Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5950
2026-06-02
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447341 / JE RK 26-680
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 1:255 lid 1 BW. Toewijzing ondertoezichtstelling.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.750 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447341 / JE RK 26-680
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 april 2026;
de e-mail van [minderjarige] .
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft een e-mailbericht gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft afwisselend bij de vader en bij de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
De Raad
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. De ouders van [minderjarige] zijn in 2015 uit elkaar gegaan. [minderjarige] verblijft ongeveer 70% van de tijd bij haar vader en 30% bij haar moeder. De Raad maakt zich zorgen over [minderjarige] . Zij functioneert cognitief op licht verstandelijk beperkt niveau (IQ 62) en is een kwetsbaar meisje. Ze heeft weinig zelfvertrouwen, vindt het moeilijk haar emoties te verwerken en kan haar grenzen moeilijk aangeven. Sociaal-emotioneel ontwikkelt zij zich op het niveau van 3-7 jaar. [minderjarige] heeft regelmatig ondersteuning nodig bij het reguleren van haar emoties. Door haar sociaal-emotionele niveau begrijpt zij sociale situaties soms minder goed en stemt zij haar gedrag niet passend af op leeftijdsgenoten. In contact met jongens is zij kwetsbaar en gemakkelijk beïnvloedbaar. [minderjarige] voelt zich daarnaast verantwoordelijk voor haar moeder en broertje en liegt daarom soms om haar moeder te beschermen. Ze maakt zich veel zorgen en probeert te voorkomen dat het veiligheidsplan wordt ingeschakeld waardoor zij naar haar vader moet. Ze ervaart het als een straf om naar haar vader te gaan wanneer haar moeder heeft gedronken. Er zijn zorgen over een mogelijk loyaliteitsconflict; de Raad vraagt zich af of [minderjarige] voldoende ruimte ervaart om van beide ouders te houden.
4.2.
De Raad ziet twee liefdevolle en betrokken ouders, maar heeft wel zorgen over de gezinssituatie bij beide ouders. Ten aanzien van de moeder spelen verschillende zorgen. Zij heeft recent een IQ-test gehad in het kader van de aanmelding bij FACT, met een uitslag van 65. Er zijn zorgen over haar alcoholgebruik, en dat zij dit alcoholprobleem niet geheel erkent. Wanneer zij heeft gedronken, kunnen de situaties fysiek en emotioneel onveilig zijn voor [minderjarige] . Bovendien is de moeder dan vaak onvoldoende emotioneel beschikbaar en lukt het haar niet goed om haar opvoedtaken uit te voeren. Het is onzeker hoe gemotiveerd zij is om haar problemen aan te pakken, aangezien zij het probleem zelf niet goed lijkt te zien. Ook maakt de Raad zich zorgen over de negatieve manier waarop de moeder over de vader spreekt. Daarnaast ligt de moeder in scheiding met de stiefvader van [minderjarige] . Zij wonen nog samen, wat regelmatig tot spanningen en ruzies met grof taalgebruik leidt, waar [minderjarige] getuige van is. Aan de kant van de vader voelt [minderjarige] zich niet altijd prettig binnen het gezinssysteem en soms buitengesloten. Hoewel de vader en stiefmoeder zich erg inzetten om een fijne situatie voor haar te creëren, vraagt dit veel van hen. De Raad maakt zich zorgen over hoe lang zij dit kunnen volhouden. Over de ouders onderling zijn ook zorgen. Er is sprake van een complexe scheidingssituatie tussen ouders. De ouders communiceren nu middels een WhatsApp groep waar ook hulpverlening in zit, en dit lijkt redelijk te gaan. De vraag is of dit de ouders ook lukt zonder betrokken hulpverlening. De Raad ervaart weinig vertrouwen tussen de ouders en het lukt hen niet de spanningen bij [minderjarige] weg te houden. De Raad is gelet op het voorgaande van mening dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. [minderjarige] kan op dit moment in beide gezinssystemen onvoldoende veilig en onbelast opgroeien. De Raad verzoekt om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.
De moeder
4.3.
