Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5877
2026-07-02
Strafrecht; Materieel strafrecht
25-031008
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Klaagschriftprocedure ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering. Onderzoek Durmstrang. Verdenking witwassen
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2011:BO2962 Hoge Raad 08-02-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.668 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 25-031008
datum : 2 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1969,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H. Sytema advocaat te 's-Gravenhage, (Postbus 18598, 2502 EN 's-Gravenhage),
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 28 november 2025 ter griffie van deze rechtbank, inhoudende dat er een blauwe iPhone (goednummer PL2000-2025257809-2932170) en een personenauto Audi Q5 met kenteken [kenteken] in beslag zijn genomen;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 21 november 2025 onder [de beslagene] (de beslagene) in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf] GmbH in beslag is genomen: de hiervoor genoemde telefoon en personenauto;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. H. Sytema, als gemachtigd raadsman van klager, gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn: [bedrijf] GmbH (belanghebbende, tevens verdachte) en [de beslagene] (beslagene).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag van de auto met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat de voortduring van het beslag disproportioneel is.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is dat klager ook de rechthebbende is van de auto. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er nog onderzoeksbelang is en dat gelet op de verdenking van jegens klager, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend, de auto zal verbeurdverklaren. Daarom dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend. Er is één klaagschrift ingediend, waarbij verzocht is de telefoon aan [de beslagene] terug te geven en de auto aan klager. De rechtbank zal in twee separate beslissingen op het klaagschrift beslissen, namelijk ten behoeve van klager voor wat betreft de auto en voor [de beslagene] voor wat betreft de telefoon. In onderhavige beslissing wordt dus alleen op de auto beslist.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is.
Het feit dat klager geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij inderdaad eigenaar is van de onderhavige auto, maakt dit niet anders.
Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager redelijkerwijs als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt. De auto werd in beslag genomen onder [de beslagene] . Bij [bedrijf] GmbH is een volmacht aangetroffen op naam van [de beslagene] en die volmacht is ook teruggevonden in de telefoon van [de beslagene] , met daarnaast foto’s van de auto, geparkeerd bij het adres van [de beslagene] . De auto stond geregistreerd op naam van [bedrijf] GmbH. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat klager eigenaar is van de inbeslaggenomen auto. Voornoemde feiten en omstandigheden maken dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat klager de redelijkerwijs rechthebbende is. Dit leidt tot de conclusie dat het klaagschrift reeds hierom ongegrond moet worden verklaard.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).
Strafrecht
Zittingsplaats Breda
parketnummer : 02-265101-25
raadkamernummer : 25-031008
datum : 2 juli 2026
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[de klager] ,
geboren op [geboortedag] 1969,
woonplaats kiezend op het kantoor van mr. H. Sytema advocaat te 's-Gravenhage, (Postbus 18598, 2502 EN 's-Gravenhage),
hierna te noemen: de klager.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
het klaagschrift op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingediend op 28 november 2025 ter griffie van deze rechtbank, inhoudende dat er een blauwe iPhone (goednummer PL2000-2025257809-2932170) en een personenauto Audi Q5 met kenteken [kenteken] in beslag zijn genomen;
de kennisgeving van inbeslagneming op grond van artikel 94 Sv, waaruit blijkt dat op 21 november 2025 onder [de beslagene] (de beslagene) in het strafvorderlijk onderzoek tegen [bedrijf] GmbH in beslag is genomen: de hiervoor genoemde telefoon en personenauto;
de reactie van de officier van justitie en
de overige stukken uit het bijbehorende raadkamerdossier met voornoemd raadkamernummer.
Op 4 juni 2026 heeft het onderzoek door de raadkamer plaatsgevonden. Hierbij zijn de officier van justitie mr. M. Nieuwenhuis en mr. H. Sytema, als gemachtigd raadsman van klager, gehoord.
Klager is behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen.
De belanghebbenden zijn behoorlijk opgeroepen, maar niet bij de behandeling van het klaagschrift verschenen. Dit zijn: [bedrijf] GmbH (belanghebbende, tevens verdachte) en [de beslagene] (beslagene).
Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag van de auto met last tot teruggave aan de klager. Daartoe is aangevoerd dat de voortduring van het beslag disproportioneel is.
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet duidelijk is dat klager ook de rechthebbende is van de auto. Daarom dient het klaagschrift niet-ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat er nog onderzoeksbelang is en dat gelet op de verdenking van jegens klager, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend, de auto zal verbeurdverklaren. Daarom dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard.
2De beoordeling
De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot afdoening van het klaagschrift.
Het klaagschrift is tijdig ingediend. Er is één klaagschrift ingediend, waarbij verzocht is de telefoon aan [de beslagene] terug te geven en de auto aan klager. De rechtbank zal in twee separate beslissingen op het klaagschrift beslissen, namelijk ten behoeve van klager voor wat betreft de auto en voor [de beslagene] voor wat betreft de telefoon. In onderhavige beslissing wordt dus alleen op de auto beslist.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager ontvankelijk is in zijn klaagschrift. De rechtbank stelt in dat kader vast dat klager uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij rechthebbende is. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BO2962) heeft dan als uitgangspunt te gelden dat klager ontvankelijk is.
Het feit dat klager geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij inderdaad eigenaar is van de onderhavige auto, maakt dit niet anders.
Anders dan de officier van justitie zal de rechtbank klager daarom ontvankelijk achten in het onderhavige klaagschrift.
De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of klager redelijkerwijs als rechthebbende van de auto kan worden aangemerkt. De auto werd in beslag genomen onder [de beslagene] . Bij [bedrijf] GmbH is een volmacht aangetroffen op naam van [de beslagene] en die volmacht is ook teruggevonden in de telefoon van [de beslagene] , met daarnaast foto’s van de auto, geparkeerd bij het adres van [de beslagene] . De auto stond geregistreerd op naam van [bedrijf] GmbH. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit volgt dat klager eigenaar is van de inbeslaggenomen auto. Voornoemde feiten en omstandigheden maken dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat klager de redelijkerwijs rechthebbende is. Dit leidt tot de conclusie dat het klaagschrift reeds hierom ongegrond moet worden verklaard.
3De beslissing
De rechtbank verklaart:
- het klaagschrift ongegrond.
Deze beslissing is op 2 juli 2026 genomen door mr. E.B. Prenger, voorzitter, mr. C.H.M. Pastoors en mr. K. Verschueren rechters, in tegenwoordigheid van G.T.A. Knoop, griffier, en is uitgesproken op de openbare zitting van 2 juli 2026.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering).