Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4599
2026-02-25
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/02/436311 / HA ZA 25-338 (T)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Mondelinge overeenkomst stalling paarden. Betaling facturen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:HR:1977:AC1877 Hoge Raad 11-03-1977
- ECLI:NL:HR:2021:1615 Hoge Raad 29-10-2021
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (33.429 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/436311 / HA ZA 25-338
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[persoon 1]
, handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. J. van Dooren,
tegen
1 [persoon 2] ,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [persoon 2] ,2. [bedrijf 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [bedrijf 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaten: mr. R.F. de Jong en mr. J.J.M. Leistra.
1De zaak in het kort
1.1.
[persoon 1] heeft een stal en houdt zich daarnaast bezig met het beslaan van paarden. In januari 2024 heeft [persoon 1] een mondelinge overeenkomst gesloten met (volgens hem) [persoon 2] op basis waarvan een aantal paarden bij hem zijn gestald die hij ook periodiek beslaat, tegen een vergoeding. Vanaf juli 2024 worden de facturen van [persoon 1] , die op verzoek van [persoon 2] op naam van diens vennootschap [bedrijf 2] zijn gesteld, hiervoor niet meer betaald. [persoon 1] vordert daarom betaling van deze facturen primair van [persoon 2] en subsidiair van [bedrijf 2] . Daarnaast wil hij de overeenkomst ontbinden en vordert hij een redelijke vergoeding voor de kosten die hij moet maken voor de verzorging van de paarden totdat de paarden bij hem weg zijn. Volgens [persoon 2] en [bedrijf 2] heeft niet [persoon 2] , maar [bedrijf 2] de overeenkomst met [persoon 1] gesloten. Daarnaast stellen zij dat [bedrijf 2] niet hoeft te betalen, omdat [persoon 1] de paarden niet goed verzorgt. Ook beroept [bedrijf 2] zich op verrekening. In reconventie vordert [bedrijf 2] betaling van het bedrag dat zij in conventie wenst te verrekenen en ontbinding van de overeenkomst met [persoon 1] .
1.2.
De rechtbank beslist dat [persoon 2] de contractspartij is en dat [persoon 2] [persoon 1] ook moet betalen. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank nog nadere informatie nodig. Verder oordeelt de rechtbank dat de overeenkomst zal worden ontbonden en dat [persoon 2] een redelijke vergoeding moet betalen voor de kosten die [persoon 1] maakt zolang de paarden nog bij [persoon 1] staan. De verweren van [persoon 2] en [bedrijf 2] slagen niet en ook de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 september 2025 met de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 en 15;
- de akte in het geding brengen stukken met producties 16 tot en met 20 van [persoon 1] ;
- productie 4 van [persoon 2] en [bedrijf 2] ;
- de akte vermeerdering van eis van [persoon 1] ;
- de spreekaantekeningen van mr. Van Dooren;
- de spreekaantekeningen van mr. Leistra;
- de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[persoon 1] exploiteert een onderneming gericht op het fokken en houden van paarden en ezels.
3.2.
[persoon 2] houdt zich zowel particulier, als zakelijk (via [bedrijf 2] ) bezig met paarden.
3.3.
Sinds 2015 beslaat [persoon 1] met enige regelmaat de paarden van [persoon 2] .
3.4.
Op 24 maart 2022 is een koopovereenkomst gesloten waarbij [persoon 1] een paardenvrachtwagen zou verkopen voor een bedrag van € 33.880,00. Deze koopovereenkomst is ondertekend door [persoon 1] en [persoon 2] en is op enig moment ontbonden, omdat de vrachtwagen vanwege een beslag niet geleverd kon worden.
3.5.
[bedrijf 2] is op 8 juni 2022 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
3.6.
In januari 2024 is een mondelinge overeenkomst gesloten met [persoon 1] voor de verzorging, stalling, voeren en het beslaan van paarden.
3.7.
Aanvankelijk werden de kosten hiervan contant betaald door [persoon 2] aan [persoon 1] . Op verzoek van [persoon 2] is [persoon 1] in juni 2024 facturen gaan sturen voor deze kosten met de tenaamstelling [bedrijf 2] .
3.8.
Bij [persoon 1] staan nog vier paarden gestald die vallen onder deze mondelinge overeenkomst:
[paard 1] , sinds 5 januari 2024;
[paard 2] , sinds 24 mei 2024;
[paard 3] , sinds 19 juni 2024;
[paard 4] , sinds 19 juni 2024.
3.9.
Vanaf juli 2024 zijn de facturen die [persoon 1] heeft gestuurd onbetaald gebleven.
3.10.
[persoon 1] heeft [persoon 2] meermalen per WhatsApp en per sms verzocht om de openstaande facturen te betalen.
3.11.
Per brief van 16 december 2024 heeft [persoon 1] [persoon 2] gesommeerd om de openstaande facturen ter hoogte van (dan) € 12.940,00 binnen 14 dagen te betalen.
3.12.
Op 20 maart 2025 heeft de advocaat van [persoon 1] [persoon 2] gesommeerd om de openstaande facturen van (op dat moment) in totaal € 33.585,31 binnen 14 dagen te voldoen.
3.13.
[persoon 1] beroept zich op het retentierecht voor de paarden die bij hem staan.
4Het geschil
in conventie
4.1.
[persoon 1] vordert – na eisvermeerdering – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
De tussen [persoon 2] en [persoon 1] gesloten overeenkomst van opdracht per datum vonnis te ontbinden;
[persoon 2] te veroordelen om aan [persoon 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 50.535,49, zijnde het loon van de juli 2024 tot en met december 2025, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van deze facturen, althans vanaf 30 december 2024, althans vanaf 5 april 2025, althans vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening;
[persoon 2] te veroordelen om aan [persoon 1] te betalen een redelijk bedrag te betalen voor het stallen en verzorgen van de paarden vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst tot en met de datum dat de paarden uit de stal van [persoon 1] worden opgehaald dan wel verwijderd;
5. [persoon 2] te veroordelen tot afgifte van de paspoorten van de paarden van [persoon 2] die bij [persoon 1] zijn gestald, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag per paard dat [persoon 2] aan dit bevel geen gehoor geeft;
6. [persoon 2] te veroordelen om aan [persoon 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 1.171,95 althans een door uw rechtbank naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het verzuim tot de dag der algehele voldoening;
7. [persoon 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten à € 173 (zonder betekening) respectievelijk € 263 (met betekening) en vermeerderd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als zij deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis heeft betaald.
Voorwaardelijk:
Voor zover de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van oordeel is dat niet is aangetoond dat [persoon 2] in deze kwestie kan worden aangemerkt als contractspartij, stelt [persoon 1] zich op het voorwaardelijke standpunt dat er tussen [persoon 1] en [bedrijf 2] een overeenkomst van opdracht is gesloten. In dat geval geldt de volgende voorwaardelijke vordering om bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
De tussen [bedrijf 2] en [persoon 1] gesloten overeenkomst van opdracht per datum vonnis te ontbinden;
[bedrijf 2] te veroordelen tot afgifte van de paspoorten van de paarden die zij bij [persoon 1] heeft gestald, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag per paard dat [persoon 2] aan dit bevel geen gehoor geeft met een maximum van € 15.000,00;
[bedrijf 2] te veroordelen om aan [persoon 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 50.535,49, zijnde het loon van de juli 2024 tot en met december 2025, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van deze facturen, althans vanaf 30 december 2024, althans vanaf 5 april 2025, althans vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening;
[bedrijf 2] te veroordelen om aan [persoon 1] te betalen een redelijk bedrag te betalen voor het stallen en verzorgen van de paarden vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst tot en met de datum dat de paarden uit de stal van [persoon 1] worden opgehaald dan wel verwijderd;
[bedrijf 2] te veroordelen om aan [persoon 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 1.171,95 althans een door uw rechtbank naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het verzuim tot de dag der algehele voldoening;
[bedrijf 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten à € 173 (zonder betekening) respectievelijk € 263 (met betekening) en vermeerderd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als zij deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis heeft betaald.
4.2.
[persoon 1] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij met [persoon 2] een overeenkomst heeft op basis waarvan [persoon 2] paarden bij hem stalt die [persoon 1] verzorgt en beslaat. [persoon 1] heeft voor de stalling van de paarden van [persoon 2] en zijn werkzaamheden facturen gestuurd, maar [persoon 2] betaalt deze facturen al enige tijd niet meer. Op verzoek van [persoon 2] zijn de facturen medio juni 2024 op naam van diens onderneming [bedrijf 2] gesteld. Voor zover de rechtbank zou oordelen dat niet [persoon 2] maar [bedrijf 2] de contractspartij is, heeft [persoon 1] [bedrijf 2] voorwaardelijk gedagvaard.
4.3.
