Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5947

2026-06-02 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/441675 / JE RK 25-1981
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-02
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/441675 / JE RK 25-1981
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Restant ondertoezichtstelling, verzoek toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.220 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/441675 / JE RK 25-1981
Datum uitspraak: 2 juni 2026




Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING, locatie Eindhoven,
hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,





[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2013 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 3] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. S.J. Nijssen uit Goes,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.P. Kapteijn uit Middelburg.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 8 december 2025 en de daarin vermelde stukken;
- het bericht van de GI met bijlagen, ontvangen op 1 mei 2026.


1.2.
Op 2 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.


Aan een collega van de rechtbank is bijzondere toestemming verleend om bij de zitting als toehoorder aanwezig te zijn.




1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hier geen gebruik van gemaakt.





2De feiten


2.1.
De vader is belast met het eenhoofdig gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Dat volgt uit de beschikking van 7 november 2024 waarin is bepaald dat het gezag over de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voortaan alleen aan hem toekomt.



2.2.
Bij beschikking van 12 juli 2021 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld voor een periode van drie maanden, te weten met ingang van 12 juli 2021 en tot 12 oktober 2021.



2.3.
Bij beschikking van 12 juli 2021 is [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 juli 2021 en tot 12 oktober 2021. Deze ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 12 oktober 2023.



2.4.
Bij beschikking van 8 oktober 2021 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld, met ingang van 12 oktober 2021 en tot 12 oktober 2022. De ondertoezichtstelling is daarna steeds verlengd, voor het laatst tot 12 oktober 2023.



2.5.
Bij beschikking van 28 december 2022 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader verleend, met ingang van 28 december 2022 en tot 12 oktober 2023.



2.6.
Bij beschikking van 20 oktober 2023 is de GI niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek strekkende tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de andere ouder met gezag. Bij separate beschikking van 20 oktober 2023 is de GI niet- ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de andere ouder met gezag.



2.7.
Bij beschikking van 14 december 2023 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 14 december 2023 en tot 14 december 2024. De machtiging tot uithuisplaatsing is voor het laatst verlengd tot 14 december 2025.



2.8.
Bij beschikking van 14 december 2023 zijn [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de GI gesteld, met ingang van 14 december 2023 en tot 14 december 2024. De ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd tot 14 juni 2026, onder aanhouding van het restant.



2.9.

[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun vader.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
Thans ligt nog ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek, namelijk de verlenging van de ondertoezichtstelling van 14 juni 2026 en tot 14 december 2026.





4De standpunten


4.1.
De GI handhaaft het verzoek en verwijst ter onderbouwing naar de overgelegde stukken. De zorgen zijn onveranderd gebleven. De grootste zorg is dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet naar school gaan. De leerplichtambtenaar heeft aangegeven dat eerst de thuissituatie stabiel moet worden voordat er ruimte komt voor school en dagbesteding. Er is geen goed zicht op [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en zij laten zelfbepalend gedrag zien. Met [minderjarige 1] gaat het relatief goed. De vader wil het beste voor zijn kinderen, maar het lukt hem niet om blijvende verandering te bewerkstelligen. Er is al veel hulpverlening ingezet, maar het lijkt niet te beklijven. De kinderen en de vader zijn fel tegen een uithuisplaatsing, maar de GI vraagt zich af wat er verder nog ingezet kan worden. Recentelijk is MST-CAN ingezet. Dit is een traject van negen maanden.



4.2.
Door en namens de moeder wordt aangegeven dat de moeder instemt met het verzoek van de GI. De moeder ziet dat de zorgen in de thuissituatie bij de vader zijn toegenomen. Het is de vraag of MST-CAN gaat werken. Ondanks de ondertoezichtstelling lukt het de vader niet om het tij te keren. De moeder vraagt zich daarom af of een machtiging uithuisplaatsing meer passend is.



4.3.
Door en namens de vader wordt aangegeven dat de vader instemt met het verzoek van de GI. Er wordt aangevoerd dat er de afgelopen jaren te weinig hulpverlening is ingezet of van de grond is gekomen. De vader wil graag hulp, maar heeft dit de afgelopen periode niet voldoende gekregen. De hoop is nu gevestigd op de inzet MST-CAN. De kinderen moeten gewaarschuwd worden dat een uithuisplaatsing dreigt als MST-CAN niet slaagt. Tot slot geeft de vader de GI mee dat de betrokkenheid van de moeder voor hem niet helpend is.



4.4.
De Raad ziet dat er ernstige zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen. De Raad erkent dat de vader graag wil, maar ziet ook veel onmacht. MST-CAN moet voorkomen dat een machtiging uithuisplaatsing nodig is. Dit moet ook duidelijk worden gemaakt aan de kinderen.








5De nadere beoordeling



Wettelijk kader




5.1.
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



Inhoudelijke beoordeling





5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.3.
In de thuissituatie bestaan al sinds 2024 zorgen. Deze zorgen zijn de afgelopen periode niet afgenomen, waardoor de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] nog steeds ernstig wordt bedreigd. Met [minderjarige 1] lijkt het naar omstandigheden goed te gaan. Hij verblijft veel bij zijn vriendin. Wel wordt gezien dat [minderjarige 1] zich erg verantwoordelijk voelt voor hoe het in de thuissituatie gaat. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] niet de ouderrol vervult. Hij moet zich kunnen focussen op zijn eigen ontwikkeling. Over [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn er momenteel grotere zorgen. Op dit moment is de grootste zorg dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] niet naar school gaan. De leerplichtambtenaar stelt dat eerst stabiliteit in de thuissituatie moet worden gecreëerd voordat er stappen kunnen worden gezet in de schoolgang. Het is daarom van groot belang dat zo snel mogelijk naar deze stabiliteit wordt toegewerkt. De schoolgang is cruciaal voor de ontwikkeling van kinderen en geeft structuur en houvast in het dagelijks functioneren. Duidelijk is dat op dit moment de thuissituatie onvoldoende structuur biedt voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . [minderjarige 2] en [minderjarige 3] laten zelfbepalend gedrag zien. De vader vindt het lastig om de meiden te corrigeren, hetgeen vaak leidt tot vervelende escalaties. Ook blijven er zorgen over de hygiëne en algemene gezondheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Daarnaast zijn er zorgen over de seksuele veiligheid, met name van [minderjarige 2] . Recentelijk is het MST-CAN traject ingezet. Dit traject zal zich richten op het versterken van de opvoedvaardigheden van de vader. Het is van groot belang dat de vader zich meewerkend blijft opstellen binnen dit traject. De kinderrechter ziet dat de vader betrokken is en open staat voor hulp, maar er is ook onmacht te zien. Gelet op het voorgaande is het van belang dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd.



5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat het aannemelijk is dat de hulpverlening in het vrijwillig kader zal stagneren. Het is belangrijk dat de GI de komende periode betrokken blijft om de voortgang van MST-CAN te realiseren en te monitoren. Daarnaast is het van belang dat de GI betrokken blijft om te sturen op de hervatting van de schoolgang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Aangezien [minderjarige 1] bijna achttien jaar wordt, dient de GI hem te begeleiden naar zelfstandigheid. Tot slot is het belangrijk dat de GI aan de kinderen duidelijk maakt dat de kans bestaat dat zij niet thuis kunnen blijven wonen als MST-CAN niet slaagt en dus de situatie onveranderd blijft. Deze boodschap moet zo snel worden gegeven.



5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van zes maanden en verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot zijn meerderjarigheid, te weten tot 26 oktober 2026.



5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] tot 14 december 2026;



6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 26 oktober 2026;


6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 16 juni 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:260 BW.