Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5953
2026-06-02
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447330 / JE RK 26-677
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 1:255 lid 1 BW. Toewijzing ondertoezichtstelling.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.976 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447330 / JE RK 26-677
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de ouders.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
De Raad
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] woont samen met zijn [halfzus] (voor 30% van de tijd), en zijn moeder en vader. [minderjarige] gaat naar [speciaal onderwijs] , en na school gaat hij naar [kinderopvang] , naschoolse behandeling van [zorginstelling] . Er zijn zorgen over [minderjarige] en zijn thuissituatie. De ouders liggen in scheiding. Zij wonen nog wel in hetzelfde huis, wat zorgt voor spanningen. Er is geregeld ruzie met grof taalgebruik, waar [minderjarige] getuige van is. [minderjarige] doet in gesprekken regelmatig gewelddadige uitspraken. Hij speelt spelletjes en kijkt films die niet passen bij zijn leeftijd. Daarnaast geeft hij aan dat hij nachtmerries heeft en niet goed kan slapen. [minderjarige] heeft last van de spanningen tussen zijn ouders. Zowel school als [kinderopvang] merken een negatieve gedragsverandering bij hem, met meer frustratie, verwarring en afwezigheid. Het is zorgelijk dat [minderjarige] zegt dat zijn moeder niet drinkt en nooit dronken is geweest, terwijl duidelijk is dat hij hier wel getuige van is geweest en er last van heeft gehad.
4.2.
De Raad heeft zorgen over de gezinssituatie bij beide ouders. De moeder heeft onlangs een IQ-test gehad in het kader van de aanmelding bij FACT, waarbij een IQ van 65 is vastgesteld. Er bestaan zorgen over haar alcoholgebruik, en dat zij dit niet volledig erkent. Wanneer zij heeft gedronken, kunnen de situaties fysiek en emotioneel onveilig zijn voor [minderjarige] . Bovendien is de moeder dan vaak onvoldoende emotioneel beschikbaar en lukt het haar niet goed om haar opvoedtaken uit te voeren. Het is onzeker hoe gemotiveerd zij is om haar problemen aan te pakken, aangezien zij het probleem zelf niet goed lijkt te zien. Er is bovendien zorg over de toekomst, wanneer zij alleen met de kinderen woont. Bij een eventuele terugval in het drankgebruik is er dan weinig tot geen zicht op de situatie. Ook is het zorgelijk dat de moeder negatief over de vader spreekt en hem uitscheldt in aanwezigheid van [minderjarige] . Gezien wordt dat de vader lief, zorgzaam en stabiel is, maar hij is vanwege zijn werk vaak van huis. [minderjarige] kan op dit moment onvoldoende onbelast en veilig opgroeien. Hulpverlening binnen het vrijwillig kader is op dit moment onvoldoende toereikend om een gezonde ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.
Een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is naar mening van de Raad noodzakelijk.
De moeder
4.3.
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat de scheiding tussen de ouders lang duurt, de ouders zijn er al vanaf januari mee bezig. Als de scheiding rond is gaat de moeder uit de woning, maar het is op dit moment nog onduidelijk waar ze dan gaat wonen. De moeder is niet blij met de komst van een ondertoezichtstelling, maar aan de andere kant hoopt zij dat het kan helpen en dat het na een jaar ook afgesloten kan worden. De moeder geeft aan dat zij twee jaar geleden een alcoholprobleem heeft gehad, met af en toe uitglijders, maar dat is nu al een tijd niet voorgekomen. Het frustreert haar dat dit steeds weer ter sprake komt. FACT is nu betrokken en dat vindt de moeder erg fijn. Daar zit alle hulp in één en daar heeft de moeder steun aan. Voor haar is het belangrijk dat duidelijk wordt wat er van haar verwacht wordt, zodat de ondertoezichtstelling over een jaar kan worden afgesloten.
De vader
4.4.
Door de vader is, samengevat, aangegeven dat hij open staat voor de ondertoezichtstelling, maar tegelijkertijd vindt hij dat er al veel hulpverlening betrokken is. Het zou fijn zijn als de hulpverlening meer op elkaar afgestemd wordt.
De GI
4.5.
De GI heeft aangegeven dat zij bereid is om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Door de wachtlijst kan zij niet direct aan de slag gaan, maar over een paar weken is er een jeugdbeschermer beschikbaar. De GI gaat de betrokken hulpverlening coördineren en in kaart brengen welke hulp wat doet. Op deze manier worden de ouders ontlast. Daarnaast wil de GI zicht krijgen op [minderjarige] als de ouders niet meer bij elkaar wonen.