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij niet blij is met de komst van een ondertoezichtstelling, maar dat zij aan de andere kant wel hoopt dat het zal helpen en dat het na een jaar ook afgesloten kan worden. De moeder geeft aan dat zij twee jaar geleden een alcoholprobleem heeft gehad, met af en toe uitglijders, maar dat is nu al een tijd niet voorgekomen. Het frustreert haar dat dit steeds weer ter sprake komt. FACT is nu betrokken en dat vindt de moeder erg fijn. Daar zit alle hulp in één en daar heeft de moeder steun aan. Voor haar is het belangrijk dat duidelijk wordt wat er van haar verwacht wordt, zodat de ondertoezichtstelling over een jaar kan worden afgesloten.
De vader
4.4.
Door de vader is, samengevat, aangegeven dat hij hoopt dat er een ondertoezichtstelling komt. Hij denkt dat er in het vrijwillige kader veel is geprobeerd, maar dat het verplicht kader iets extra’s kan bieden. Het raadsrapport spreekt voor zich en de vader staat volledig achter de inhoud. Hij stemt in met het verzoek van de Raad.
De GI
4.5.
De GI heeft aangegeven dat zij bereid is om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Door de wachtlijst kan zij niet direct aan de slag gaan, maar over een paar weken is er een jeugdbeschermer beschikbaar. De GI gaat kijken naar wat [minderjarige] nodig heeft op het gebied van wonen, omgang en behandeling of therapie.
5De beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat er zorgen zijn over [minderjarige] en over beide gezinssystemen. [minderjarige] woont ongeveer 70% van de tijd bij haar vader en 30% bij haar moeder. Ze heeft een licht verstandelijke beperking en is een kwetsbaar meisje. Ze heeft weinig zelfvertrouwen, vindt het lastig om haar emoties te uiten en heeft moeite met het aangeven van haar grenzen. Door haar sociaal-emotionele niveau begrijpt ze sociale situaties soms niet goed. Vooral in contact met jongens is ze kwetsbaar en makkelijk beïnvloedbaar.
5.4.
Er zijn ook zorgen over de gezinssituaties waarin [minderjarige] opgroeit. Zij kan daar niet voldoende veilig en onbelast opgroeien. Bij haar moeder speelt alcoholproblematiek. Wanneer de moeder een terugval heeft, is de thuissituatie niet veilig voor [minderjarige] . Bij de vader voelt [minderjarige] zich niet altijd prettig. Dit heeft tot gevolg dat [minderjarige] niet altijd eerlijk is als de moeder een terugval heeft, want zij wil dan niet (volgens de afspraak in het veiligheidsplan) terug naar de vader. Er zijn zorgen over een mogelijk loyaliteitsconflict; het is onzeker of [minderjarige] voldoende ruimte voelt om van beide ouders te houden. Er zijn daarnaast twijfels of beide ouders zelf genoeg kunnen afstemmen op wat [minderjarige] nodig heeft. De relatie tussen de ouders is gespannen, net als die tussen de moeder en de stiefvader. [minderjarige] krijgt deze spanningen mee. De moeder staat onder behandeling van het FACT en beide ouders staan open voor hulpverlening.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter is, samen met de Raad, van oordeel dat er de komende periode gewerkt moet worden aan de volgende doelen:
[minderjarige] beschikt over een veilig opvoedklimaat bij zowel de moeder als de vader, het lukt ouders om voldoende sensitief en responsief te reageren op wat [minderjarige] nodig heeft;
[minderjarige] heeft een nuchtere, emotioneel beschikbare moeder. Het veiligheidsplan is duidelijk voor [minderjarige] en haar omgeving;
Er wordt een gedegen inschatting gemaakt wat [minderjarige] aan individuele hulpverlening nodig heeft;
[minderjarige] heeft met beide ouders ongedwongen en onbelast contact, middels een voor haar duidelijke contactregeling. Zij krijgt de ruimte om van haar beide ouders te houden.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 2 juni 2026 tot 2 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447341 / JE RK 26-680
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 15 april 2026;
de e-mail van [minderjarige] .
