Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5975

2026-06-03 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447939 / KG ZA 26-233
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-03
Publicatiedatum
2026-07-04
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
C/02/447939 / KG ZA 26-233
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vrouw beperkt omgang met de man niet, geen redenen voor een verhuisverbod

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.379 tekens)
vonnis
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Team Familie- en Jeugdrecht



Middelburg



zaaknummer / rolnummer: C/02/447939 / KG ZA 26-233



datum uitspraak: 3 juni 2026




Vonnis in kort geding van 3 juni 2026




in de zaak van





[de man] ,

wonende te [plaats 1] ,
eiser,
advocaat: mr. F.L.I. de Vleesschauwer te Terneuzen,



tegen





[de vrouw] ,

wonende te [plaats 2] ,
gedaagde,
advocaat: mr. M.E. Kok te Goes.



Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.




Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de voorzieningenrechter over het verzoek te adviseren.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord.



1.2.
De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting op 21 mei 2026 met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.



1.3.
Tijdens de zitting zijn verschenen partijen, bijgestaan hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger namens de Raad.



1.4.
Aan mevrouw [persoon 1] (de begeleidster van de moeder van [zorgaanbieder] ) en aan mevrouw [persoon 2] (student) is bijzondere toestemming verleend om bij de zitting aanwezig te zijn.


1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboortedag] 2019 op [geboorteplaats] .




2.2.
De man heeft de minderjarige erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige. De minderjarige verblijft bij de vrouw.



2.3.
Bij beschikking van 27 juni 2024 heeft de rechtbank bepaald dat de tussen partijen getroffen onderlinge regelingen, zoals opgenomen in de aan deze beschikking gehechte vaststellingsovereenkomst van 14 mei 2024, deel uitmaken van deze beschikking, met inachtneming van hetgeen hierover verder in rechtsoverweging 4.5 is overwogen.



2.4.
Bij beschikking van 1 augustus 2024 zijn partijen doorverwezen voor een (jeugd)hulpverleningstraject naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. De zaak is verder aangehouden.



2.5.
Met ingang van januari 2026 heeft de man 1,5 uur per week begeleid contact met [minderjarige] via [omgangshuis] te [plaats 1] . Iedere maandagavond heeft de man een videobelcontact met [minderjarige] .





3De vorderingen


3.1.

De man vordert bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:



de vrouw te verbieden te verhuizen naar [plaats 3] , in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure bekend onder zaakkenmerk C/02/420970 FA RK 24-1626;


de vrouw een dwangsom op te leggen van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan voor het geval zij met het verzochte onder 1 in gebreke blijft met een maximum van € 20.000,-;


Subsidiair:
3. de vrouw te gebieden om vanaf haar verhuizing medewerking te verlenen aan de huidige begeleide omgangsregeling via [omgangshuis] in [plaats 1] waarbij de vrouw zich houdt aan de afspraken van de omgangsbegeleiding en de vrouw zorgt voor het halen en brengen van [minderjarige] vanaf het moment dat zij is verhuisd
4. de vrouw een dwangsom op te leggen van € 500,- met een maximum van € 20.000,- voor elke dag en elke keer dat zij met het verzochte onder 3 in gebreke blijft.



3.2.