5De beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt het volgende. [minderjarige] woont samen met zijn moeder, vader en zijn [halfzus] , die ongeveer dertig procent van de tijd bij hen is. Hij gaat naar [speciaal onderwijs] en volgt na schooltijd behandeling bij [kinderopvang] , naschoolse behandeling van [zorginstelling] . Er zijn zorgen over [minderjarige] en zijn thuissituatie. Zijn ouders zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure, maar wonen nog in hetzelfde huis. Dit veroorzaakt spanningen. Regelmatig is er ruzie met grof taalgebruik, waar [minderjarige] bij is. [minderjarige] doet ook zelf regelmatig gewelddadige uitspraken. Hij speelt spelletjes en kijkt films die niet geschikt zijn voor zijn leeftijd. Ook vertelt hij dat hij nachtmerries heeft en slecht slaapt. De spanningen tussen zijn ouders hebben veel invloed op hem. Zowel school als [kinderopvang] merken een negatieve gedragsverandering bij hem. Hij is vaker gefrustreerd, verward en afwezig.
5.4.
Er zijn ook zorgen over de gezinssituaties waarin [minderjarige] opgroeit. Hij kan daar niet voldoende veilig en onbelast opgroeien. Bij zijn moeder speelt alcoholproblematiek. Wanneer de moeder een terugval heeft, is de thuissituatie niet veilig voor [minderjarige] . De vader is minder betrokken in de opvoeding, omdat hij vanwege zijn werk veel van huis is. Daarnaast loopt er een echtscheidingsprocedure, is het onzeker op welke termijn de moeder over een woning kan beschikken en lukt het de ouders niet om de spanningen die dit oplevert, weg te houden bij [minderjarige] . Er is hulpverlening betrokken, maar die is tot nu toe niet genoeg om de zorgen weg te nemen.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter is, samen met de Raad, van oordeel dat er de komende periode gewerkt moet worden aan de volgende doelen:
[minderjarige] beschikt over een veilig opvoedklimaat, waarbij het de ouders lukt om voldoende sensitief en responsief te reageren op wat [minderjarige] nodig heeft;
[minderjarige] heeft een nuchtere, emotioneel beschikbare moeder. Het veiligheidsplan is duidelijk voor [minderjarige] en zijn omgeving en passend bij de huidige situatie en de toekomst;
[minderjarige] heeft met beide ouders ongedwongen en onbelast contact. Hij krijgt de ruimte om van beide ouders te houden;
De huidige hulpverlening vanuit [kinderopvang] wordt gecontinueerd, met oog voor hoe het met [minderjarige] gaat.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 2 juni 2026 tot 2 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447330 / JE RK 26-677
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 14 april 2026.
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
2De feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de ouders.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
De Raad
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] woont samen met zijn [halfzus] (voor 30% van de tijd), en zijn moeder en vader. [minderjarige] gaat naar [speciaal onderwijs] , en na school gaat hij naar [kinderopvang] , naschoolse behandeling van [zorginstelling] . Er zijn zorgen over [minderjarige] en zijn thuissituatie. De ouders liggen in scheiding. Zij wonen nog wel in hetzelfde huis, wat zorgt voor spanningen. Er is geregeld ruzie met grof taalgebruik, waar [minderjarige] getuige van is. [minderjarige] doet in gesprekken regelmatig gewelddadige uitspraken. Hij speelt spelletjes en kijkt films die niet passen bij zijn leeftijd. Daarnaast geeft hij aan dat hij nachtmerries heeft en niet goed kan slapen. [minderjarige] heeft last van de spanningen tussen zijn ouders. Zowel school als [kinderopvang] merken een negatieve gedragsverandering bij hem, met meer frustratie, verwarring en afwezigheid. Het is zorgelijk dat [minderjarige] zegt dat zijn moeder niet drinkt en nooit dronken is geweest, terwijl duidelijk is dat hij hier wel getuige van is geweest en er last van heeft gehad.
4.2.
De Raad heeft zorgen over de gezinssituatie bij beide ouders. De moeder heeft onlangs een IQ-test gehad in het kader van de aanmelding bij FACT, waarbij een IQ van 65 is vastgesteld. Er bestaan zorgen over haar alcoholgebruik, en dat zij dit niet volledig erkent. Wanneer zij heeft gedronken, kunnen de situaties fysiek en emotioneel onveilig zijn voor [minderjarige] . Bovendien is de moeder dan vaak onvoldoende emotioneel beschikbaar en lukt het haar niet goed om haar opvoedtaken uit te voeren. Het is onzeker hoe gemotiveerd zij is om haar problemen aan te pakken, aangezien zij het probleem zelf niet goed lijkt te zien. Er is bovendien zorg over de toekomst, wanneer zij alleen met de kinderen woont. Bij een eventuele terugval in het drankgebruik is er dan weinig tot geen zicht op de situatie. Ook is het zorgelijk dat de moeder negatief over de vader spreekt en hem uitscheldt in aanwezigheid van [minderjarige] . Gezien wordt dat de vader lief, zorgzaam en stabiel is, maar hij is vanwege zijn werk vaak van huis. [minderjarige] kan op dit moment onvoldoende onbelast en veilig opgroeien. Hulpverlening binnen het vrijwillig kader is op dit moment onvoldoende toereikend om een gezonde ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen.