[persoon 2] en [bedrijf 2] voeren verweer. [persoon 2] en [bedrijf 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[persoon 2] en [bedrijf 2] stellen zich op het standpunt dat niet [persoon 2] , maar [bedrijf 2] de contractspartij van [persoon 1] is. Verder zijn de facturen onduidelijk. Daarnaast heeft [persoon 1] volgens hen de paarden ernstig verwaarloosd, waardoor [bedrijf 2] niet langer gehouden is om de facturen te betalen. Bovendien heeft [persoon 1] verhinderd dat de paarden worden opgehaald. Het is daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [persoon 1] aanspraak maakt op betaling. Ook is [bedrijf 2] nooit akkoord gegaan met verhoging van de prijs in 2025. Ten slotte heeft [bedrijf 2] nog recht op restitutie van een koopsom in verband met een ontbonden koopovereenkomst voor een vrachtwagen. [bedrijf 2] beroept zich op verrekening.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.6.
[bedrijf 2] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
De overeenkomst van opdracht tussen [persoon 1] en [bedrijf 2] te ontbinden en voor zover de rechtbank besluit de overeenkomst niet te ontbinden te bepalen dat de overeenkomst is geëindigd door opzegging door [bedrijf 2] ;
[persoon 1] te veroordelen om een bedrag van € 33.800,00 te betalen aan [bedrijf 2] .
[persoon 1] te veroordelen in de proceskosten in reconventie.
4.7.
[bedrijf 2] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [persoon 1] tekort is geschoten door de paarden te verwaarlozen. Daarnaast heeft [bedrijf 2] nog recht op restitutie van een bedrag van € 33.800,00, omdat een koopovereenkomst voor een vrachtwagen is ontbonden nadat het niet mogelijk bleek voor [persoon 1] om die vrachtwagen te leveren.
4.8.
[persoon 1] voert verweer. [persoon 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf 2] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.9.
[persoon 1] betwist dat [bedrijf 2] een overeenkomst heeft met hem. Niet [bedrijf 2] , maar [persoon 2] is de contractspartij. Bovendien is niet [persoon 1] , maar [persoon 2] / [bedrijf 2] tekortgeschoten. [persoon 1] betwist dat hij de paarden heeft verwaarloosd. [persoon 2] / [bedrijf 2] heeft ook nooit geklaagd. Daarnaast heeft [persoon 1] zijn vrachtwagen niet verkocht aan [bedrijf 2] , maar aan [persoon 2] . [persoon 2] (of [bedrijf 2] ) heeft de koopprijs nooit betaald. Er valt daarom niks te restitueren.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in conventie en in reconventie
De eisvermeerdering van [persoon 1] wordt toegestaan
5.1.
Ter zitting heeft [persoon 1] een akte vermeerdering van eis ingediend. De vermeerdering ziet op de facturen die onbetaald zijn gebleven in de periode mei tot en met november 2025. [persoon 2] en [bedrijf 2] hebben bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. Volgens hen is de eisvermeerdering in strijd met de goede procesorde, omdat zij niet in de mogelijkheid zijn om op zitting te controleren of het bedrag juist is.
5.2.
De rechtbank zal de eisvermeerdering toestaan. Uit de wet volgt dat eiser bevoegd is om zijn eis te vermeerderen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. De gedaagde kan daar bezwaar tegen maken op de grond dat de eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde. [persoon 2] en [bedrijf 2] hebben er op gewezen dat zij op de zitting geconfronteerd worden met een hoger bedrag gebaseerd op facturen waar zij nog niet op hebben kunnen reageren. De rechtbank constateert echter dat [persoon 1] de facturen behorend bij de eiswijziging al eerder bij akte tijdig voorafgaand aan de zitting heeft ingediend. [persoon 2] en [bedrijf 2] zijn daarom vóór de zitting al bekend geworden met deze facturen en worden geacht om in staat te zijn daar ter zitting op te reageren. De rechtbank ziet daarom geen reden om de eisvermeerdering te weigeren, noch om [persoon 2] en [bedrijf 2] in de gelegenheid te stellen om bij akte op de eisvermeerdering te reageren.
[persoon 2] is de contractspartij van [persoon 1]
5.3.
Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag wie de contractspartij van [persoon 1] is. Volgens [persoon 1] heeft hij in januari 2024 mondeling een overeenkomst gesloten met [persoon 2] . Volgens [persoon 2] heeft [persoon 1] een overeenkomst gesloten met zijn onderneming [bedrijf 2] . Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat [persoon 1] een overeenkomst heeft gesloten met [persoon 2] . [persoon 1] heeft gesteld – en [persoon 2] heeft niet betwist – dat de overeenkomst in januari 2024 mondeling is gesloten met [persoon 2] . [persoon 2] heeft niet verklaard dat hij toen heeft gezegd of op een andere manier heeft laten blijken dat niet hij, maar [bedrijf 2] de contractspartij is. Dat had wel voor de hand gelegen, zeker omdat [persoon 2] al eerder persoonlijk een overeenkomst had gesloten met [persoon 1] . Er zijn met andere woorden geen verklaringen waaruit [persoon 1] had moeten afleiden dat [bedrijf 2] de contractspartij was. Uit het enkele feit dat later, in juni 2024, door [persoon 2] is verzocht om de facturen op naam van [bedrijf 2] te zetten, kan niet worden afgeleid dat [bedrijf 2] de contractspartij is en was. Daar komt nog bij dat [persoon 2] tot die tijd de verschuldigde bedragen persoonlijk contant betaalde en de eerste facturen ook van zijn persoonlijke rekening heeft betaald.
[persoon 2] moet betalen; het precieze bedrag is nog onduidelijk
5.5.
[persoon 1] stelt dat hij in totaal € 50.535,49 te vorderen heeft van [persoon 2] bestaande uit het loon over de maanden juli 2024 tot en met december 2025. Als productie 16 bij akte heeft [persoon 1] de bij de vordering behorende facturen overgelegd. [persoon 2] betwist dat de facturen juist zijn. Volgens [persoon 2] zijn de facturen onvoldoende gespecificeerd. [persoon 2] heeft zijn betwisting naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd. [persoon 2] weet zelf welke paarden bij [persoon 1] hebben gestaan. Dat [persoon 2] zijn paarden bij [persoon 1] heeft gestald en dat [persoon 1] werkzaamheden, zoals het beslaan van paarden, heeft gedaan waarvoor [persoon 2] opdracht heeft gegeven, heeft [persoon 2] niet betwist. Dat hij daarvoor moet betalen, is evenmin betwist. Gelet hierop had van [persoon 2] mogen worden verwacht dat hij onderbouwd zou aangeven waarom de facturen en dus het gevorderde bedrag niet juist zijn. Dat heeft hij niet gedaan. [persoon 2] heeft bovendien niet eerder geprotesteerd tegen de hoogte van de facturen, bijvoorbeeld toen hij de facturen ontving. Ook dat had voor de hand gelegen als de facturen niet juist waren. Dat [persoon 2] nu stelt dat hij de facturen onduidelijk zijn, betekent ten slotte niet dat hij niet hoeft te betalen voor de stalling van de paarden en de werkzaamheden waartoe hij opdracht heeft gegeven. De conclusie is dat [persoon 2] [persoon 1] zal moeten betalen.
5.6.
Op twee punten zijn de facturen en het gevorderde bedrag wel voldoende betwist. Allereerst vordert [persoon 1] betaling van [factuurnummer] ter hoogte van € 17.365,29. Deze factuur is ten opzichte van de andere facturen opvallend hoog. Ter zitting is gebleken dat de factuur ziet op de kosten voor het beslaan van verschillende paarden in 2022 en 2023. Omdat [persoon 1] stelt dat hij in januari 2024 een overeenkomst heeft gesloten met [persoon 2] , heeft [persoon 1] voor de vordering tot betaling van deze factuur onvoldoende gesteld. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom in het eindvonnis afwijzen.
5.7.
[persoon 1] stelt verder dat de kosten voor de stalling in 2024 voor een paard € 360,00 per maand en voor een pony € 340,00 per maand bedroegen. In 2025 zijn deze prijzen verhoogd naar € 410,00 respectievelijk € 390,00 per maand. [persoon 2] betwist dat hij heeft ingestemd met deze prijsverhoging. [persoon 1] heeft vervolgens enkel gezegd dat hij [persoon 2] per e-mail heeft geattendeerd op de prijsverhoging. Daaruit volgt echter niet dat [persoon 2] daar ook mee heeft ingestemd. [persoon 1] heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende gesteld dat in 2025 een prijsverhoging is overeengekomen.
5.8.
[persoon 2] heeft de prijzen in 2024 niet betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van deze prijzen. Onduidelijk is wat dit betekent voor de vordering van [persoon 1] . De vordering van [persoon 1] ziet namelijk voor een groot deel op 2025, waarbij de facturen zijn opgesteld aan de hand van prijzen waarvan hiervoor is geoordeeld dat onvoldoende gesteld is dat deze zijn overeengekomen. De rechtbank zal de zaak daarom naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van [persoon 1] . In deze akte moet [persoon 1] zich uitlaten over de hoogte van zijn vordering als uitgegaan wordt van de prijzen uit 2024. [persoon 2] en [bedrijf 2] mogen hier vervolgens per antwoordakte op reageren.