Door en namens de man is daartoe in de stukken en tijdens de mondelinge behandeling, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.
De man verwijst naar twee voorbeeldzaken in kort geding van de rechtbank Den Haag d.d. 17 jul 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:13745) en van de rechtbank Noord-Holland d.d. 22 april 2025 (ECLI:NL:RBNHO:2025:10321) waarbij eveneens aan de gezaghebbende ouder een verhuisverbod is opgelegd in afwachting van de uitkomst van een bodemprocedure over een omgangsregeling en het gezamenlijk gezag.
De man is vanwege het feit dat hij op dit moment (nog) geen gezaghebbende ouder is reeds
beperkt in zijn mogelijkheden om de verhuizing aan te vechten, hetgeen de vrouw wellicht heeft gesterkt in haar verhuisplannen. Hoewel de vrouw -bij de huidige stand van zaken- in beginsel het recht heeft om te verhuizen zonder toestemming van de man of vervangende toestemming van de rechtbank is er reeds twee jaar geleden in april 2024 een verzoek tot gezamenlijk gezag ingediend. Een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek wordt sedertdien aangehouden vanwege het feit dat partijen eerst zijn verwezen naar hulpverlening. Deze hulpverlening is pas in januari 2026 gestart waardoor de zaak al meermaals is aangehouden. De vrouw heeft daarnaast geen enkele noodzaak om te verhuizen naar [plaats 3] . Niet valt in te zien waarom van de vrouw niet gevergd kan worden dat zij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.
Indien de rechtbank in de bodemprocedure -in lijn met het wettelijke uitgangspunt- beslist dat partijen worden belast met gezamenlijk gezag dan dient de vrouw vervangende toestemming aan de rechtbank te verzoeken op grond van art. 1:253a BW en zal de verhuizing van de vrouw worden getoetst aan de verhuiscriteria, waarbij de noodzaak tot verhuizen en het belang van [minderjarige] als een van de voornaamste criteria gelden.
De vrouw heeft daarnaast verzuimd overleg te plegen over de verhuizing en de inschrijving van [minderjarige] op een andere basisschool in [plaats 3] . Hiermee voldoet de vrouw niet aan haar informatieplicht ex art. 1:377b BW. Ook handelt de vrouw in strijd met artikel 1:247 lid 3 BW nu Zij voornemens is om eenzijdig de begeleide omgangsregeling in [plaats 1] te beëindigen en geen concrete voorstellen doet voor een toekomstige omgangs- c.q. zorgregeling. Ook dient de vrouw bij het verhuizen rekening te houden met de belangen van [minderjarige] .




3.3.
De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man en concludeert tot afwijzing van die vorderingen.



3.4.

Ter onderbouwing van haar verweer voert de vrouw, kort samengevat, het navolgende aan.
Doordat er sprake is van eenhoofdig gezag heeft de vrouw voor de verhuizing geen toestemming van de man nodig. Het is juist dat de vrijheid van de vrouw enigszins beperkt kan worden, indien zij niet voldoet aan de verplichting om omgang tussen [minderjarige] en de man te bevorderen. Echter is dat niet aan de orde. De vrouw werkt mee met de hulpverlening. De hulpverlening is op de hoogte van de verhuizing. De verhuizing is met de hulpverlening afgestemd. De vrouw heeft de man pas willen informeren op het moment dat zij daadwerkelijk wist dat een en ander voor [minderjarige] ook goed geregeld kon worden. Volgens de vrouw is de afstand naar waar zij verhuist heel goed te overbruggen. De vrouw is inmiddels een jaar samen met haar nieuwe vriend en hij heeft een koophuis in [plaats 4] . Hij heeft zijn (financiële) zaken goed op orde en is een heel belangrijk steunfiguur in zowel het leven van de vrouw als dat van [minderjarige] . De vrouw en [minderjarige] zijn gelukkig in [plaats 4] . De nieuwe vriend van de vrouw heeft een grote familie en de vrouw ontvangt hier veel steun van. Daar komt bij dat [minderjarige] op haar huidige school niet gelukkig is en de vrouw verwacht dat de nieuwe school beter bij [minderjarige] zal kunnen aansluiten. [minderjarige] is op de hoogte van de verhuizing en kijkt er ook naar uit.




3.5.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.





4De beoordeling



4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door partijen tijdens de zitting staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang van de man bij zijn vorderingen vast.



4.2.

De Raad heeft tijdens de zitting, kort samengevat, naar voren gebracht dat de Raad geen zaken ziet die de verhuizing voor [minderjarige] moeilijker maken. Het is lastig dat de ouders zolang hebben moeten wachten op de hulpverlening en dat deze pas in januari 2026 gestart is. De vrouw heeft geprobeerd om de verhuizing goed voor te bereiden en heeft daarbij het netwerkberaad en de hulpverlening betrokken. Zij ziet in dat het voor het goed opgroeien van [minderjarige] van belang is dat er contact is met beide ouders. De vrouw heeft ook aangegeven bereid te zijn [minderjarige] voor de omgang met de man te brengen en te halen. De vrouw werkt ook actief mee aan de begeleide contacten.
De verhuizing maakt wel dat het voor de man moeilijker is om contact met school te onderhouden, maar de man zou dan in de toekomst [minderjarige] op vrijdag uit school op kunnen halen.
Omdat de relatie van de vrouw met haar nieuwe partner nog net geen jaar bedraagt, de vrouw voor het vervoer volledig afhankelijk is van deze partner en [minderjarige] kwetsbaar is, biedt de Raad een raadsonderzoek aan. De kans is groot dat het onderzoek niet voor de zomervakantie klaar is, gelet op de wachtlijst. Ook niet wanneer de zaak geprioriteerd wordt.




