Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5662

2026-05-27 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/447475 / JE RK 26-706
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-27
Publicatiedatum
2026-06-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/447475 / JE RK 26-706
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling voor de duur van 9 maanden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.895 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/447475 / JE RK 26-706
Datum uitspraak: 27 mei 2026




Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
locatie Breda,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .



De kinderrechter merkt als informanten aan:




Stichting Jeugdbescherming Brabant,
hierna te noemen: JBB,
gevestigd te Tilburg,




William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna te noemen: de WSS,
gevestigd te Amsterdam.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026;


de schriftelijke onderbouwing van 29 mei 2026 van het tijdens de zitting mondeling gewijzigde verzoek van de Raad.





1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van JBB.



1.3.
De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.



1.4.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.





2De feiten


2.1.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader.



2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 2] .



2.3.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt (bij gewijzigd verzoek) [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen van de WSS voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De Raad handhaaft het gewijzigde verzoek in die zin dat in plaats van JBB, de WSS zal moeten worden belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Voor de onderbouwing van het verzoek verwijst de Raad naar het raadsrapport. Vanuit de scholen van de minderjarigen zijn zorgen geuit. Er was sprake van schoolverzuim en er zijn zorgen over de didactische ontwikkeling. Ook heeft de Raad zorgen over de opvoedsituatie van de minderjarigen. Er zijn zorgen over verward gedrag vanuit de moeder en er is onvoldoende zicht op wat de houding van de moeder met de minderjarigen doet. De Raad is belemmerd in het onderzoek, doordat de moeder (en de vader) niet heeft willen meewerken aan het onderzoek. Er is tijdens het raadsonderzoek weinig zicht gekomen op de (thuis)situatie van de minderjarigen en de zorgen van de Raad zijn onvoldoende weggenomen. Uit het onderzoek komt niet naar voren dat de moeder bewijsstukken zou hebben aangeleverd en het is niet gelukt om de minderjarigen te spreken. De Raad vindt het dan ook noodzakelijk dat de minderjarigen onder toezicht worden gesteld, zodat er zicht kan komen op de situatie van de minderjarigen. Omdat er geen daadwerkelijke gegevens bekend zijn over het IQ of een eventuele licht verstandelijke beperking bij de minderjarigen of de ouders, heeft de Raad er eerst voor gekozen om JBB als uitvoerende instantie te verzoeken. De Raad kan immers de door JBB gestelde problematiek niet hardmaken. Wel gaat een van de minderjarigen naar het speciaal onderwijs, hetgeen de uitvoering van de ondertoezichtstelling door de WSS passend maakt. De uitvoering van de ondertoezichtstelling zal bovendien voor iedere GI moeilijk zijn. Er is sprake van een situatie waarbij nauwelijks binnen kan worden gekomen. Het contact en de samenwerking met de moeder is moeizaam. Tijdens de vorige ondertoezichtstelling was dit vooral het geval bij de vader.



4.2.
JBB heeft zich tijdens de zitting niet bereid verklaard om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uit te voeren. JBB is voor de uitvoering van de eerdere ondertoezichtstelling betrokken geweest bij het gezin. Ondanks de inzet van JBB om tot samenwerking te komen, waaronder onder meer de gevoerde gesprekken met het bestuur, is destijds niet het gewenste resultaat behaald en heeft JBB geconcludeerd dat zij niet de juiste GI zijn om aan te sluiten bij de minderjarigen en het gezinssysteem. Bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is er mogelijk sprake van een licht verstandelijke beperking. Hiervoor is nader onderzoek nodig. Daarnaast gaat een van de minderjarigen naar het speciaal onderwijs. De expertise van JBB is hierin niet gelegen. De WSS heeft hierin het specialisme en zij kunnen mogelijk beter aansluiten en zijn beter in staat om het benodigde zorgpakket in kaart te brengen. Ook is er vanuit de moeder (en het gehele systeem) een groot wantrouwen richting JBB.



4.3.
De moeder voert verweer tegen het (gewijzigde) verzoek van de Raad. Zij kan zich niet verenigen met de verzochte ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder herkent zich niet in de beschreven zorgen in het raadsrapport. De minderjarigen zijn eerder onder toezicht gesteld. De moeder heeft toen alle stappen gezet die zij moest zetten en heeft daar bewijs van. De doelen ten aanzien van de minderjarigen waren toen behaald. De moeder heeft een verzekering, de minderjarigen gaan naar school en de moeder beweegt mee in de adviezen van school. De logopedie en ergotherapie voor [minderjarige 2] zijn ingezet. Dit vond eerst eenmaal per week plaats. Omdat de moeder daaraan niet langer kon voldoen, is dit vervolgens aangepast naar tweemaal per maand. Tijdens de eerdere ondertoezichtstelling zijn er ook afspraken gemaakt tussen de moeder en de vader. De moeder is verder al jaren een topsporter en deze manier van leven geeft zij ook mee aan de minderjarigen. Vanwege het resultaat van de eerdere ondertoezichtstelling, wil de moeder niet dat de minderjarigen opnieuw onder toezicht worden gesteld. Door JBB is er tijdens de eerder ondertoezichtstelling trauma veroorzaakt, waardoor de moeder een groot wantrouwen heeft richting JBB. De moeder is ziek geworden door de nasleep van de ondertoezichtstelling. Ook wanneer de ondertoezichtstelling wordt uitgevoerd door een andere organisatie, zoals de WSS, is de moeder het niet eens met de ondertoezichtstelling. De moeder was naar aanleiding van het raadsrapport bereid tot een fysiek gesprek, waarbij zij graag haar verweer wenste te voeren. Alleen de medewerker vanuit de gemeente is daartoe bereid geweest en heeft haar standpunt aangepast. Het lukte de moeder niet om een gesprek met de minderjarigen te plannen vanwege het dagelijkse ritme dat de moeder met de minderjarigen heeft.