1.2.
De zitting heeft, met gesloten deuren, plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft een e-mailbericht gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft afwisselend bij de vader en bij de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
De Raad
4.1.
Ter onderbouwing van het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. De ouders van [minderjarige] zijn in 2015 uit elkaar gegaan. [minderjarige] verblijft ongeveer 70% van de tijd bij haar vader en 30% bij haar moeder. De Raad maakt zich zorgen over [minderjarige] . Zij functioneert cognitief op licht verstandelijk beperkt niveau (IQ 62) en is een kwetsbaar meisje. Ze heeft weinig zelfvertrouwen, vindt het moeilijk haar emoties te verwerken en kan haar grenzen moeilijk aangeven. Sociaal-emotioneel ontwikkelt zij zich op het niveau van 3-7 jaar. [minderjarige] heeft regelmatig ondersteuning nodig bij het reguleren van haar emoties. Door haar sociaal-emotionele niveau begrijpt zij sociale situaties soms minder goed en stemt zij haar gedrag niet passend af op leeftijdsgenoten. In contact met jongens is zij kwetsbaar en gemakkelijk beïnvloedbaar. [minderjarige] voelt zich daarnaast verantwoordelijk voor haar moeder en broertje en liegt daarom soms om haar moeder te beschermen. Ze maakt zich veel zorgen en probeert te voorkomen dat het veiligheidsplan wordt ingeschakeld waardoor zij naar haar vader moet. Ze ervaart het als een straf om naar haar vader te gaan wanneer haar moeder heeft gedronken. Er zijn zorgen over een mogelijk loyaliteitsconflict; de Raad vraagt zich af of [minderjarige] voldoende ruimte ervaart om van beide ouders te houden.
4.2.
De Raad ziet twee liefdevolle en betrokken ouders, maar heeft wel zorgen over de gezinssituatie bij beide ouders. Ten aanzien van de moeder spelen verschillende zorgen. Zij heeft recent een IQ-test gehad in het kader van de aanmelding bij FACT, met een uitslag van 65. Er zijn zorgen over haar alcoholgebruik, en dat zij dit alcoholprobleem niet geheel erkent. Wanneer zij heeft gedronken, kunnen de situaties fysiek en emotioneel onveilig zijn voor [minderjarige] . Bovendien is de moeder dan vaak onvoldoende emotioneel beschikbaar en lukt het haar niet goed om haar opvoedtaken uit te voeren. Het is onzeker hoe gemotiveerd zij is om haar problemen aan te pakken, aangezien zij het probleem zelf niet goed lijkt te zien. Ook maakt de Raad zich zorgen over de negatieve manier waarop de moeder over de vader spreekt. Daarnaast ligt de moeder in scheiding met de stiefvader van [minderjarige] . Zij wonen nog samen, wat regelmatig tot spanningen en ruzies met grof taalgebruik leidt, waar [minderjarige] getuige van is. Aan de kant van de vader voelt [minderjarige] zich niet altijd prettig binnen het gezinssysteem en soms buitengesloten. Hoewel de vader en stiefmoeder zich erg inzetten om een fijne situatie voor haar te creëren, vraagt dit veel van hen. De Raad maakt zich zorgen over hoe lang zij dit kunnen volhouden. Over de ouders onderling zijn ook zorgen. Er is sprake van een complexe scheidingssituatie tussen ouders. De ouders communiceren nu middels een WhatsApp groep waar ook hulpverlening in zit, en dit lijkt redelijk te gaan. De vraag is of dit de ouders ook lukt zonder betrokken hulpverlening. De Raad ervaart weinig vertrouwen tussen de ouders en het lukt hen niet de spanningen bij [minderjarige] weg te houden. De Raad is gelet op het voorgaande van mening dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. [minderjarige] kan op dit moment in beide gezinssystemen onvoldoende veilig en onbelast opgroeien. De Raad verzoekt om een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar.
De moeder
4.3.