4.3.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
Allereerst vindt de voorzieningenrechter het – mede gelet op de relatie van de vrouw waarbij zij voor het vervoer van [minderjarige] volledig afhankelijk is van haar partner en er sprake is van een behoorlijke (reis)afstand tussen [plaats 4] en [plaats 1] – het van belang dat de Raad een onderzoek gaat doen om te bekijken welke omgangsregeling in het belang van [minderjarige] is. Daarbij wordt de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de navolgende vragen:

- In hoeverre is de verhuizing van de vrouw in het belang van [minderjarige] ?
- Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarige?
- Zou de Raad een andere omgangsregeling adviseren, indien [minderjarige] niet zou zijn verhuisd?



4.4.
Deze raadsrapportage dient de Raad in te brengen in de bodemzaak, te weten zaaknummer C/02/420970 FA RK 24-1626.



4.5.
In de tussentijd is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrouw met [minderjarige] mag verhuizen naar de woning van haar nieuwe partner. Op dit moment is er geen sprake van gezamenlijk gezag. Dat betekent dat de vrouw een dergelijke beslissing zonder overleg mag nemen. Zij is echter wel verplicht om de contacten tussen de man en [minderjarige] te laten voortbestaan en deze mogen door de verhuizing niet zomaar ingeperkt worden.



4.6.

Op dit moment is er nog enkel sprake van begeleide contacten tussen de man en [minderjarige] . De hulpverlening is sinds januari 2026 betrokken. Er is bij [minderjarige] sprake van kindeigen problematiek. De vrouw heeft aangegeven dat zij er eerst voor heeft gezorgd dat alle hulpverlening rondom [minderjarige] door kon lopen. Zij heeft de verhuizing eerst voorbereid met de hulpverlening en pas toen ze zeker wist dat alles voor [minderjarige] geregeld kon worden, de man ingelicht over de verhuizing. Bovendien heeft de vrouw tijdens de zitting verklaard dat zij ervoor zorgdraagt dat [minderjarige] naar de begeleidde omgang met de man wordt gebracht (en gehaald) en dat zij sowieso het halen en brengen van [minderjarige] voor haar rekening neemt. Ook wil de vrouw toewerken naar een onbegeleide omgangsregeling.
Daar komt bij dat de vrouw de mogelijkheid heeft om – indien onverhoopt haar relatie niet bestendig is – terug te verhuizen en al dan niet tijdelijk bij haar moeder te gaan wonen.
Daarnaast is er een voor [minderjarige] meer passende school gevonden door de vrouw. De man heeft niet betwist dat de huidige school van [minderjarige] onvoldoende passend is. Wel heeft hij aangegeven dat [minderjarige] hier een eigen netwerk heeft en wijst daarbij met name op de huidige school van [minderjarige] en dat daar ook een (stief)broertje en (stief)zusje op zitten. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van de man om deze contacten in stand te houden. Dat is ook de bedoeling, alleen zal dat uiteindelijk via de omgangsregeling met de man verlopen.




4.7.
De voorzieningenrechter zal de vorderingen van de man, zowel primair als subsidiair afwijzen. De vrouw heeft ter zitting verklaard haar medewerking te verlenen aan de subsidiaire vordering van de man. De man heeft om die reden geen belang bij zijn vordering.





5De beslissing


De voorzieningenrechter



5.1.
verzoekt de Raad locatie Middelburg een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hierboven vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór 22 september 2026 PRO FORMA in de bodemprocedure, te weten zaaknummer C/02/420970 FA RK 24-1626, bij de rechtbank dient te worden ingediend, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de advocaten van partijen;


5.2.
wijst de vorderingen van de man af;


Dit vonnis is gewezen door mr. De Beer, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier.