Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5937

2026-06-02 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447879 / JE RK 26-786
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-06-02
Publicatiedatum
2026-07-03
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447879 / JE RK 26-786
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Opheffing ondertoezichtstelling, verzoek gedaan door de moeder. Het verzoek is afgewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (16.939 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/447879 / JE RK 26-786
Datum uitspraak: 11 juni 2026




Beschikking van de kinderrechter over een opheffing ondertoezichtstelling




in de zaak van





[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,



over





[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:




JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI).



De kinderrechter merkt als informant aan:





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
verblijvende op een voor de rechtbank onbekend adres in Nederland.



Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 mei 2026;


het op 29 mei 2026 van de vader ontvangen e-mailbericht.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:


de moeder;


een vertegenwoordigster van de Raad.




De GI - belanghebbende in deze zaak - is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.



De vader - informant in deze zaak - is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De rechtbank heeft van hem op 29 mei 2026 een e-mailbericht ontvangen, waarin hij zijn standpunt heeft toegelicht.






2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.

[minderjarige] woont bij de moeder.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 4 september 2026.





3Het verzoek


De moeder verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] op te heffen.





4Het standpunt van de moeder


4.1.
Ter toelichting op het verzoek is door de moeder schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat de ondertoezichtstelling indertijd is ingesteld met het doel om onderzoek te doen naar de opvoedsituatie en de veiligheid van [minderjarige] , alsmede om de omgang met haar vader zorgvuldig op te bouwen en te beoordelen. Dit onderzoek is vervolgens door de betreffende jeugdbeschermer niet opgepakt. Er is wel gezorgd voor ambulante hulpverlening, maar die bleek voornamelijk gericht op [minderjarige] en hield geen rekening met haar positie als ouder en met haar gezondheidstoestand, waardoor deze hulpverlening een averechtse uitwerking had. Naast [minderjarige] heeft zij nog een zoon, die hoogbegaafd is. Ten aanzien van hem is er een beschermingsonderzoek gestart en is ook de leerplichtambtenaar betrokken. Daarnaast is er in haar gezin MST hulpverlening ingezet, die binnenkort afloopt.



4.2.
Omdat het haar niet lukte met de jeugdbeschermer in contact te komen heeft zij de bureaudienst van de GI benaderd. Uit dit gesprek bleek dat de jeugdbeschermer wegens ziekte niet actief is en naar verwachting voor langere tijd niet beschikbaar zal zijn. Met deze wetenschap heeft zij aan de GI bericht dat zij het als haar plicht ziet als ouder van [minderjarige] om zelf initiatieven te nemen die in het belang zijn van de verdere ontwikkeling van [minderjarige] , ook waar die zien op herstel van het contact tussen [minderjarige] en de vader. Inmiddels heeft [minderjarige] meerdere onderzoeken gehad, waaruit is gebleken dat zij kampt met hypermobiliteit, waardoor zij op school problemen ervaart, onder meer met schrijven.. Zelf geeft [minderjarige] aan dat haar klas op school druk is. Zij krijgt hulpmiddelen en ergonomische ondersteuning om zich beter op haar schoolwerk te kunnen focussen. Ook zal er nog een onderzoek gaan plaatsvinden om haar intelligentieniveau te bepalen.



4.3.
De moeder vervolgt dat op meer recente pogingen van haar kant om alsnog in contact met de GI te komen door de GI niet werd gereageerd. Wel heeft zij recent onverwacht van de GI een link ontvangen, waaruit zij heeft kunnen opmaken dat er een groot overleg staat gepland op 18 juni 2026. Inmiddels heeft zij kunnen vaststellen dat, ondanks de uitval van de jeugdbeschermer en het uitblijven van een onderzoek naar de opvoedsituatie en de veiligheid van [minderjarige] , de situatie in de tussentijd aanmerkelijk is verbeterd. De vader verblijft afwisselend in Spanje, waar hij een eigen woning heeft en in Nederland bij zijn ouders. De vader kampte gedurende een zekere periode met psychische problematiek, waarvoor hij hulpverlening heeft geaccepteerd. Sindsdien functioneert hij aantoonbaar beter dan voorheen en heeft het contact tussen hem en [minderjarige] een positief effect op haar ontwikkeling en welzijn. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is in stappen opgebouwd, te weten van contact via berichten naar beeldbellen en vervolgens fysiek contact. Het contact met de vader draagt zichtbaar bij aan het welzijn van [minderjarige] . Ook verloopt sinds de laatste periode rondom carnaval de communicatie tussen haar en de vader beduidend beter. Op grond van voormelde omstandigheden acht zij een voortzetting van de ondertoezichtstelling niet langer noodzakelijk en niet in het belang van [minderjarige] . Daarom verzoekt zij de ondertoezichtstelling op te heffen en om te zetten naar hulpverlening in een vrijwillig kader.





5Het standpunt van de vader


De vader heeft via een e-mailbericht laten weten dat hij op de zittingsdatum verhinderd is en dat hij er de voorkeur aan geeft zijn standpunt schriftelijk toe te lichten. Hij heeft op zichzelf geen bezwaar tegen hulpverlening of een ondertoezichtstelling wanneer deze daadwerkelijk in het belang van [minderjarige] is. Wel maakt hij zich ernstig zorgen over de huidige werkwijze van de betrokken instanties. Er wordt in zijn visie onvoldoende rekening gehouden met de zware medische situatie van de moeder en de impact van haar hersenoperatie. In plaats van rust en ondersteuning zijn er voornamelijk druk en spanningen. Daarbij zijn er meerdere keren uitspraken gedaan over een mogelijke uithuisplaatsing van [minderjarige] , terwijl daar geen aanleiding voor is. Dit zorgt voor veel onrust binnen het gezin. Zelf heeft hij tot dusver, mede door ziekte en uitval, beperkt contact gehad met de betrokken jeugdbeschermers. Daardoor heeft hij niet het gevoel dat de jeugdbescherming een volledig en actueel beeld van de situatie heeft. Hij erkent dat hij zich wegens frustraties ongelukkig heeft uitgelaten richting de betrokken medewerkers en dat hij daar zorgvuldiger in had moeten zijn. Wel wenst hij daarbij op te merken dat die voortkomen uit het gevoel dat er onvoldoende wordt gekeken naar wat het gezin op dit moment daadwerkelijk nodig heeft, te weten rust, stabiliteit en passende ondersteuning. In zijn visie werkt in die zin de huidige vorm van begeleiding averechts. De moeder heeft nadrukkelijk behoefte aan rust om te kunnen herstellen en niet aan gesprekken en bezoeken, die voor haar met name extra spanningen opleveren. De huidige aanpak van de jeugdbescherming ervaart hij daarom eerder als belemmerend dan als ondersteunend. Met deze toelichting sluit hij zich aan bij het verzoek van de moeder, aldus dat hij verzoekt de ondertoezichtstelling te heroverwegen en deze, indien mogelijk, op te heffen.





6Het standpunt van de Raad


Namens de Raad is naar voren gebracht dat, nu de GI niet ter zitting is verschenen of op andere wijze van haar standpunt heeft doen blijken, het voor de Raad lastig is om over het verzoek een standpunt in te nemen. Wel zou uit datgene wat door de ouders is opgemerkt afgeleid kunnen worden dat de doelstellingen van de ondertoezichtstelling niet langer actueel zijn. Ook blijkt uit de toelichting van de moeder dat er MST hulpverlening in het gezin actief is. In geval van nieuwe zorgen rondom [minderjarige] ligt het op de weg van MST om die tijdig te signaleren en daarop actie te ondernemen.





7De beoordeling


6.1.
Op grond van artikel 1:261 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW, niet langer is vervuld. Alleen wanneer de GI besluit dit niet te verzoeken, kan de moeder het verzoek doen. Nu uit de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat die situatie zich voordoet verklaart de kinderrechter de moeder ontvankelijk in het verzoek.



6.2.
Ten aanzien van dat verzoek neemt de kinderrechter in aanmerking dat [minderjarige] onder toezicht is gesteld wegens het opgroeien in een onveilige opvoedsituatie. Er was sprake van fysiek en verbaal geweld tussen de ouders in het bijzijn van [minderjarige] . Daarbij waren de ouders zich onvoldoende bewust van de impact van deze gebeurtenissen op [minderjarige] en op haar gevoel van veiligheid en de mogelijke ontwikkeling van angsten. De doelstellingen, die in het kader van de ondertoezichtstelling zijn geformuleerd, luiden als volgt:
- [minderjarige] groeit op in een veilige en liefdevolle opvoedomgeving waarin zij niet wordt geconfronteerd met spanningen en/of strijd tussen de ouders;
- De ouders kunnen met elkaar communiceren over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .



6.3.
Vastgesteld is door de kinderrechter in februari 2026 dat de moeder al het mogelijke aan inzet toonde om de situatie in het belang van [minderjarige] te verbeteren. Daarentegen waren er op dat moment ook nog zorgen over de belastbaarheid van de moeder in verband met haar gezondheid wegens epilepsie. Ook deed zich de situatie voor dat de vader onverwacht bij de moeder aan de deur is verschenen, de moeder hem vervolgens - tegen de afspraken in - onderdak heeft geboden en de GI zich genoodzaakt zag tot het maken van veiligheidsafspraken over te gaan. Verder is in dat kader benadrukt dat het van belang is dat de GI met de vader in gesprek gaat en dat er duidelijkheid komt over de mogelijkheden voor contact tussen [minderjarige] en de vader en dat de vader hulpverlening zoekt voor zijn persoonlijke problematiek.



