Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:5618

2026-05-26 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/446412 / JE RK 26-506
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-26
Publicatiedatum
2026-06-26
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/446412 / JE RK 26-506
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Herstel einddatum verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.596 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT




Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/446412 / JE RK 26-506




Herstelbeschikking van 26 mei 2026




in de zaak van



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige].



De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling uit Goes.



De kinderrechter merkt als informant aan:





[de pleegzorgmedewerker] ([hulpverlening]),

hierna te noemen: de pleegzorgmedewerker.






1Het nadere verloop van de procedure


1.1.
Het nadere verloop van de procedure bestaat uit:


de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank met kenmerk C/02/446412 / JE RK 26-506, in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026;


een bericht van de GI, binnengekomen bij de rechtbank op 7 mei 2026.





1.2.
De moeder en haar advocaat zijn op 8 mei 2026 schriftelijk in de gelegenheid gesteld om zich binnen twee weken uit te laten over het verzoek van de GI. De advocaat heeft namens de moeder op 13 mei aangegeven akkoord te zijn met het verzoek van de GI.










2De verdere beoordeling


2.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van 22 april 2026 zijn de verzoeken van de GI tot de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor een periode van negen maanden en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg voor een periode van zes maanden toegewezen. De ondertoezichtstelling van [minderjarige] is verlengd tot 9 februari 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg is verlengd tot 9 november 2027.



2.2.
De GI geeft in het onder rechtsoverweging 1.1. genoemde bericht aan dat in rechtsoverweging 6.2. van de beschikking van 22 april 2026 per abuis is vermeld dat de machtiging tot uithuisplaatsing is uitgesproken tot 9 november 2027. In plaats van ‘verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg tot 9 november 2026’ is ‘verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg tot 9 november 2027’ in het dictum van de beschikking vermeld. De GI verzoekt de rechtbank het dictum aan te passen en de beschikking te herstellen.



2.3.
De kinderrechter overweegt als volgt. Op grond van artikel 31 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verbetert de kinderrechter op verzoek van een partij een kennelijke, voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare fouten. De kinderrechter overweegt dat is gebleken dat de door de kinderrechter in deze zaak gegeven beschikking van 22 april 2026 een kennelijke fout bevat. In het dictum van deze beschikking is per abuis ‘verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg tot 9 november 2027’ vermeld, in plaats van ‘verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg tot 9 november 2026’. De kinderrechter is van oordeel dat er sprake is van een kennelijke fout en dat deze voor eenvoudig herstel vatbaar is. De kinderrechter zal de beschikking van 22 april 2026 dan ook verbeteren, als hierna te melden.





3De beslissing


De kinderrechter:



3.1.
bepaalt dat het dictum van de beschikking van 22 april 2026:



“6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 9 februari 2027;





6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg tot 9 november 2027;




6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.”



wordt gewijzigd in:




“6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 9 februari 2027;





6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg tot 9 november 2026;




6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.”






Deze beslissing is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.




Mededeling van de griffier:

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open. Deze beschikking brengt geen wijziging in de mogelijkheden en/of de termijn van hoger beroep tegen de beschikking die thans is verbeterd.