Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5957
2026-06-02
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/448561 / JE RK 26-912
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Nadere beschikking voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.259 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448561 / JE RK 26-912
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Jemen),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
samen te noemen: de ouders,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N. Wouters uit Middelburg,
JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur,
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 26 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door mr. R.S. Vriend en een tolk in de Arabische taal;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om haar mening te geven.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de ouders.
2.3.
Bij beschikking van 26 mei 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 mei 2026 en tot 9 juni 2026. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 26 mei 2026 en tot 9 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van
drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de
beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het resterende deel van het verzoek en verwijst voor de onderbouwing naar de raadsrapportage. De Raad heeft grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Voorafgaand aan de uithuisplaatsing is gegil waargenomen uit de woning van [minderjarige] en de ouders en is [minderjarige] door de politie aangetroffen met letsel. Vervolgens heeft [minderjarige] verteld dat zij niet terug naar huis wil en dat het letsel is toegebracht door haar broer en haar vader. De Raad vreest dat er sprake is van eerwraak. Dat door de ouders wordt verklaard dat er niks aan de hand is, maakt dat de Raad nog meer zorgen heeft over [minderjarige] . Het is van belang dat de GI in de komende periode betrokken blijft om meer zicht te krijgen op [minderjarige] en hetgeen speelt in de thuissituatie. Ook moeten de resultaten van het forensisch onderzoek en het politieonderzoek worden afgewacht. Daarnaast is het aan de GI om zicht te houden op de veiligheid van [minderjarige] , veiligheidsafspraken te maken en de benodigde hulpverlening in te zetten.
4.2.
De ouders verzoeken het resterende van het verzoek af te wijzen. Zij zijn het niet eens met het verzoek. Er is geen sprake van een acute ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en daar komt bij dat de ouders bereid zijn de noodzakelijk geachte hulpverlening te accepteren. De ouders willen graag dat [minderjarige] terugkeert naar de thuissituatie. Zij maken zich namelijk veel zorgen over [minderjarige] sinds dat zij uit huis is geplaatst en uit de telefonische gesprekken met [minderjarige] blijkt dat zij ook graag terug wil naar huis. Over de gebeurtenissen in de thuissituatie verklaren de ouders dat er de nacht voorafgaand aan de uithuisplaatsing niks is gebeurd. Er was wel sprake van een woordenwisseling, maar er is geen sprake geweest van mishandeling. Dit blijkt ook niet uit de overgelegde stukken. Het letsel dat [minderjarige] blijkbaar heeft, zal volgens de ouders zijn ontstaan door een ongeluk dat zij een poos geleden heeft gehad. De Raad vreest voor eerwraak, maar dit blijkt niet uit de feiten of omstandigheden. Een risico op eerwraak kan aldus niet worden aangenomen.
4.3.
De GI verklaart dat het goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] heeft in gesprek met de GI aangegeven dat zij tijd nodig heeft en dat zij hoopt dat zij met behulp van hulpverlening kan terugkeren naar de thuissituatie. [minderjarige] begrijpt namelijk dat de ouders andere normen en waarden hebben en mogelijk kan de inzet van hulpverlening hierin helpend zijn. Desgevraagd verklaart de GI dat niet met [minderjarige] is gesproken over de gebeurtenissen in de thuissituatie voorafgaand aan de uithuisplaatsing. [minderjarige] wil daar op dit moment namelijk niet meer over praten omdat zij dit verhaal al meerdere keren heeft verteld. Wel heeft [minderjarige] verteld dat zij met enige regelmaat woordenwisselingen heeft met de vader en dat zij wel eens is geslagen. De GI hoopt dat [minderjarige] binnen drie maanden kan terugkeren naar de thuissituatie. Daarvoor is het van belang dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt en dat er passende hulpverlening wordt ingezet. Daarin is de taalbarrière echter een belemmerende factor.
5De nadere beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:257, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
Bij beschikking van 26 mei 2026, schriftelijk uitgewerkt op 27 mei 2026, is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 26 mei 2026 tot 9 juni 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 2 juni 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 26 mei 2026 moet worden herroepen.
5.4.
