Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:5324
2026-05-18
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/424322 / FA RK 24-3111
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Erkenning Somalisch huwelijk, geen erkenning van talaq, eenhoofdig gezag
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (19.767 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/424322 / FA RK 24-3111
Datum uitspraak: 18 mei 2026
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. G.A.P. Avontuur,
en
[de man]
,
hierna te noemen de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
1Het verloop van de procedure
1.1
De rechtbank neemt mee in de beoordeling:
het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 8 juli 2024;
het aangevulde verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2025;
de brief van mr. Avontuur van 22 augustus 2024;
de F9-formulieren van mr. Avontuur van 11 december 2024, 30 december 2024, met bijlage, 21 februari 2025, 24 maart 2025 en 22 mei 2025, met bijlagen;
de oproep van de man voor de zitting in de Staatscourant van 7 januari 2026.
1.2
De zaak is behandeld op de zitting van 20 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De vrouw werd verder bijgestaan door een tolk (Somalische taal).
1.3
De rechtbank heeft na te noemen minderjarige [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechter op 20 april 2026.
2De feiten
2.1
Tussen partijen staat vast:
- dat zij met elkaar gehuwd zijn in [plaats 1] (Somalië);
- dat gedurende het huwelijk van partijen de volgende nu nog minderjarige kinderen zijn geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] );
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) (hierna: [minderjarige 2] );
- dat de vrouw en de kinderen de Somalische nationaliteit hebben.
2.2
Ter zitting is door de vrouw onweersproken gesteld dat, hoewel op het verblijfsdocument van de oudste dochter van partijen op haar verblijfsdocument als naam [naam] staat, haar naam [minderjarige 1] is. In het hierna volgende zal daarom worden gesproken over [minderjarige 1] .
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt:
- echtscheiding;
- te bepalen dat zij voortaan belast zal zijn met het eenhoofdige gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4De beoordeling
Betekening van het verzoekschrift en oproeping van de man
4.1
De betekening van het verzoekschrift aan de man en de oproep van de man voor de zitting heeft, gelet op zijn onbekende woon- of verblijfplaats, plaatsgevonden middels publicaties in de Staatscourant. Daarin is medegedeeld binnen welke termijn een verweerschrift kon worden ingediend en op welke datum de zitting plaats zou vinden. Binnen die termijn is geen verweerschrift binnengekomen en de man is niet verschenen op de zitting. De rechtbank is van oordeel dat de man op correcte wijze op de hoogte is gesteld van het verzoek en de zitting. Daarom zullen de verzoeken hierna verder worden beoordeeld.
Echtscheiding
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.2
Gelet op de plaats van de huwelijkssluiting in Somalië, de Somalische nationaliteit van de vrouw en de kinderen, de geboorteplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Somalië en de vermoedelijk woonplaats van de man in Somalië en zijn vermoedelijke Somalische nationaliteit heeft deze zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft deze ambtshalve beoordeeld.
4.3
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a onder (v.) Brussel IIter Verordening internationaal bevoegd met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, omdat de gewone verblijfplaats van de vrouw, als verzoekster, zich in Nederland bevindt en zij zich ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening ven het verzoekschrift in Nederland bevond.
4.4
De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid BW.
Ontvankelijkheid
4.5
Ingevolge artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moeten bij de indiening van het verzoekschrift onder andere de volgende stukken worden overgelegd:
- een (recent) afschrift of uittreksel van de huwelijksakte (lid 5 aanhef en sub a);
- een afschrift of uittreksel van de akte van geboorte van ieder minderjarig kind van de echtgenoten (lid 5 aanhef en sub c);
- een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan (lid 2 aanhef en sub a).
4.6
Door de vrouw zijn voormelde stukken niet overgelegd. Dit gebrek kan grond opleveren om het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het genoemde stuk redelijkerwijs niet kan worden overgelegd. In dat geval kan worden volstaan met overlegging van andere bewijsstukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter (artikel 815 lid 6 Rv).
