Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4656
2026-05-27
Bestuursrecht
26/2554 OPIUMW VV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
geen spoedeisend belang
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2006:AX4378 Raad van State 17-05-2006
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.398 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2554 OPIUMW VV
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
de burgemeester van de gemeente Waalwijk (burgemeester), verweerder.
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 25 maart 2026, op schrift gesteld op 9 april 2026 (bestreden besluit), heeft de burgemeester vanwege een overtreding van de Opiumwet het bedrijfspand van verzoeker aan de [adres] in [plaats] per direct voor een periode van drie maanden gesloten.
1.2.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2.1.
Verzoeker voert aan dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat hij feitelijk geen gebruik meer kan maken van zijn eigendom, zijn bedrijfsactiviteiten in het pand onmogelijk zijn gemaakt, sprake is van een directe en voortdurende inbreuk op zijn eigendomsrecht en deze inbreuk voortduurt gedurende de bezwaarprocedure. Naar aanleiding van het telefonisch contact met een medewerker van deze rechtbank heeft verzoeker een nadere toelichting gegeven van het spoedeisend belang. Verzoeker is werkzaam in de werktuigbouw en gebruikt het bedrijfspand voor metaalbewerkingen, staalbewerking en reparaties. De werkzaamheden zijn direct gekoppeld aan projecten die verzoeker uitvoert bij opdrachtgevers op locatie en de werkplaats is essentieel voor de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden. Doordat verzoeker geen gebruik kan maken van het bedrijfspand, worden zijn werkzaamheden aanzienlijk belemmerd en kunnen projecten niet op normale wijze worden voorbereid en uitgevoerd.
2.2.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Wat verzoeker aanvoert beschouwt de voorzieningenrechter als zijn financieel belang. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Volgens vaste rechtspraak vormt een financieel belang op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, aangezien dit belang tot gelding kan worden gebracht als verzoeker in de bodemprocedure materieel in het gelijk zou worden gesteld. Het staat verzoeker dan vrij om, als hij meent schade geleden te hebben, schadevergoeding te vorderen. Het treffen van een voorlopige voorziening zal wel in beeld kunnen komen als het financiële belang zodanig zwaarwegend is dat sprake is van een financiële noodsituatie of de continuïteit van een onderneming wordt bedreigd. In dat geval is het treffen van een voorziening evenwel nog niet gegeven, maar is een verdere toetsing en belangenafweging noodzakelijk.
2.3.
De voorzieningenrechter is niet gebleken dat in het onderhavige geval sprake is van een zwaarwegend financieel belang als hierboven bedoeld. Weliswaar kan verzoeker financiële schade lijden door inkomstenverlies, terwijl hij wel de vaste lasten van het bedrijfspand moet doorbetalen, maar verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daardoor in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Verzoeker heeft zijn financiële situatie in het geheel niet onderbouwd met stukken. Evenmin heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van zijn onderneming door de sluiting wordt bedreigd. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat het bedrijfspand van verzoeker al sinds 25 maart 2026 is gesloten, terwijl verzoeker pas op 6 mei 2026 heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat inmiddels een zodanige nijpende situatie is ontstaan dat het essentieel is voor hem of zijn onderneming dat het bedrijfspand per direct open moet gaan.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 27 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2006:AX4378.
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/2554 OPIUMW VV
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
en
de burgemeester van de gemeente Waalwijk (burgemeester), verweerder.
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 25 maart 2026, op schrift gesteld op 9 april 2026 (bestreden besluit), heeft de burgemeester vanwege een overtreding van de Opiumwet het bedrijfspand van verzoeker aan de [adres] in [plaats] per direct voor een periode van drie maanden gesloten.
1.2.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
1.3.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2.1.
Verzoeker voert aan dat sprake is van een spoedeisend belang, omdat hij feitelijk geen gebruik meer kan maken van zijn eigendom, zijn bedrijfsactiviteiten in het pand onmogelijk zijn gemaakt, sprake is van een directe en voortdurende inbreuk op zijn eigendomsrecht en deze inbreuk voortduurt gedurende de bezwaarprocedure. Naar aanleiding van het telefonisch contact met een medewerker van deze rechtbank heeft verzoeker een nadere toelichting gegeven van het spoedeisend belang. Verzoeker is werkzaam in de werktuigbouw en gebruikt het bedrijfspand voor metaalbewerkingen, staalbewerking en reparaties. De werkzaamheden zijn direct gekoppeld aan projecten die verzoeker uitvoert bij opdrachtgevers op locatie en de werkplaats is essentieel voor de voorbereiding en uitvoering van de werkzaamheden. Doordat verzoeker geen gebruik kan maken van het bedrijfspand, worden zijn werkzaamheden aanzienlijk belemmerd en kunnen projecten niet op normale wijze worden voorbereid en uitgevoerd.
2.2.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Wat verzoeker aanvoert beschouwt de voorzieningenrechter als zijn financieel belang. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Volgens vaste rechtspraak vormt een financieel belang op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen, aangezien dit belang tot gelding kan worden gebracht als verzoeker in de bodemprocedure materieel in het gelijk zou worden gesteld. Het staat verzoeker dan vrij om, als hij meent schade geleden te hebben, schadevergoeding te vorderen. Het treffen van een voorlopige voorziening zal wel in beeld kunnen komen als het financiële belang zodanig zwaarwegend is dat sprake is van een financiële noodsituatie of de continuïteit van een onderneming wordt bedreigd. In dat geval is het treffen van een voorziening evenwel nog niet gegeven, maar is een verdere toetsing en belangenafweging noodzakelijk.
2.3.
De voorzieningenrechter is niet gebleken dat in het onderhavige geval sprake is van een zwaarwegend financieel belang als hierboven bedoeld. Weliswaar kan verzoeker financiële schade lijden door inkomstenverlies, terwijl hij wel de vaste lasten van het bedrijfspand moet doorbetalen, maar verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daardoor in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. Verzoeker heeft zijn financiële situatie in het geheel niet onderbouwd met stukken. Evenmin heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat de continuïteit van zijn onderneming door de sluiting wordt bedreigd. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter nog op dat het bedrijfspand van verzoeker al sinds 25 maart 2026 is gesloten, terwijl verzoeker pas op 6 mei 2026 heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft niet onderbouwd dat inmiddels een zodanige nijpende situatie is ontstaan dat het essentieel is voor hem of zijn onderneming dat het bedrijfspand per direct open moet gaan.
Conclusie en gevolgen
3. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Schouw, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 27 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2006:AX4378.