Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5949

2026-06-02 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447859 / JE RK 26-784
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-02
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447859 / JE RK 26-784
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek verlenging ondertoezichtstelling toegewezen, verzoek verlenging machtiging uithuisplaatsing gedeeltelijk toegewezen, onder aanhouding van het restant

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (12.014 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/447859 / JE RK 26-784
Datum uitspraak: 2 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S.J. Nijssen uit Goes.





1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 mei 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.


De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.




1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hier geen gebruik van gemaakt.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.
Bij beschikking van 16 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 16 juni 2026. Bij dezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing verleend in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 16 december 2025. Deze machtiging is voor het laatst verlengd tot 16 juni 2026.



2.3.

[minderjarige] verblijft bij de [accommodatie] in [plaats] .





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing van de verzoeken naar de overgelegde stukken. De zorgen over de emotionele, seksuele en identiteitsontwikkeling zijn nog steeds van kracht. Ook gaat [minderjarige] nauwelijks naar school. De GI wil graag een perspectiefonderzoek waarmee duidelijk wordt waar [minderjarige] verder kan gaan opgroeien. Dit onderzoek is uitgezet, maar nog niet gestart. Een perspectiefonderzoek duurt een half jaar.



4.2.
Door en namens de vader wordt aangegeven dat hij achter de verzoeken van de GI staat. Zijn hart zegt echter niet verlengen. [minderjarige] geeft aan de vader aan dat ze niet op haar plek zit bij de [accommodatie] . De vader denkt dat [minderjarige] zelfbepalender is geworden sinds de plaatsing bij de [accommodatie] . Verder geeft de vader aan dat hij en [minderjarige] te weinig hulp krijgen. Voor de vader is het belangrijk dat het duidelijk wordt of een terugthuisplaatsing nog tot de mogelijkheden behoort. Dit moet op korte termijn duidelijk worden door middel van een perspectiefonderzoek.





5De beoordeling



Wettelijk kader




5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



5.2.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling





5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.4.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat er nog altijd grote zorgen zijn over [minderjarige] . Er zijn nog steeds zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige] . Zo heeft [minderjarige] moeite met emotieregulatie en met het verwerken van de ingrijpende levensgebeurtenissen die zij heeft meegemaakt. Om toe te komen aan haar identiteitsontwikkeling is het nodig dat [minderjarige] hulp krijgt voor de verwerking van hetgeen dat zij heeft meegemaakt. De hulpverlening komt echter niet van de grond omdat [minderjarige] dit afhoudt. Daarnaast zijn er grote zorgen over de schoolgang van [minderjarige] . Op dit moment gaat [minderjarige] nauwelijks naar school. Ook is bekend geworden dat [minderjarige] aan automutilatie doet. Hier maakt de kinderrechter zich grote zorgen over. Verder zijn er nog steeds zorgen over de seksuele ontwikkeling van [minderjarige] . [accommodatie] is hiervan op de hoogte en heeft zowel een vertrouwenspersoon als seksuele voorlichting ingezet. Gelet op deze zorgen is de ondertoezichtstelling nog steeds nodig.



5.5.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders niet in staat zijn om samen afspraken te maken in het belang van [minderjarige] . Er is op dit moment geen contact tussen de ouders en zij zijn niet in staat om samen te werken. Bovendien weigert [minderjarige] op dit moment alle vormen van hulp. Het is belangrijk dat de GI betrokken blijft om te onderzoeken wat [minderjarige] en de vader nodig hebben en waar [minderjarige] verder mag opgroeien.



5.6.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar.



5.7.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. Het is op dit moment niet mogelijk voor [minderjarige] om bij de vader of de moeder te wonen. De moeder heeft al langere tijd geen contact gehad met [minderjarige] . De moeder heeft dan ook op dit moment niet de wens dat [minderjarige] bij haar komt wonen. De vader heeft deze wens wel. De kinderrechter ziet dat de vader graag wil en het beste voor heeft met [minderjarige] is structuur en voorspelbaarheid in de thuissituatie van enorm belang. Dit kan de vader niet voldoende bieden, hetgeen maakt dat de thuissituatie bij vader op dit moment geen veilige basis is voor [minderjarige] . De omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] verlopen de afgelopen tijd goed, maar uit de stukken blijkt dat de vader nog niet voldoende kan aansluiten op de behoeften van [minderjarige] . Het is belangrijk dat de hulpverlening in de thuissituatie bij de vader gecontinueerd wordt zodat de vader verder kan werken aan het creëren van een veilige basis voor [minderjarige] . Ondanks dat de vader wenst dat [minderjarige] terug thuis komt wonen, ziet de vader steeds meer in dat de uithuisplaatsing in het belang is van [minderjarige] . De kinderrechter complimenteert hem hiervoor. Nu [minderjarige] niet bij de vader of de moeder kan wonen, is het van belang dat de machtiging uithuisplaatsing gecontinueerd wordt. Het is echter onduidelijk of de [accommodatie] een passende plek is voor [minderjarige] . De GI geeft aan dat het goed gaat met [minderjarige] bij de [accommodatie] , hetgeen haar een voorspelbaar opvoedklimaat biedt. Bij de [accommodatie] zijn er duidelijke kaders en professionele opvoeders die [minderjarige] begeleiden. [minderjarige] heeft bovendien een vaste mentor op de [accommodatie] . De vader geeft echter aan dat [minderjarige] niet op haar plek zit bij de [accommodatie] en dat haar verblijf bij de [accommodatie] een negatief effect heeft op haar gedrag. De GI moet de komende periode onderzoeken of de [accommodatie] een passende plek is voor [minderjarige] . Daarnaast moet door middel van een perspectiefonderzoek duidelijk worden of een terugthuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk is. De kinderrechter oordeelt dat het perspectief op korte termijn duidelijk moet worden en dat de GI zo snel mogelijk moet aanvangen met het perspectiefonderzoek. Daarom verlengt de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor zes maanden, onder aanhouding van het restant.



5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 16 juni 2027;



6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 16 december 2026;



6.3.
houdt het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aan tot 6 november 2026 PRO FORMA en verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de nader te bepalen mondelinge behandeling een briefrapportage in te dienen bij de rechtbank over de recentelijke ontwikkelingen, met een afschrift daarvan aan de belanghebbenden;


6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.


Artikel 1:265b, eerste lid, BW.