4.7
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende toegelicht waarom zij voormelde stukken niet kan overleggen. Zij heeft aangegeven dat er nooit een huwelijksakte is opgemaakt, en dat zij die daarom niet kan overleggen. Zij heeft wel een nadere toelichting gegeven over de wijze waarop het huwelijk is gesloten. Verder heeft zij toegelicht dat zij de man voor het laatst in 2022 telefonisch heeft gesproken en hem nu niet meer kan bereiken. Gelet daarop is het opstellen en overleggen van een ouderschapsplan niet mogelijk. Wat betreft uittreksels van de geboorte aktes van de kinderen heeft de vrouw de verblijfsdocumenten van hen overgelegd. De toelichting van de vrouw en de door haar wel overgelegde stukken zijn voldoende voor de verdere beoordeling van het verzoek. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de vrouw ontvankelijk in haar echtscheidingsverzoek.
Erkenning van het huwelijk
4.8
In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk van partijen in het buitenland is voltrokken, dient de rechtbank ambtshalve eerst de vraag te beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (BW) erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden.
4.9
Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk in Nederland wordt erkend, wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 lid 1 BW).
4.10
De vrouw heeft over de sluiting van het huwelijk het volgende gesteld. De huwelijkssluiting heeft plaatsgevonden in [plaats 1] , te Somalië, een dorpje vlak bij [plaats 2] . De vrouw is zelf niet aanwezig geweest bij de huwelijkssluiting, maar werd vertegenwoordigd door haar vader. De man was wel bij de huwelijkssluiting aanwezig. De huwelijkssluiting heeft plaatsgevonden ten overstaan van een sjeik. Er was geen huwelijksfeest, en het huwelijk is ook nergens geregistreerd. Ter onderbouwing van het huwelijk heeft de vrouw rapporten van de IND overgelegd. Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat zij niet precies weet op welke datum het huwelijk is gesloten, maar dat dit waarschijnlijk eind 2015, dan wel in 2016 was. Iets meer dan een jaar voor de geboorte van [minderjarige 1] .
4.11
Voor de inhoud van het Somalische recht ten aanzien van de huwelijksvoltrekking heeft de rechtbank Burgerzaken (OpMaat) geraadpleegd. Volgens het Somalische recht geldt voor het sluiten van het huwelijk de minimumleeftijd van achttien jaar. De huwelijksvoltrekking moet plaatsvinden in het bijzijn van twee getuigen en ten overstaan van een bevoegde autoriteit. Hieronder wordt verstaan een rechter, een religieuze autoriteit of iemand met een grondige kennis van het Islamitische recht. Een van de echtgenoten kan tijdens de ceremonie afwezig zijn als hij een persoon heeft gemachtigd die de wil om het huwelijk aan te gaan schriftelijk of mondeling zal geven. Een huwelijk is geldig als aan alle huwelijksvereisten is voldaan.
4.12
De rechtbank acht de verklaring van de vrouw over de huwelijksvoltrekking van partijen in overeenstemming met voormelde bekende informatie over de wijze waarop huwelijken rechtsgeldig worden voltrokken in Somalië. De rechtbank is daarom van oordeel dat het huwelijk tussen partijen naar Somalisch recht als rechtsgeldig moet worden beschouwd. Verder is geen sprake van één van de situaties volgend uit artikel 10:32 BW. Het huwelijk kan gelet op het voorgaande in Nederland worden erkend.
4.13
Ter zitting is besproken van welke huwelijksdatum moet worden uitgegaan. De rechtbank acht de door de vrouw gestelde periode van eind 2015 tot en met 2016 waarbinnen het huwelijk moet zijn gesloten aannemelijk, gelet op de geboortedatum van [minderjarige 1] en de in het rapport aanmeldgehoor van de IND genoemde leeftijd van het kind uit het vorige huwelijk van de vrouw. Daarom zal worden uitgegaan van een datum van huwelijkssluiting in 2015 of 2016.
Ontbinding van het huwelijk in Somalië
4.14
De vrouw heeft in haar verzoek en ter zitting aangegeven dat zij ten tijde van het gehoor bij de IND al heeft verklaard gescheiden te zijn. Uit de rapporten van de IND volgt dat in het bijzijn van verpleegkundigen en artsen in het ziekenhuis de man heeft gezegd: “Jij bent van mij gescheiden.”. In Somalië is het gebruikelijk dat dit zo gebeurd, in bijzijn van twee mannelijke getuigen. Zij heeft verzocht de gegevens in de BRP te wijzigen, in die zin dat daarin ten onrechte is opgenomen dat zij is gehuwd. Dit is afgewezen door de gemeente. Ter zitting is namens de vrouw nog aangegeven dat de verklaring onder ede van 27 januari 2022 onzorgvuldig tot stand is gekomen en ook zeer summier is ingevuld. Volgens haar was er enkel telefonisch een tolk aanwezig, was voor de vrouw onduidelijk tegenover wie zij precies zat en zijn voorschriften voor de totstandkoming van een verklaring onder ede niet nageleefd. Aan de verklaring onder ede kan dus geen waarde aan worden gehecht.