Een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is naar mening van de Raad noodzakelijk.
De moeder
4.3.
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat de scheiding tussen de ouders lang duurt, de ouders zijn er al vanaf januari mee bezig. Als de scheiding rond is gaat de moeder uit de woning, maar het is op dit moment nog onduidelijk waar ze dan gaat wonen. De moeder is niet blij met de komst van een ondertoezichtstelling, maar aan de andere kant hoopt zij dat het kan helpen en dat het na een jaar ook afgesloten kan worden. De moeder geeft aan dat zij twee jaar geleden een alcoholprobleem heeft gehad, met af en toe uitglijders, maar dat is nu al een tijd niet voorgekomen. Het frustreert haar dat dit steeds weer ter sprake komt. FACT is nu betrokken en dat vindt de moeder erg fijn. Daar zit alle hulp in één en daar heeft de moeder steun aan. Voor haar is het belangrijk dat duidelijk wordt wat er van haar verwacht wordt, zodat de ondertoezichtstelling over een jaar kan worden afgesloten.
De vader
4.4.
Door de vader is, samengevat, aangegeven dat hij open staat voor de ondertoezichtstelling, maar tegelijkertijd vindt hij dat er al veel hulpverlening betrokken is. Het zou fijn zijn als de hulpverlening meer op elkaar afgestemd wordt.
De GI
4.5.
De GI heeft aangegeven dat zij bereid is om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Door de wachtlijst kan zij niet direct aan de slag gaan, maar over een paar weken is er een jeugdbeschermer beschikbaar. De GI gaat de betrokken hulpverlening coördineren en in kaart brengen welke hulp wat doet. Op deze manier worden de ouders ontlast. Daarnaast wil de GI zicht krijgen op [minderjarige] als de ouders niet meer bij elkaar wonen.
5De beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt het volgende. [minderjarige] woont samen met zijn moeder, vader en zijn [halfzus] , die ongeveer dertig procent van de tijd bij hen is. Hij gaat naar [speciaal onderwijs] en volgt na schooltijd behandeling bij [kinderopvang] , naschoolse behandeling van [zorginstelling] . Er zijn zorgen over [minderjarige] en zijn thuissituatie. Zijn ouders zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure, maar wonen nog in hetzelfde huis. Dit veroorzaakt spanningen. Regelmatig is er ruzie met grof taalgebruik, waar [minderjarige] bij is. [minderjarige] doet ook zelf regelmatig gewelddadige uitspraken. Hij speelt spelletjes en kijkt films die niet geschikt zijn voor zijn leeftijd. Ook vertelt hij dat hij nachtmerries heeft en slecht slaapt. De spanningen tussen zijn ouders hebben veel invloed op hem. Zowel school als [kinderopvang] merken een negatieve gedragsverandering bij hem. Hij is vaker gefrustreerd, verward en afwezig.
5.4.
Er zijn ook zorgen over de gezinssituaties waarin [minderjarige] opgroeit. Hij kan daar niet voldoende veilig en onbelast opgroeien. Bij zijn moeder speelt alcoholproblematiek. Wanneer de moeder een terugval heeft, is de thuissituatie niet veilig voor [minderjarige] . De vader is minder betrokken in de opvoeding, omdat hij vanwege zijn werk veel van huis is. Daarnaast loopt er een echtscheidingsprocedure, is het onzeker op welke termijn de moeder over een woning kan beschikken en lukt het de ouders niet om de spanningen die dit oplevert, weg te houden bij [minderjarige] . Er is hulpverlening betrokken, maar die is tot nu toe niet genoeg om de zorgen weg te nemen.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter is, samen met de Raad, van oordeel dat er de komende periode gewerkt moet worden aan de volgende doelen:
[minderjarige] beschikt over een veilig opvoedklimaat, waarbij het de ouders lukt om voldoende sensitief en responsief te reageren op wat [minderjarige] nodig heeft;
[minderjarige] heeft een nuchtere, emotioneel beschikbare moeder. Het veiligheidsplan is duidelijk voor [minderjarige] en zijn omgeving en passend bij de huidige situatie en de toekomst;
[minderjarige] heeft met beide ouders ongedwongen en onbelast contact. Hij krijgt de ruimte om van beide ouders te houden;
De huidige hulpverlening vanuit [kinderopvang] wordt gecontinueerd, met oog voor hoe het met [minderjarige] gaat.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 2 juni 2026 tot 2 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.