Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4708

2026-04-28 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/446006 / JE RK 26-433
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-28
Publicatiedatum
2026-05-29
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/446006 / JE RK 26-433
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling. Geen bijzonderheden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.391 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Middelburg



Zaaknummer: C/02/446006 / JE RK 26-433
Datum uitspraak: 28 april 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van



de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Middelburg,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Janse uit Halsteren,





[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. N.P.M. Planthof uit Goes.



Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.






1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 12 maart 2026.





1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI.



1.3.
Vanwege de nauwe samenhang tussen het verzoek van de GI in deze zaak en de verzoeken van de vrouw in de zaak met het kenmerk C/02/432930 / FA RK 25-1284, worden de zaken gezamenlijk behandeld. Er zal bij separate beschikking worden beslist.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .



2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vader.



2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 12 mei 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 12 mei 2025 en tot 12 mei 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat de kinderen momenteel doordeweeks bij de vader verblijven en in het weekend bij de moeder. Inmiddels is het GGO-onderzoek afgenomen bij beide ouders. Het ouderschap van beide ouders is goed genoeg, maar er zijn nog wel aandachtspunten. Zo heeft de moeder moeite met het omgaan met veranderingen en dient de vader stappen te zetten in het aanbrengen van structuur. Op 18 april 2026 is er een Veilig Thuis melding binnengekomen, inhoudende dat er zorgen zijn over de hygiëne in de woning van de vader en dat er sprake is van uitschelden en aan de armen trekken van de kinderen. Deze melding is besproken met beide ouders. De vader ontkent de inhoud van de melding. De vader heeft wel aangegeven dat het hem financieel en tijd-technisch niet lukt om, gelet op de huidige verdeling van zorg- en opvoedtaken en de beslissing van de rechtbank tot het verlenen van vervangende toestemming tot inschrijving van de kinderen op een school in de woonplaats van de moeder, de kinderen steeds naar school te brengen. De GI vindt het daarom belangrijk dat de verdeling van zorg- en opvoedtaken tijdelijk wordt gewijzigd, en wel zo dat de kinderen doordeweeks bij de moeder verblijven en in de weekenden bij de vader. De kinderen gaan immers bij de moeder in het dorp naar school en de opvang. De vader is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak omtrent de vervangende toestemming inschrijving school. Hoewel de uitkomst daarvan dus afwachten is, is het erg belangrijk dat de kinderen in de tussentijd naar deze school en kinderopvang blijven gaan. De vader kan dan de komende periode financieel aansterken. Het is belangrijk dat IPT betrokken blijft. [hulpverlening] is al in de thuissituatie van de vader betrokken, maar nog niet bij de moeder. Over een half jaar zal de gewijzigde zorgregeling worden geëvalueerd. Het is voor nu te vroeg om een definitieve zorgregeling te bepalen.



4.2.
Door en namens de moeder wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Daarnaast wordt namens de moeder verklaard dat de moeder achter het voornemen staat om de kinderen voortaan doordeweeks bij de moeder te laten zijn, alsmede het eerste weekend van de maand. De overige weekenden zullen de kinderen bij de vader zijn. De kinderen hebben een belaste voorgeschiedenis. De moeder maakt zich daarom zorgen om het feit dat het een voorlopige regeling betreft die over zes maanden weer totaal anders kan zijn. Kleine aanpassingen kunnen in overleg met de GI worden gedaan, maar het is niet in het belang van de kinderen dat deze regeling over zes maanden weer verandert. De vakanties kunnen bij helfte worden verdeeld. Voorts geeft de moeder aan op dit moment er niet achter te kunnen staan dat de vader de kinderen op vrijdagmiddag ophaalt op school. Dit kan mogelijk wel onder begeleiding en in samenwerking met de GI worden vormgegeven. Ook moet worden voorkomen dat er te veel tegelijk verandert voor de kinderen. Voor nu is het beter om af te spreken dat de vader de kinderen om 18:30 uur ophaalt bij de pleegvader, omdat de kinderen dat gewend zijn.



4.3.
Door en namens de vader wordt ter gelegenheid van de mondelinge behandeling geen verweer gevoerd tegen het verzoek. Daarnaast wordt namens vader verklaard dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de vervangende toestemming inschrijving school. De verdere beslissingen omtrent het hoofdverblijf en de zorgregeling hangen hier nauw mee samen. Het is voor de vader lastig om de kinderen nu iedere dag naar school te brengen, gelet op de reisafstand en de daarbij komende kosten. Dit maakt dat een spiegelbeeld van de huidige zorgregeling voor nu de oplossing is. Het is de bedoeling dat dit een tijdelijke regeling is en dus geen definitieve zorgregeling. Na een aanhouding van zes maanden ten aanzien van definitieve beslissingen kan de stand van zaken vervolgens worden besproken, waaronder de uitkomst van het hoger beroep. De vader wil de kinderen graag op vrijdagmiddag ophalen op school. Op deze manier worden alle veranderingen voor de kinderen meteen doorgevoerd en niet op een later moment nog een keer. De vakanties kunnen bij helfte worden verdeeld.



4.4.
De Raad verklaart dat een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Er moeten nog veel stappen worden gezet. Daarnaast geeft de Raad aan dat blijkt dat het de vader niet lukt om de kinderen iedere dag naar school te brengen, gelet op de reistijd en -kosten. Doordat de zorgregeling als gevolg hiervan compleet zal worden omgedraaid, zal er een grote verandering voor de kinderen volgen. De Raad snapt de zorgen van de moeder over een mogelijke (nieuwe) wisseling van de zorgregeling over een half jaar, maar de vader heeft hoger beroep ingesteld tegen de vervangende toestemming inschrijving school, welke uitkomst nog onduidelijk is. De Raad ziet daarom geen mogelijkheden om definitieve beslissingen te nemen ten aanzien van de zorgregeling en het hoofdverblijf. Alles tegen elkaar afgewogen, is het plan van de GI het meest in het belang van de kinderen. Het is goed om de moeder de ruimte te geven om te wennen aan de aankomende veranderingen, zodat binnen twee maanden kan worden toegewerkt naar een situatie waarbij de vader de kinderen op vrijdagmiddag ophaalt op school. De kinderen hebben veel meegemaakt en er moet stabiliteit ontstaan. Dit ontbreekt tot nu toe.







5De beoordeling



Wettelijk kader



5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.



Inhoudelijke beoordeling




5.2.
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan en zal het onweersproken gebleven verzoek toewijzen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.3.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen hebben in hun jonge leven al veel meegemaakt, zoals het zijn van getuige van huiselijk geweld en spanningen tussen de ouders. Het is de kinderrechter gebleken dat de kinderen last hebben van deze situatie tussen de ouders. [minderjarige 2] past zich te veel aan en [minderjarige 1] toont ontregelend gedrag. Daarnaast zijn er zorgen over de draagkracht van de moeder en het feit dat zij moeite heeft met het omgaan met veranderingen. Bij de vader zijn er zorgen over de hygiëne en basiszorg voor de kinderen en het gebrek aan structuur. Voorts is er tussen de ouders sprake van een patroon van conflicten, wantrouwen en onvoorspelbaarheid, hetgeen maakt dat de communicatie en samenwerking niet goed verloopt. Tot slot maakt de kinderrechter zich zorgen over het feit dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] een langere tijd niet naar school of de kinderopvang zijn geweest als gevolg van een verschil in visie tussen de ouders. Er is hierdoor nog onvoldoende zicht verkregen op het welzijn van de kinderen, met name op de invloed van hun bewogen verleden op hun sociaal-emotionele ontwikkeling, waardoor nog onduidelijk is of en welke hulpverlening voor de kinderen moet worden ingezet.



5.4.
De kinderrechter is daarnaast van oordeel dat de betrokkenheid van de GI als regievoerder de komende periode nog noodzakelijk is. Hoewel er de afgelopen periode stappen zijn gezet door de ouders, blijven voornoemde zorgen bestaan. Het is van belang dat de GI deze positieve lijn voortzet en versterkt, zodat de kinderen veiligheid, voorspelbaarheid en stabiliteit gaan ervaren. Het is noodzakelijk dat de GI zicht verkrijgt op het welzijn van de kinderen en passende hulpverleningstrajecten, zowel voor de kinderen als de ouders, inzet. Ook dient de GI de voortgang hiervan te monitoren en zorg te dragen voor de continuering daarvan. Voorts is het belangrijk dat de GI het verloop van de nieuwe (omgekeerde) verdeling van zorg- en opvoedtaken tussen de ouders en de kinderen monitort en, indien nodig, in overleg met de ouders, op geleide van de kinderen op kleine onderdelen aanpast. Tot slot is het van belang dat de GI beziet wat nodig is om binnen twee maanden toe te werken naar een zorgregeling waarbij de vader de kinderen op vrijdagmiddag op school ophaalt.



5.5.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de verzochte duur van een jaar. Er moeten immers nog veel stappen worden gezet.





Uitvoerbaar bij voorraad




5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 12 mei 2026 en tot 12 mei 2027;


6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.










Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 door mr. van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 18 mei 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.