De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt. Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over [minderjarige] , zoals ook is overwogen in de beschikking van 26 mei 2026. In de nacht van 25 op 26 mei 2026 is er voor een langere tijd gegil gehoord in de woning waarin [minderjarige] samen met haar ouders, broers en zus woont. Vervolgens is [minderjarige] door de politie aangetroffen met letsel. Zij had een wond op haar hoofd en meerdere blauwe plekken op haar armen en bij haar oog. Desgevraagd heeft [minderjarige] bij de politie en later ook bij de Raad verklaard dat zij is mishandeld door haar broer en haar vader. Zij zou zijn geslagen, gebeten en met de dood zijn bedreigd. De aanleiding zou gelegen zijn in de omstandigheid dat de broer van [minderjarige] er achter is gekomen dat [minderjarige] een vriendje heeft. Direct na de gebeurtenis en ook tijdens de zitting is door de ouders verklaard dat er in de thuissituatie niks is gebeurd. Er zou enkel sprake zijn geweest van een woordenwisseling tussen [minderjarige] en de vader, waarbij fysieke mishandeling nadrukkelijk wordt ontkend. Omdat de onderzoeken naar wat zich heeft voorgevallen in de thuissituatie en naar de precieze herkomst van het letsel van [minderjarige] nog lopen, is daarover nog veel onduidelijk. Tegelijkertijd is het naar het oordeel van de kinderrechter wel voldoende duidelijk dat hier vanuit het gedwongen kader zicht op moet worden verkregen. Hoewel door de ouders is toegezegd dat zij open staan voor hulpverlening in het vrijwillige kader, is de kinderrechter van oordeel dat inzet van hulpverlening in het vrijwillige kader op dit moment niet mogelijk is gelet op de forse zorgen over de veiligheid van [minderjarige] en het gebrek aan zicht op de opvoedsituatie. Daarbij komt dat de zorgen door de ouders worden ontkend en onduidelijk is welke (cultuur sensitieve) hulpverlening moet worden ingezet, alsook dat tijdens de zitting is gebleken dat de ouders geen hulpvraag hebben. Dit maakt dat langere betrokkenheid van de jeugdbeschermer noodzakelijk is. Bovendien stemmen de ouders niet in met een voortzetting van de uithuisplaatsing van [minderjarige] , terwijl de kinderrechter dit op dit moment wel van groot belang acht om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.
5.5.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat zij ook in de komende periode uit huis wordt geplaatst. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom toewijzen voor de verzochte duur, te weten van 9 juni 2026 tot 26 augustus 2026.
5.6.
De kinderrechter vindt het van belang dat in de komende periode meer zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie van [minderjarige] en hetgeen voorafgaand aan de uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden. Ook dient er meer zicht te komen op de gezinsdynamiek en hoe contactherstel tussen [minderjarige] en haar familie op een veilige wijze kan worden vormgegeven. Het is daarbij aan de GI om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en veiligheidsafspraken te maken met de ouders.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 9 juni 2026 en tot 26 augustus 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 juni 2026 en tot 26 augustus 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/448561 / JE RK 26-912
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZUIDWEST NEDERLAND,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2009 in [geboorteplaats] (Jemen),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
samen te noemen: de ouders,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N. Wouters uit Middelburg,
JEUGDBESCHERMING BRABANT, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI), gevestigd te Etten-Leur,
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 26 mei 2026 en alle daarin genoemde stukken.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door mr. R.S. Vriend en een tolk in de Arabische taal;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid om haar mening te geven.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de ouders.
2.3.
Bij beschikking van 26 mei 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 mei 2026 en tot 9 juni 2026. Tevens is bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 26 mei 2026 en tot 9 juni 2026.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van
drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de
beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
3.2.
De kinderrechter heeft reeds deels op dit verzoek beslist. Thans ligt nog ter beoordeling voor of sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven voor herroeping van de afgegeven spoedbeslissing, alsmede het resterende deel van het verzoek.
4De standpunten
4.1.
De Raad handhaaft het resterende deel van het verzoek en verwijst voor de onderbouwing naar de raadsrapportage. De Raad heeft grote zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Voorafgaand aan de uithuisplaatsing is gegil waargenomen uit de woning van [minderjarige] en de ouders en is [minderjarige] door de politie aangetroffen met letsel. Vervolgens heeft [minderjarige] verteld dat zij niet terug naar huis wil en dat het letsel is toegebracht door haar broer en haar vader. De Raad vreest dat er sprake is van eerwraak. Dat door de ouders wordt verklaard dat er niks aan de hand is, maakt dat de Raad nog meer zorgen heeft over [minderjarige] . Het is van belang dat de GI in de komende periode betrokken blijft om meer zicht te krijgen op [minderjarige] en hetgeen speelt in de thuissituatie. Ook moeten de resultaten van het forensisch onderzoek en het politieonderzoek worden afgewacht. Daarnaast is het aan de GI om zicht te houden op de veiligheid van [minderjarige] , veiligheidsafspraken te maken en de benodigde hulpverlening in te zetten.
4.2.
De ouders verzoeken het resterende van het verzoek af te wijzen. Zij zijn het niet eens met het verzoek. Er is geen sprake van een acute ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] en daar komt bij dat de ouders bereid zijn de noodzakelijk geachte hulpverlening te accepteren. De ouders willen graag dat [minderjarige] terugkeert naar de thuissituatie. Zij maken zich namelijk veel zorgen over [minderjarige] sinds dat zij uit huis is geplaatst en uit de telefonische gesprekken met [minderjarige] blijkt dat zij ook graag terug wil naar huis. Over de gebeurtenissen in de thuissituatie verklaren de ouders dat er de nacht voorafgaand aan de uithuisplaatsing niks is gebeurd. Er was wel sprake van een woordenwisseling, maar er is geen sprake geweest van mishandeling. Dit blijkt ook niet uit de overgelegde stukken. Het letsel dat [minderjarige] blijkbaar heeft, zal volgens de ouders zijn ontstaan door een ongeluk dat zij een poos geleden heeft gehad. De Raad vreest voor eerwraak, maar dit blijkt niet uit de feiten of omstandigheden. Een risico op eerwraak kan aldus niet worden aangenomen.
4.3.
De GI verklaart dat het goed gaat met [minderjarige] . [minderjarige] heeft in gesprek met de GI aangegeven dat zij tijd nodig heeft en dat zij hoopt dat zij met behulp van hulpverlening kan terugkeren naar de thuissituatie. [minderjarige] begrijpt namelijk dat de ouders andere normen en waarden hebben en mogelijk kan de inzet van hulpverlening hierin helpend zijn. Desgevraagd verklaart de GI dat niet met [minderjarige] is gesproken over de gebeurtenissen in de thuissituatie voorafgaand aan de uithuisplaatsing. [minderjarige] wil daar op dit moment namelijk niet meer over praten omdat zij dit verhaal al meerdere keren heeft verteld. Wel heeft [minderjarige] verteld dat zij met enige regelmaat woordenwisselingen heeft met de vader en dat zij wel eens is geslagen. De GI hoopt dat [minderjarige] binnen drie maanden kan terugkeren naar de thuissituatie. Daarvoor is het van belang dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt en dat er passende hulpverlening wordt ingezet. Daarin is de taalbarrière echter een belemmerende factor.
5De nadere beoordeling
Het wettelijk kader
5.1.
Op grond van artikel 1:257, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid, BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, een machtiging tot uithuisplaatsing verlenen.
De inhoudelijke beoordeling
5.3.
Bij beschikking van 26 mei 2026, schriftelijk uitgewerkt op 27 mei 2026, is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI en is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 26 mei 2026 tot 9 juni 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. De belanghebbenden zijn tijdens de zitting van 2 juni 2026 gehoord. Naar aanleiding daarvan is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de spoedbeschikking van 26 mei 2026 moet worden herroepen.
5.4.
De kinderrechter moet vervolgens beslissen over het resterende deel van het verzoek. Hiertoe overweegt de kinderrechter als volgt. Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat er nog steeds ernstige zorgen zijn over [minderjarige] , zoals ook is overwogen in de beschikking van 26 mei 2026. In de nacht van 25 op 26 mei 2026 is er voor een langere tijd gegil gehoord in de woning waarin [minderjarige] samen met haar ouders, broers en zus woont. Vervolgens is [minderjarige] door de politie aangetroffen met letsel. Zij had een wond op haar hoofd en meerdere blauwe plekken op haar armen en bij haar oog. Desgevraagd heeft [minderjarige] bij de politie en later ook bij de Raad verklaard dat zij is mishandeld door haar broer en haar vader. Zij zou zijn geslagen, gebeten en met de dood zijn bedreigd. De aanleiding zou gelegen zijn in de omstandigheid dat de broer van [minderjarige] er achter is gekomen dat [minderjarige] een vriendje heeft. Direct na de gebeurtenis en ook tijdens de zitting is door de ouders verklaard dat er in de thuissituatie niks is gebeurd. Er zou enkel sprake zijn geweest van een woordenwisseling tussen [minderjarige] en de vader, waarbij fysieke mishandeling nadrukkelijk wordt ontkend. Omdat de onderzoeken naar wat zich heeft voorgevallen in de thuissituatie en naar de precieze herkomst van het letsel van [minderjarige] nog lopen, is daarover nog veel onduidelijk. Tegelijkertijd is het naar het oordeel van de kinderrechter wel voldoende duidelijk dat hier vanuit het gedwongen kader zicht op moet worden verkregen. Hoewel door de ouders is toegezegd dat zij open staan voor hulpverlening in het vrijwillige kader, is de kinderrechter van oordeel dat inzet van hulpverlening in het vrijwillige kader op dit moment niet mogelijk is gelet op de forse zorgen over de veiligheid van [minderjarige] en het gebrek aan zicht op de opvoedsituatie. Daarbij komt dat de zorgen door de ouders worden ontkend en onduidelijk is welke (cultuur sensitieve) hulpverlening moet worden ingezet, alsook dat tijdens de zitting is gebleken dat de ouders geen hulpvraag hebben. Dit maakt dat langere betrokkenheid van de jeugdbeschermer noodzakelijk is. Bovendien stemmen de ouders niet in met een voortzetting van de uithuisplaatsing van [minderjarige] , terwijl de kinderrechter dit op dit moment wel van groot belang acht om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.
5.5.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat zij ook in de komende periode uit huis wordt geplaatst. De kinderrechter zal het resterende deel van het verzoek daarom toewijzen voor de verzochte duur, te weten van 9 juni 2026 tot 26 augustus 2026.
5.6.
De kinderrechter vindt het van belang dat in de komende periode meer zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie van [minderjarige] en hetgeen voorafgaand aan de uithuisplaatsing heeft plaatsgevonden. Ook dient er meer zicht te komen op de gezinsdynamiek en hoe contactherstel tussen [minderjarige] en haar familie op een veilige wijze kan worden vormgegeven. Het is daarbij aan de GI om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en veiligheidsafspraken te maken met de ouders.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 9 juni 2026 en tot 26 augustus 2026;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 9 juni 2026 en tot 26 augustus 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.2 uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 22 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.