Door de moeder is, samengevat, naar voren gebracht dat zij niet blij is met de komst van een ondertoezichtstelling, maar dat zij aan de andere kant wel hoopt dat het zal helpen en dat het na een jaar ook afgesloten kan worden. De moeder geeft aan dat zij twee jaar geleden een alcoholprobleem heeft gehad, met af en toe uitglijders, maar dat is nu al een tijd niet voorgekomen. Het frustreert haar dat dit steeds weer ter sprake komt. FACT is nu betrokken en dat vindt de moeder erg fijn. Daar zit alle hulp in één en daar heeft de moeder steun aan. Voor haar is het belangrijk dat duidelijk wordt wat er van haar verwacht wordt, zodat de ondertoezichtstelling over een jaar kan worden afgesloten.
De vader
4.4.
Door de vader is, samengevat, aangegeven dat hij hoopt dat er een ondertoezichtstelling komt. Hij denkt dat er in het vrijwillige kader veel is geprobeerd, maar dat het verplicht kader iets extra’s kan bieden. Het raadsrapport spreekt voor zich en de vader staat volledig achter de inhoud. Hij stemt in met het verzoek van de Raad.
De GI
4.5.
De GI heeft aangegeven dat zij bereid is om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Door de wachtlijst kan zij niet direct aan de slag gaan, maar over een paar weken is er een jeugdbeschermer beschikbaar. De GI gaat kijken naar wat [minderjarige] nodig heeft op het gebied van wonen, omgang en behandeling of therapie.
5De beoordeling
5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.3.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting blijkt dat er zorgen zijn over [minderjarige] en over beide gezinssystemen. [minderjarige] woont ongeveer 70% van de tijd bij haar vader en 30% bij haar moeder. Ze heeft een licht verstandelijke beperking en is een kwetsbaar meisje. Ze heeft weinig zelfvertrouwen, vindt het lastig om haar emoties te uiten en heeft moeite met het aangeven van haar grenzen. Door haar sociaal-emotionele niveau begrijpt ze sociale situaties soms niet goed. Vooral in contact met jongens is ze kwetsbaar en makkelijk beïnvloedbaar.
5.4.
Er zijn ook zorgen over de gezinssituaties waarin [minderjarige] opgroeit. Zij kan daar niet voldoende veilig en onbelast opgroeien. Bij haar moeder speelt alcoholproblematiek. Wanneer de moeder een terugval heeft, is de thuissituatie niet veilig voor [minderjarige] . Bij de vader voelt [minderjarige] zich niet altijd prettig. Dit heeft tot gevolg dat [minderjarige] niet altijd eerlijk is als de moeder een terugval heeft, want zij wil dan niet (volgens de afspraak in het veiligheidsplan) terug naar de vader. Er zijn zorgen over een mogelijk loyaliteitsconflict; het is onzeker of [minderjarige] voldoende ruimte voelt om van beide ouders te houden. Er zijn daarnaast twijfels of beide ouders zelf genoeg kunnen afstemmen op wat [minderjarige] nodig heeft. De relatie tussen de ouders is gespannen, net als die tussen de moeder en de stiefvader. [minderjarige] krijgt deze spanningen mee. De moeder staat onder behandeling van het FACT en beide ouders staan open voor hulpverlening.
5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter zal [minderjarige] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
5.6.
De kinderrechter is, samen met de Raad, van oordeel dat er de komende periode gewerkt moet worden aan de volgende doelen:
[minderjarige] beschikt over een veilig opvoedklimaat bij zowel de moeder als de vader, het lukt ouders om voldoende sensitief en responsief te reageren op wat [minderjarige] nodig heeft;
[minderjarige] heeft een nuchtere, emotioneel beschikbare moeder. Het veiligheidsplan is duidelijk voor [minderjarige] en haar omgeving;
Er wordt een gedegen inschatting gemaakt wat [minderjarige] aan individuele hulpverlening nodig heeft;
[minderjarige] heeft met beide ouders ongedwongen en onbelast contact, middels een voor haar duidelijke contactregeling. Zij krijgt de ruimte om van haar beide ouders te houden.
5.7.
De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 2 juni 2026 tot 2 juni 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Krieken als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.