6.4.
De kinderrechter maakt uit hetgeen door de moeder en de vader naar voren is gebracht op dat er sprake is van een voorzichtige verbetering van de oudercommunicatie en dat de vader hulpverlening heeft geaccepteerd voor zijn problematiek. Ook is stapsgewijs het contact tussen [minderjarige] en de vader hersteld. Er is momenteel sprake van fysieke bezoek-contacten met een vaste structuur en frequentie. Volgens de moeder is er daardoor sprake van aanmerkelijk gewijzigde omstandigheden. In dat verband heeft zij erop gewezen dat de vader beter functioneert dan voorheen en dat het contact tussen hem en [minderjarige] een positief effect heeft op haar ontwikkeling en welzijn. Uit het standpunt van de vader blijkt dat het hem vooral zorgen baart dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de impact van de operatie die de moeder heeft moeten ondergaan en met haar gezondheidstoestand, waardoor zij druk en spanningen ervaart, terwijl voor haar juist rust nodig is om verder te kunnen herstellen. De GI heeft daar volgens hem onvoldoende oog voor en zij doet bovendien uitspraken over een mogelijke uithuisplaatsing van [minderjarige] , wat voor extra onrust en onduidelijkheid zorgt.



6.5.
Voorts stelt de kinderrechter vast dat tegenover de voorzichtig positieve ontwikkelingen in de oudercommunicatie en in het contact tussen [minderjarige] en de vader staat dat eerder dit jaar zich nog een situatie heeft voorgedaan waardoor de GI zich genoodzaakt zag over te gaan tot het maken van extra veiligheidsafspraken omdat de ouders de afspraken niet naleefden. Hoewel volgens de moeder de vader intussen professionele hulpverlening heeft geaccepteerd voor zijn persoonlijke problematiek en daarmee positieve stappen heeft gemaakt, kan echter op basis van de op dit moment beschikbare gegevens niet of althans onvoldoende worden getoetst of en zo ja in hoeverre de vader in zijn proces gevorderd is en of dit van invloed is op de (te behalen) doelstellingen van de ondertoezichtstelling. Daarbij komt dat, naar de moeder heeft aangegeven, er in haar gezin momenteel (nog) MST hulpverlening actief is, er nog steeds geen vaste jeugdbeschermer in beeld is en gebleken is dat de GI een groot overleg heeft gepland, dat op 18 juni 2026 zal plaatsvinden. Ten slotte is gebleken dat de moeder als gevolg van een ingrijpende operatie zich nog in een herstelfase bevindt. Niet valt uit te sluiten dat dit op haar draagkracht en haar belastbaarheid als ouder/verzorger van invloed is.



6.6.
Alle hiervóór beschreven factoren en omstandigheden bij elkaar strekken naar het oordeel van de kinderrechter niet tot de overtuiging dat aan de gronden voor ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW, niet langer wordt voldaan en de hulpverlening al in dit stadium naar een vrijwillig kader over kan gaan. De kinderrechter heeft zeker begrip voor de bij de moeder aanwezige frustraties over het gedurende al geruime tijd ontbreken van een vaste jeugdbeschermer, waardoor er aan de ondertoezichtstelling feitelijk niet of nauwelijks uitvoering wordt gegeven. Echter, zoals hiervoor aangegeven, zijn er, ondanks de door de moeder geschetste positieve ontwikkelingen, nog steeds zorgen, en dit maakt dat nog steeds van een kwetsbare situatie sprake is. De kinderrechter wenst de GI ten slotte nadrukkelijk mee te geven dat de nog resterende looptijd van de ondertoezichtstelling zal moeten worden gebruikt om ervoor te zorgen dat er een vaste jeugdbeschermer wordt aangesteld, die met de regievoering zal zijn belast en die zal kunnen (blijven) monitoren hoe de hulpverlening en het contact tussen [minderjarige] en de vader verloopt en daarnaast de (gezondheids)toestand van de moeder volgt om vervolgens te kunnen bepalen of en zo ja, wanneer de hulpverlening in een vrijwillig kader kan worden voortgezet.



6.7.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van de moeder tot opheffing van de ondertoezichtstelling afwijzen.





8De beslissing


De kinderrechter:



8.1.
wijst het verzoek af.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.