Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5984

2026-06-03 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/448221 / JE RK 26-853
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-07-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/448221 / JE RK 26-853
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.902 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/448221 / JE RK 26-853
Datum uitspraak: 3 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling




in de zaak van




RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, Breda,
hierna te noemen: de Raad,



over





[minderjarige]
,
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] (België),





[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] ,
advocaat: mr. M. Maaré uit Breda.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 mei 2026;


het bericht met bijlagen van mr. Maaré van 29 mei 2026.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juni 2026. Daarbij waren aanwezig en zijn gehoord:


een vertegenwoordiger van de Raad;


de vader met zijn advocaat;


- de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI.



1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. Zij heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
2. De feiten




2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] woont bij de vader.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4Het standpunt van de Raad


4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. Er is sprake van een ernstig ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] , omdat er zorgen zijn over haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Zij loopt op diverse gebieden achter ten opzichte van leeftijdsgenoten. Er zijn abrupt twee voor [minderjarige] belangrijke hechtingsrelaties weggevallen. [minderjarige] heeft al bijna twee jaar geen contact meer gehad met haar moeder. Ook is er geen contact met een van haar zussen. Er heeft een persoonlijkheidsonderzoek plaatsgevonden bij [zorgaanbieder] . Daarin valt te lezen dat [minderjarige] haar moeder mist. Het is voor [minderjarige] onvoldoende duidelijk waarom er geen sprake is van contact tussen de moeder en [minderjarige] . De Raad ziet dat het ontbreken van het contact met de moeder en de onduidelijkheid daaromheen een ernstige ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] vormt.



4.2.
De vader van [minderjarige] is op dit moment onvoldoende bereid onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. De vader heeft de door Veilig Thuis geadviseerde hulpverlening gericht op het contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder geweigerd. Hoewel de vader inmiddels aangeeft open te staan voor hulpverlening gericht op contactherstel, heeft de Raad vragen bij de consistentie en de oprechtheid ervan, gelet op de plotselinge omslag van zijn standpunt. De Raad vraagt zich af of het belang van [minderjarige] bij deze kentering van de vader voorop heeft gestaan. Ook de moeder van [minderjarige] is op dit moment onvoldoende bereid of in staat onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. De moeder zet geen (juridische) stappen voor contactherstel met [minderjarige] , terwijl dit haar door Veilig Thuis is geadviseerd. Dit is wel belangrijk zodat [minderjarige] weet waar ze aan toe is. Daarnaast ervaart de hulpverlening dat het moeilijk is om met de moeder in contact te komen en om toestemming te verkrijgen voor hulpverlening. De Raad maakt zich zorgen of de moeder kan profiteren van de hulp. De ouders kunnen een traject van contactherstel samen niet vormgeven, omdat zij zorgen uiten over elkaar en geen contact hebben met elkaar. De ouders hebben een andere zienswijze op wat er is gebeurd in het verleden. Er zijn geen stappen gezet om een verandering in de situatie te brengen. Daar komt bij dat er ook een zaak loopt over de omgang tussen [minderjarige] en een van haar zussen. Het systeem is zo complex dat het noodzakelijk is dat de GI de regie overneemt.



4.3.
De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.



4.4.
De Raad merkt op dat er een herstelrapportage is opgemaakt naar aanleiding van opmerkingen van de vader. Deze aanpassingen waren eerder per abuis niet meegenomen in het rapport. De vader zou een klachtprocedure zijn gestart via SKJ, maar deze is nog niet zichtbaar voor de Raad ten tijde van de zitting.





5De standpunten van belanghebbenden


5.1.
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het verzoek. De moeder vindt de ondertoezichtstelling nodig, omdat de omgang in een vrijwillig kader niet van de grond komt. De moeder heeft altijd geprobeerd mee te werken aan de hulpverlening. Zij is van mening dat er alleen naar haar thuissituatie wordt gekeken en niet naar de situatie van de vader. Toen de vader de omgang tussen de moeder en [minderjarige] heeft stopgezet heeft Veilig Thuis de moeder aangeraden juridische stappen te ondernemen. De moeder heeft dit geprobeerd, maar het is haar niet gelukt. Mede doordat zij in België woont, is het lastig om een advocaat op toevoeging te vinden. Zij wil graag dat de omgang weer wordt voortgezet, maar dat moet op een zorgvuldige manier worden gedaan. De moeder heeft geen toestemming gegeven voor een behandeling van [minderjarige] omdat zij van mening is dat dit niet de juiste hulpverlening voor haar is. Het contact tussen de ouders verloopt niet goed. De moeder wordt niet betrokken in het leven van [minderjarige] of meegenomen door de hulpverlening. Zij heeft het idee dat ze alleen wordt benaderd voor toestemmingen. De moeder heeft een ander e-mailadres en zij ontvangt vaak geen brieven. Zo heeft zij niets ontvangen van het CJG over de aanmelding bij de Viersprong.



5.2.
Door en namens de vader is, samengevat, naar voren gebracht dat geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging en dat het verzoek daarom zou moeten worden afgewezen. [minderjarige] heeft een positieve ontwikkeling doorgemaakt de afgelopen periode. Ook op school. De vader is van mening dat het raadsrapport onzorgvuldig tot stand is gekomen en conclusies trekt die kort door de bocht zijn. Wat de vader betreft is de situatie veel complexer dan dat er alleen geen omgang tussen [minderjarige] en de moeder is. De vader is niet van mening dat er geen omgang mag zijn tussen de moeder en [minderjarige] , maar hij vindt het belangrijk dat eerst wordt vastgesteld wat in het belang is van [minderjarige] . De vader heeft het idee dat de omgang op dit moment niet op een onbelaste manier kan plaatsvinden. Er is wel telefonisch contact steeds mogelijk geweest tussen [minderjarige] en de moeder, via videobellen. De moeder is hier niet op in gegaan. De moeder wordt over de e-mail op de hoogte gehouden over de ontwikkeling van [minderjarige] , maar zij reageert hier niet op. De moeder is niet goed bereikbaar. Er is al lange tijd hulpverlening betrokken in het gezin. Het CJG wil een aanmelding doen bij de Viersprong, maar de moeder heeft hierover nog geen contact gehad met het CJG.