5De beoordeling



Wettelijk kader




5.1.
Op grond van artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:


de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;


de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.





Inhoudelijke beoordeling




5.2.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.3.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd. De kinderrechter onderschrijft daarbij de zorgen van de Raad. Deze zorgen zijn onder meer gelegen in de didactische ontwikkeling, de schoolgang en de opvoedsituatie van de minderjarigen. Zo zijn er zorgen over de leerontwikkeling van de minderjarigen. Hoewel er minder sprake lijkt te zijn van schoolverzuim, komen de minderjarigen op school onvoldoende tot ontwikkeling. [minderjarige 1] heeft moeite met lezen, schriftelijke taal, rekenen en er zijn zorgen over haar automatiseren. [minderjarige 2] heeft moeite met zijn uitspraak en het schrijven van cijfers en letters. Ook zijn er bij hem zorgen over stotteren en lijkt hij een korte spanningsboog te hebben. Bij de minderjarigen lijkt bovendien mogelijk sprake te zijn van een licht verstandelijke beperking. Nader onderzoek is echter tot op heden uitgebleven. Hierdoor lukt het de scholen onvoldoende om aan te sluiten bij de ondersteuningsbehoeften van de minderjarigen. Ook is er binnen het raadsonderzoek onvoldoende zicht gekomen op de (thuis)situatie van de minderjarigen en de opvoedvaardigheden van de ouders. De vader lijkt weinig betrokken te zijn en is moeilijk of niet bereikbaar. Bij de moeder zijn er onder meer zorgen over haar psychische gesteldheid, waarbij er sprake lijkt te zijn van verwardheid en emotieregulatie problematiek.



5.4.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders (h)erkennen de voormelde zorgen niet of onvoldoende en leggen de problematiek buiten zichzelf. Dit maakt dat het de ouders nu al geruime tijd niet lukt om de zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. De ouders laten de benodigde hulpverlening onvoldoende toe. Zo staan zij onder meer niet open voor de inzet van een onderzoek naar de ontwikkeling van de minderjarigen en ook de inzet van de voor [minderjarige 2] geadviseerde ergotherapie en logopedie komt onvoldoende van de grond. Tijdens het onderzoek heeft de moeder bovendien geweigerd om haar medewerking te verlenen en ook met de vader is het niet gelukt om tot een gesprek te komen.



5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter sluit zich daarbij aan bij de door de Raad gestelde doelen in het raadsrapport, te weten:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige opvoedomgeving waar zij zich ten volle kunnen ontwikkelen; Er moet zicht komen om duidelijk te krijgen of, en op welke manier, de ontwikkeling van de kinderen wordt bedreigd waarna hierop gehandeld kan worden om de bedreiging weg te nemen. Hierbij dient zowel gedacht te worden aan opvoedondersteuning als individuele ondersteuning voor ouders.



[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een zorgverzekering en een huisarts; moet gecheckt worden


Van [minderjarige 1] is bekend waarom het automatiseren moeilijk is voor haar en hoe zij hierbij geholpen kan worden; het IQ-onderzoek wordt afgenomen, zodat duidelijk wordt waar er mogelijk problemen liggen en hoe [minderjarige 1] hierbij kan worden geholpen. Beoordeeld of [minderjarige 1] op de huidige school kan blijven.


De didactische ontwikkeling van [minderjarige 2] verloopt goed; Start met logopedie en ergotherapie


De kinderen gaan naar school volgens lesrooster; geen ongeoorloofd schoolverzuim





5.6.
De kinderrechter vindt het belangrijk dat er de komende periode aan de bovenstaande doelen wordt gewerkt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. De kinderrechter zal het verzoek dan ook toewijzen voor de verzochte duur van negen maanden, omdat die termijn passend wordt geacht. De kinderrechter verwacht van de GI dat zij de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nader in kaart brengt, dat er zo spoedig mogelijk zicht wordt verkregen op de opvoedsituatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat er hulpverlening wordt ingezet in de thuissituatie.



5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.




5.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 27 mei 2026 tot 27 februari 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Palings als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.