4.15
Gelet op de stelling van de vrouw dat zij al is gescheiden, zal de rechtbank moeten beoordelen of naar Somalisch recht het huwelijk al op rechtsgeldige wijze is geëindigd en of de ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend (artikel 10:57 BW).
4.16
Artikel 10:58 BW bepaalt dat een ontbinding van het huwelijk in het buitenland die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten tot stand is gekomen, wordt erkend als:
a. de ontbinding in deze vorm overeenstemt met een nationaal recht van de echtgenoot, die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden;
b. de ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en
c. duidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust.
4.17
Volgens het Somalische recht kan een huwelijk (onder andere) worden ontbonden door verstoting (talaq). Bij een onherroepelijke verstoting (drie keer talaq) eindigt het huwelijk direct na de uitspraak. Bij een herroepelijke verstoting (twee keer talaq) eindigt het huwelijk na afloop van de Iddat-wachttijd. De man heeft het recht van talaq als de Somalische rechtbank vooraf hiermee heeft ingestemd.
4.18
De rechtbank kan op grond van de stukken en de toelichting van de vrouw ter zitting niet vaststellen dat aan de genoemde voorwaarden voor een ontbinding van het huwelijk door het uitspreken van talaq is voldaan. Van voorafgaande instemming van een Somalische rechtbank is namelijk niet gebleken. Uit de verklaring van de vrouw bij de IND volgt dat pas bij een bezoek aan de man in het ziekenhuis een ontbinding van het huwelijk aan de orde is gekomen en dat op dat moment een arts en verpleegkundige uit het ziekenhuis als getuigen zijn gevraagd (productie 4 van de vrouw). Dat daarvoor of op dat moment toestemming van een Somalische rechtbank is gegeven voor talaq blijkt nergens uit. Daarnaast is het voor de rechtbank onbegrijpelijk dat de vrouw op 27 januari 2022 onder ede heeft verklaard dat zij gehuwd is met de man, terwijl haar standpunt nu is dat het huwelijk al voor haar vertrek uit Somalië is geëindigd door het uitspreken van talaq. Namens de vrouw is weliswaar ter zitting verklaard dat deze verklaring onder ede onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat daaraan geen waarde kan worden gehecht, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende met stukken onderbouwd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de door de vrouw gestelde talaq op een naar Somalisch recht rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden. De gestelde talaq komt daarom niet voor erkenning in Nederland in aanmerking en het moet ervoor worden gehouden dat (nog steeds) sprake is van een huwelijk tussen partijen.
Inhoudelijke beoordeling
4.19
De vrouw heeft onweersproken aangevoerd dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal daarom als op de wet gegrond worden toegewezen.
Gezag
Internationale bevoegdheid van de rechtbank en toepasselijk recht
4.20
De gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bevindt zich in Nederland. Op grond van artikel 7 lid 1 BrusselIIter Verordening is de Nederlandse rechter daarom bevoegd om te beslissen op het verzoek tot eenhoofdig gezag. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Huidige gezagssituatie
4.21
Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, dient te worden ingegaan op de vraag welk rechtstelsel dient te worden toegepast bij de vraag of beide ouders het gezag hebben over de kinderen en of beide partijen belast zijn met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.22
Gelet op de geboortedatums van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is op de vraag welk rechtstelsel dient te worden toegepast bij de vraag of beide ouders het gezag hebben over haar het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 van toepassing. Ingevolge artikel 16 lid 1 van het Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het recht van toepassing van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Niet van belang is of volgens Somalisch recht sprake is van gezamenlijk gezag. Overeenkomstig artikel 16 lid 4 van het Kinderbeschermingsverdrag 1996 is, door het huwelijk van partijen, namelijk van rechtswege gezamenlijk gezag ontstaan, volgens het Nederlands recht, op het moment dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verplaatst naar Nederland.
Inhoudelijke beoordeling
4.23
De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. De man verblijft in Somalië, zonder mogelijkheid tot contact met de vrouw en de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat zij belast wordt met het eenhoofdig gezag, zodat er geen handelingsverlegenheid kan ontstaan als er beslissingen moeten worden genomen over de kinderen. Ter zitting is namens de vrouw toegelicht dat de grond voor haar verzoek is dat een wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
4.24
Ingevolge artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter bepalen dat het gezag over de kinderen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
4.25
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat sinds de kinderen in Nederland verblijven (najaar 2024) de vrouw hen alleen opvoedt en verzorgt. De man verblijft (vermoedelijk) in Somalië. De vrouw heeft de man voor het laatst in 2022 gesproken en heeft sindsdien geen contact meer met hem. Ook [minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij geen contact heeft met haar vader. De man laat ook zelf niets meer van zich horen en informeert niet naar de kinderen. Het is voor de vrouw dus niet mogelijk om met de man te overleggen over de opvoeding en verzorging van de kinderen en samen beslissingen over hen te nemen. Tevens maakt het voorgaande dat de man niet op de hoogte is van de ontwikkeling en de behoefte van de kinderen, waardoor hij naar het oordeel van de rechtbank ook niet in staat wordt geacht beslissingen te nemen in het belang van de kinderen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over hen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen.
5De beslissing
5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, in 2015 of 2016, in [plaats 1] (Somalië) met elkaar gehuwd;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
voortaan aan de vrouw alleen toekomt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Willemsen, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/424322 / FA RK 24-3111
Datum uitspraak: 18 mei 2026
beschikking betreffende echtscheiding
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna te noemen de vrouw,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. G.A.P. Avontuur,
en
[de man]
,
hierna te noemen de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
1Het verloop van de procedure
1.1
De rechtbank neemt mee in de beoordeling:
het verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 8 juli 2024;
het aangevulde verzoekschrift, met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2025;
de brief van mr. Avontuur van 22 augustus 2024;
de F9-formulieren van mr. Avontuur van 11 december 2024, 30 december 2024, met bijlage, 21 februari 2025, 24 maart 2025 en 22 mei 2025, met bijlagen;
de oproep van de man voor de zitting in de Staatscourant van 7 januari 2026.
1.2
De zaak is behandeld op de zitting van 20 april 2026. Bij die gelegenheid is verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. De vrouw werd verder bijgestaan door een tolk (Somalische taal).
1.3
De rechtbank heeft na te noemen minderjarige [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. Zij heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechter op 20 april 2026.
2De feiten
2.1
Tussen partijen staat vast:
- dat zij met elkaar gehuwd zijn in [plaats 1] (Somalië);
- dat gedurende het huwelijk van partijen de volgende nu nog minderjarige kinderen zijn geboren:
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] );
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) (hierna: [minderjarige 2] );
- dat de vrouw en de kinderen de Somalische nationaliteit hebben.
2.2
Ter zitting is door de vrouw onweersproken gesteld dat, hoewel op het verblijfsdocument van de oudste dochter van partijen op haar verblijfsdocument als naam [naam] staat, haar naam [minderjarige 1] is. In het hierna volgende zal daarom worden gesproken over [minderjarige 1] .
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt:
- echtscheiding;
- te bepalen dat zij voortaan belast zal zijn met het eenhoofdige gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4De beoordeling
Betekening van het verzoekschrift en oproeping van de man
4.1
De betekening van het verzoekschrift aan de man en de oproep van de man voor de zitting heeft, gelet op zijn onbekende woon- of verblijfplaats, plaatsgevonden middels publicaties in de Staatscourant. Daarin is medegedeeld binnen welke termijn een verweerschrift kon worden ingediend en op welke datum de zitting plaats zou vinden. Binnen die termijn is geen verweerschrift binnengekomen en de man is niet verschenen op de zitting. De rechtbank is van oordeel dat de man op correcte wijze op de hoogte is gesteld van het verzoek en de zitting. Daarom zullen de verzoeken hierna verder worden beoordeeld.
Echtscheiding
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.2
Gelet op de plaats van de huwelijkssluiting in Somalië, de Somalische nationaliteit van de vrouw en de kinderen, de geboorteplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Somalië en de vermoedelijk woonplaats van de man in Somalië en zijn vermoedelijke Somalische nationaliteit heeft deze zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft deze ambtshalve beoordeeld.
4.3
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a onder (v.) Brussel IIter Verordening internationaal bevoegd met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, omdat de gewone verblijfplaats van de vrouw, als verzoekster, zich in Nederland bevindt en zij zich ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening ven het verzoekschrift in Nederland bevond.
4.4
De rechtbank zal op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht toepassen ingevolge artikel 10:56, eerste lid BW.
Ontvankelijkheid
4.5
Ingevolge artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) moeten bij de indiening van het verzoekschrift onder andere de volgende stukken worden overgelegd:
- een (recent) afschrift of uittreksel van de huwelijksakte (lid 5 aanhef en sub a);
- een afschrift of uittreksel van de akte van geboorte van ieder minderjarig kind van de echtgenoten (lid 5 aanhef en sub c);
- een door beide echtgenoten ondertekend ouderschapsplan (lid 2 aanhef en sub a).
4.6
Door de vrouw zijn voormelde stukken niet overgelegd. Dit gebrek kan grond opleveren om het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het genoemde stuk redelijkerwijs niet kan worden overgelegd. In dat geval kan worden volstaan met overlegging van andere bewijsstukken of kan op andere wijze daarin worden voorzien, een en ander ter beoordeling van de rechter (artikel 815 lid 6 Rv).
4.7
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voldoende toegelicht waarom zij voormelde stukken niet kan overleggen. Zij heeft aangegeven dat er nooit een huwelijksakte is opgemaakt, en dat zij die daarom niet kan overleggen. Zij heeft wel een nadere toelichting gegeven over de wijze waarop het huwelijk is gesloten. Verder heeft zij toegelicht dat zij de man voor het laatst in 2022 telefonisch heeft gesproken en hem nu niet meer kan bereiken. Gelet daarop is het opstellen en overleggen van een ouderschapsplan niet mogelijk. Wat betreft uittreksels van de geboorte aktes van de kinderen heeft de vrouw de verblijfsdocumenten van hen overgelegd. De toelichting van de vrouw en de door haar wel overgelegde stukken zijn voldoende voor de verdere beoordeling van het verzoek. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de vrouw ontvankelijk in haar echtscheidingsverzoek.
Erkenning van het huwelijk
4.8
In het kader van een echtscheiding waarbij het huwelijk van partijen in het buitenland is voltrokken, dient de rechtbank ambtshalve eerst de vraag te beantwoorden of dit huwelijk op grond van artikel 10:31 van het Burgerlijk Wetboek (BW) erkend wordt in Nederland. De beantwoording van deze vraag is van belang omdat een buitenlands huwelijk dat naar Nederlands recht niet wordt erkend, door de Nederlandse rechter niet kan worden ontbonden.
4.9
Het uitgangspunt is dat een buiten Nederland gesloten huwelijk in Nederland wordt erkend, wanneer het volgens het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond rechtsgeldig is of nadien rechtsgeldig is geworden (artikel 10:31 lid 1 BW).
4.10
De vrouw heeft over de sluiting van het huwelijk het volgende gesteld. De huwelijkssluiting heeft plaatsgevonden in [plaats 1] , te Somalië, een dorpje vlak bij [plaats 2] . De vrouw is zelf niet aanwezig geweest bij de huwelijkssluiting, maar werd vertegenwoordigd door haar vader. De man was wel bij de huwelijkssluiting aanwezig. De huwelijkssluiting heeft plaatsgevonden ten overstaan van een sjeik. Er was geen huwelijksfeest, en het huwelijk is ook nergens geregistreerd. Ter onderbouwing van het huwelijk heeft de vrouw rapporten van de IND overgelegd. Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat zij niet precies weet op welke datum het huwelijk is gesloten, maar dat dit waarschijnlijk eind 2015, dan wel in 2016 was. Iets meer dan een jaar voor de geboorte van [minderjarige 1] .
4.11
Voor de inhoud van het Somalische recht ten aanzien van de huwelijksvoltrekking heeft de rechtbank Burgerzaken (OpMaat) geraadpleegd. Volgens het Somalische recht geldt voor het sluiten van het huwelijk de minimumleeftijd van achttien jaar. De huwelijksvoltrekking moet plaatsvinden in het bijzijn van twee getuigen en ten overstaan van een bevoegde autoriteit. Hieronder wordt verstaan een rechter, een religieuze autoriteit of iemand met een grondige kennis van het Islamitische recht. Een van de echtgenoten kan tijdens de ceremonie afwezig zijn als hij een persoon heeft gemachtigd die de wil om het huwelijk aan te gaan schriftelijk of mondeling zal geven. Een huwelijk is geldig als aan alle huwelijksvereisten is voldaan.
4.12
De rechtbank acht de verklaring van de vrouw over de huwelijksvoltrekking van partijen in overeenstemming met voormelde bekende informatie over de wijze waarop huwelijken rechtsgeldig worden voltrokken in Somalië. De rechtbank is daarom van oordeel dat het huwelijk tussen partijen naar Somalisch recht als rechtsgeldig moet worden beschouwd. Verder is geen sprake van één van de situaties volgend uit artikel 10:32 BW. Het huwelijk kan gelet op het voorgaande in Nederland worden erkend.
4.13
Ter zitting is besproken van welke huwelijksdatum moet worden uitgegaan. De rechtbank acht de door de vrouw gestelde periode van eind 2015 tot en met 2016 waarbinnen het huwelijk moet zijn gesloten aannemelijk, gelet op de geboortedatum van [minderjarige 1] en de in het rapport aanmeldgehoor van de IND genoemde leeftijd van het kind uit het vorige huwelijk van de vrouw. Daarom zal worden uitgegaan van een datum van huwelijkssluiting in 2015 of 2016.
Ontbinding van het huwelijk in Somalië
4.14
De vrouw heeft in haar verzoek en ter zitting aangegeven dat zij ten tijde van het gehoor bij de IND al heeft verklaard gescheiden te zijn. Uit de rapporten van de IND volgt dat in het bijzijn van verpleegkundigen en artsen in het ziekenhuis de man heeft gezegd: “Jij bent van mij gescheiden.”. In Somalië is het gebruikelijk dat dit zo gebeurd, in bijzijn van twee mannelijke getuigen. Zij heeft verzocht de gegevens in de BRP te wijzigen, in die zin dat daarin ten onrechte is opgenomen dat zij is gehuwd. Dit is afgewezen door de gemeente. Ter zitting is namens de vrouw nog aangegeven dat de verklaring onder ede van 27 januari 2022 onzorgvuldig tot stand is gekomen en ook zeer summier is ingevuld. Volgens haar was er enkel telefonisch een tolk aanwezig, was voor de vrouw onduidelijk tegenover wie zij precies zat en zijn voorschriften voor de totstandkoming van een verklaring onder ede niet nageleefd. Aan de verklaring onder ede kan dus geen waarde aan worden gehecht.
4.15
Gelet op de stelling van de vrouw dat zij al is gescheiden, zal de rechtbank moeten beoordelen of naar Somalisch recht het huwelijk al op rechtsgeldige wijze is geëindigd en of de ontbinding van het huwelijk in Nederland wordt erkend (artikel 10:57 BW).
4.16
Artikel 10:58 BW bepaalt dat een ontbinding van het huwelijk in het buitenland die uitsluitend door een eenzijdige verklaring van een der echtgenoten tot stand is gekomen, wordt erkend als:
a. de ontbinding in deze vorm overeenstemt met een nationaal recht van de echtgenoot, die het huwelijk eenzijdig heeft ontbonden;
b. de ontbinding in de staat waar zij geschiedde rechtsgevolg heeft; en
c. duidelijk blijkt dat de andere echtgenoot uitdrukkelijk of stilzwijgend met de ontbinding heeft ingestemd dan wel daarin heeft berust.
4.17
Volgens het Somalische recht kan een huwelijk (onder andere) worden ontbonden door verstoting (talaq). Bij een onherroepelijke verstoting (drie keer talaq) eindigt het huwelijk direct na de uitspraak. Bij een herroepelijke verstoting (twee keer talaq) eindigt het huwelijk na afloop van de Iddat-wachttijd. De man heeft het recht van talaq als de Somalische rechtbank vooraf hiermee heeft ingestemd.
4.18
De rechtbank kan op grond van de stukken en de toelichting van de vrouw ter zitting niet vaststellen dat aan de genoemde voorwaarden voor een ontbinding van het huwelijk door het uitspreken van talaq is voldaan. Van voorafgaande instemming van een Somalische rechtbank is namelijk niet gebleken. Uit de verklaring van de vrouw bij de IND volgt dat pas bij een bezoek aan de man in het ziekenhuis een ontbinding van het huwelijk aan de orde is gekomen en dat op dat moment een arts en verpleegkundige uit het ziekenhuis als getuigen zijn gevraagd (productie 4 van de vrouw). Dat daarvoor of op dat moment toestemming van een Somalische rechtbank is gegeven voor talaq blijkt nergens uit. Daarnaast is het voor de rechtbank onbegrijpelijk dat de vrouw op 27 januari 2022 onder ede heeft verklaard dat zij gehuwd is met de man, terwijl haar standpunt nu is dat het huwelijk al voor haar vertrek uit Somalië is geëindigd door het uitspreken van talaq. Namens de vrouw is weliswaar ter zitting verklaard dat deze verklaring onder ede onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat daaraan geen waarde kan worden gehecht, maar dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende met stukken onderbouwd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de door de vrouw gestelde talaq op een naar Somalisch recht rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden. De gestelde talaq komt daarom niet voor erkenning in Nederland in aanmerking en het moet ervoor worden gehouden dat (nog steeds) sprake is van een huwelijk tussen partijen.
Inhoudelijke beoordeling
4.19
De vrouw heeft onweersproken aangevoerd dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht. Het verzoek tot echtscheiding zal daarom als op de wet gegrond worden toegewezen.
Gezag
Internationale bevoegdheid van de rechtbank en toepasselijk recht
4.20
De gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bevindt zich in Nederland. Op grond van artikel 7 lid 1 BrusselIIter Verordening is de Nederlandse rechter daarom bevoegd om te beslissen op het verzoek tot eenhoofdig gezag. De rechtbank zal hierbij Nederlands recht toepassen (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).
Huidige gezagssituatie
4.21
Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek, dient te worden ingegaan op de vraag welk rechtstelsel dient te worden toegepast bij de vraag of beide ouders het gezag hebben over de kinderen en of beide partijen belast zijn met het gezamenlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
4.22
Gelet op de geboortedatums van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is op de vraag welk rechtstelsel dient te worden toegepast bij de vraag of beide ouders het gezag hebben over haar het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 van toepassing. Ingevolge artikel 16 lid 1 van het Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het recht van toepassing van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. Niet van belang is of volgens Somalisch recht sprake is van gezamenlijk gezag. Overeenkomstig artikel 16 lid 4 van het Kinderbeschermingsverdrag 1996 is, door het huwelijk van partijen, namelijk van rechtswege gezamenlijk gezag ontstaan, volgens het Nederlands recht, op het moment dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verplaatst naar Nederland.
Inhoudelijke beoordeling
4.23
De vrouw legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. De man verblijft in Somalië, zonder mogelijkheid tot contact met de vrouw en de kinderen. Het is in het belang van de kinderen dat zij belast wordt met het eenhoofdig gezag, zodat er geen handelingsverlegenheid kan ontstaan als er beslissingen moeten worden genomen over de kinderen. Ter zitting is namens de vrouw toegelicht dat de grond voor haar verzoek is dat een wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
4.24
Ingevolge artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter bepalen dat het gezag over de kinderen aan één ouder toekomt indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
4.25
Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat sinds de kinderen in Nederland verblijven (najaar 2024) de vrouw hen alleen opvoedt en verzorgt. De man verblijft (vermoedelijk) in Somalië. De vrouw heeft de man voor het laatst in 2022 gesproken en heeft sindsdien geen contact meer met hem. Ook [minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter aangegeven dat zij geen contact heeft met haar vader. De man laat ook zelf niets meer van zich horen en informeert niet naar de kinderen. Het is voor de vrouw dus niet mogelijk om met de man te overleggen over de opvoeding en verzorging van de kinderen en samen beslissingen over hen te nemen. Tevens maakt het voorgaande dat de man niet op de hoogte is van de ontwikkeling en de behoefte van de kinderen, waardoor hij naar het oordeel van de rechtbank ook niet in staat wordt geacht beslissingen te nemen in het belang van de kinderen. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over hen. De rechtbank zal daarom het verzoek van de vrouw toewijzen.
5De beslissing
5.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, in 2015 of 2016, in [plaats 1] (Somalië) met elkaar gehuwd;
5.2
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarigen
1. [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
2. [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
voortaan aan de vrouw alleen toekomt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Willemsen, en, in tegenwoordigheid van mr. Reijerse, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.