6Het standpunt van de GI


6.1.
Door de GI is, samengevat, naar voren gebracht dat de GI zich kan vinden in het verzoek en bereid is de ondertoezichtstelling uit te voeren. De GI zal inzetten op de hechtingsrelatie van [minderjarige] met haar ouders, interventie, mogelijk traumatherapie, ondersteuning bij de vader en contactherstel tussen [minderjarige] en de moeder. De GI zal in gesprek gaan met [minderjarige] om te kijken wat zij aan kan en wat een passende omgangsregeling is en hoe de omgang kan worden opgebouwd. Er is op dit moment niet een vaste jeugdbeschermer beschikbaar.





7De beoordeling



Wettelijk kader



7.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:


de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;


de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.





Inhoudelijke beoordeling




7.2.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de kinderrechter als volgt. Er wordt voldaan aan voornoemde voorwaarden. [minderjarige] loopt achter met haar sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarnaast vraagt zij om negatieve aandacht, heeft weinig aansluiting met leeftijdgenootjes en laat symptomen zien van persoonlijke problematiek die zouden kunnen wijzen op een trauma. Het is enorm zorgelijk dat [minderjarige] haar moeder al twee jaar niet heeft gezien, zonder dat er een onderzoek heeft plaatsgevonden of vast is komen te staan dat dit contact niet in het belang van [minderjarige] is. Zeker gelet op de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] is het feit dat er gedurende de gehele periode geen duidelijkheid was voor [minderjarige] of de omgang weer zou starten en zo ja wanneer, erg zorgelijk. Hoewel de moeder geen juridische stappen heeft ondernomen om de omgang weer op te starten, heeft ook de vader geen juridische stappen ondernomen om de omgangsregeling te wijzigen of stop te zetten. Daarbij komt dat de oudercommunicatie op dit moment niet zoals gewenst verloopt. [minderjarige] zit knel binnen het complexe familiesysteem. Dat er een positieve gedragsverandering heeft plaatsgevonden bij [minderjarige] zou ermee te maken kunnen hebben dat het systeem, en daarmee haar leven, minder ingewikkeld is geworden door het wegvallen van de omgang met de moeder. Het is alleen maar de vraag of haar leven daarmee ten goede is veranderd. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van [zorgaanbieder] is de kinderrechter van oordeel dat [minderjarige] wel degelijk haar moeder mist en behoefte heeft aan contact met haar moeder.



7.3.
De ouders zijn op dit moment niet in staat en bereid om onder eigen verantwoordelijkheid de ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De vader heeft aangegeven open te staan voor alle hulpverlening, maar in het verleden is gezien dat de vader niet heeft meegewerkt aan de hulpverlening voor het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder heeft daarnaast niet altijd meegewerkt aan de hulpverlening en is, volgens de vader en de hulpverlening, niet goed bereikbaar. De moeder heeft aangegeven dat zij niet wordt meegenomen in de trajecten van de hulpverlening. Het is de ouders de afgelopen twee jaar niet gelukt om gezamenlijk iets op te zetten in het kader van contactherstel of hulpverlening voor [minderjarige] . Om de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen zullen de ouders op een gepaste wijze met elkaar moeten communiceren en zullen zij bereikbaar moeten zijn voor de hulpverlening.



7.4.
De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.



7.5.
De kinderrechter merkt op dat het belangrijk is dat [minderjarige] emotionele toestemming ervaart van de vader om een band op te bouwen met haar moeder. Het is aan de GI om te onderzoeken hoe de omgang op een zorgvuldige manier kan worden opgebouwd. Dit is des te belangrijker gelet op de kind-eigenproblematiek van [minderjarige] . Dat betekent mogelijk dat het contact met [persoon] op de tweede plek komt ten opzichte van de omgang met de moeder, maar ook dat is aan de GI om te onderzoeken.



7.6.
De doelen waaraan tijdens de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden, zijn:



[minderjarige] groeit op in een fysiek en emotioneel, veilige, stabiele en voorspelbare opvoedsituatie waarin er sensitief en responsief en op haar behoeften wordt ingespeeld;



[minderjarige] ervaart (emotionele) ruimte om een band te hebben met beide ouders - en andere familieleden - en om haar loyaliteit naar hen vorm te geven;


Er wordt gekeken of herstel van het contact tussen [minderjarige] en de moeder in het belang is van [minderjarige] ;



[minderjarige] werkt – op een manier en tempo dat past bij wat zij kan dragen – aan contactherstel met moeder en met [persoon] /andere familieleden;



[minderjarige] ervaart dat ouders positief of ten minste neutraal en met respect over en met elkaar spreken;



[minderjarige] krijgt de bij haar nodig geachte hulpverlening;



[minderjarige] ervaart dat beide ouders (en [persoon] ) zich betrouwbaar en begeleidbaar opstellen en de gemaakte afspraken met elkaar en anderen nakomen.





Uitvoerbaar bij voorraad




7.7.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is
verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.




7.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





8De beslissing


De kinderrechter:



8.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 3 juni 2026 tot 3 juni 2027;


8.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 door mr. Tempel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Ham als griffier, en op schrift gesteld op 17 juni 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.