BW het gezag van de vader van rechtswege geschorst. Dit betekent dat op het moment van indiening van het verzoek de moeder alleen het gezag over [minderjarige] uitoefent.



Wettelijk kader




6.7
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:


de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;


de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.





Inhoudelijke behoordeling




6.7.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt voldaan aan voornoemde voorwaarden. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] . Er bestaan forse zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] is een kwetsbaar meisje en er zijn zorgen over haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Zij heeft de afgelopen jaren op veel verschillende plekken gewoond. Hoewel de moeder en stiefvader inmiddels niet meer samen zijn geweest is in de thuissituatie mogelijk sprake geweest van mishandeling en achterstelling. [minderjarige] gaat al drie jaar niet meer naar school en heeft geen dagbesteding. [minderjarige] is een intelligent meisje, maar heeft een grote onderwijsachterstand. Zij zou graag regulier onderwijs volgen, maar dit is vanwege de onderwijsachterstand niet mogelijk. [minderjarige] toont geen initiatief en legt alles buiten zichzelf. Verder heeft [minderjarige] geen contact met leeftijdsgenoten. [minderjarige] dreigt uit beeld te raken.



6.8.
De moeder is op dit moment niet in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De moeder is overbelast en het lukt haar niet om de verantwoordelijkheden op te pakken. Zij werkt veel om rond te komen en schulden af te betalen, waardoor [minderjarige] vaak alleen thuis is. De moeder is passief met betrekking tot het regelen van praktische zaken en het nakomen van afspraken met hulpverlening. Er zijn de afgelopen jaren verschillende hulpverleners betrokken geweest, maar de moeder wantrouwt de hulpverlening. Het is des te belangrijker dat de hulpverlening goed geregeld wordt, aangezien [minderjarige] over ruim een jaar de meerderjarig zal zijn. [minderjarige] heeft op dit moment geen identiteitsbewijs, waardoor de hulpverlening niet van de grond komt. Zodra zij een identiteitsbewijs heeft kunnen er letterlijk deuren voor haar open gaan.



6.9.
De verwachting is dat moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.



6.10.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:


Er komt zicht op [minderjarige] ’s mogelijkheden en het effect van de ingrijpende gebeurtenissen op haar;



[minderjarige] heeft een zinvolle dagbesteding. [minderjarige] heeft zicht op waar haar interesses liggen;



[minderjarige] volgt structureel passend onderwijs en behaalt een startkwalificatie voor de arbeidsmarkt;



[minderjarige] krijgt steun van een volwassene. [minderjarige] weet waar zij voor steun terecht kan;


De moeder is als opvoeder praktisch en emotioneel beschikbaar en betrouwbaar voor [minderjarige] ;



[minderjarige] heeft een geldig legitimatiebewijs;



[minderjarige] kan vriendschappen aangaan en onderhouden. [minderjarige] heeft een eigen sociaal leven.





Uitvoerbaar bij voorraad




6.11.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



6.12.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





7De beslissing


De kinderrechter:



7.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 3 juni 2026 tot 24 maart 2027;


7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 17 juni 2026.












































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.