Het verweer slaagt niet; de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen
5.9.
[persoon 2] stelt dat [persoon 1] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Volgens [persoon 2] heeft [persoon 1] de paarden verwaarloosd. Voor zover dit al vast zou komen te staan, volgt uit de wet niet dat [persoon 2] bij een tekortkoming niet hoeft te betalen. Dat zou anders kunnen zijn, bijvoorbeeld op het moment dat [persoon 2] rechtsgeldig zijn betalingsverplichting heeft opgeschort. Voor zover [persoon 2] een beroep heeft willen doen op opschorting, is de rechtbank van oordeel dat [persoon 2] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [persoon 1] de paarden heeft verwaarloosd. [persoon 2] wijst op een appje van 27 juni 2024, maar de rechtbank kan daaruit niet afleiden dat [persoon 1] de paarden heeft verwaarloosd. Laat staan zodanig dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst die opschorting van de (gehele) betalingsverplichting rechtvaardigt. [persoon 2] heeft bovendien ter zitting verklaard dat het na juni 2024 weer een tijdje goed is gegaan. [persoon 2] heeft nog gesteld dat hij een paard zes keer heeft moeten opereren en uiteindelijk heeft moeten laten inslapen door toedoen van [persoon 1] . [persoon 2] heeft die stelling echter pas op zitting ingenomen en overigens ook onvoldoende onderbouwd.
5.10.
Dat [persoon 2] moet betalen is verder niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [persoon 2] stelt dat hij de paarden wilde ophalen, maar dat [persoon 1] dat niet heeft toegestaan. [persoon 1] heeft zich echter beroepen op het retentierecht van artikel 3:290 Burgerlijk Wetboek (BW). Dat wil zeggen dat hij de verplichting om de paarden terug te geven kan opschorten totdat [persoon 2] zijn vordering heeft betaald. Uit wat hiervoor staat, volgt dat [persoon 1] een vordering heeft op [persoon 2] en dat [persoon 2] niet betaald. [persoon 1] kan zich dus op het retentierecht beroepen. [persoon 2] heeft daarmee zelf in de hand wanneer hij de paarden kan ophalen, namelijk nadat hij de vordering van [persoon 1] heeft betaald.
5.11.
Ten slotte stellen [bedrijf 2] en [persoon 2] dat [bedrijf 2] nog een bedrag van € 33.800,00 te vorderen heeft van [persoon 1] . [bedrijf 2] wil dit bedrag in conventie verrekenen met de vordering van [persoon 1] en vordert in reconventie betaling van dit bedrag. Ten aanzien van het verrekeningsverweer in conventie constateert de rechtbank dat hiervoor is geoordeeld dat niet [bedrijf 2] , maar [persoon 2] de contractspartij is van [persoon 1] . Als [bedrijf 2] stelt dat zij iets te vorderen heeft van [persoon 1] , kan zij dat niet verrekenen met een vordering van [persoon 1] op [persoon 2] . Voor verrekening is namelijk nodig dat sprake is van een vordering op en een schuld aan dezelfde wederpartij. Het verrekeningsverweer slaagt daarom niet.
5.12.
De vordering in reconventie van [bedrijf 2] zal worden afgewezen in het eindvonnis. Daarvoor heeft [bedrijf 2] te weinig gesteld. [persoon 1] betwist namelijk dat hij de koopovereenkomst voor de paardenvrachtwagen heeft gesloten met [bedrijf 2] (en overigens ook dat de koopsom is betaald). [persoon 1] heeft er op gewezen dat de koopovereenkomst is gesloten op 24 maart 2022, terwijl [bedrijf 2] pas op 8 juni 2022 is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. [bedrijf 2] kan dus geen vordering hebben op basis van ontbinding van deze koopovereenkomst. [bedrijf 2] heeft hier vervolgens niet meer op gereageerd. [bedrijf 2] heeft daarom onvoldoende gesteld dat zij een vordering heeft op [persoon 1] .
De overeenkomst zal worden ontbonden zoals gevorderd door [persoon 1]
5.13.
[persoon 1] vordert in conventie ontbinding van de overeenkomst met [persoon 2] . Die vordering zal worden toegewezen in het eindvonnis. Hiervoor is vastgesteld dat [persoon 2] [persoon 1] moet betalen voor de door [persoon 1] verleende diensten. [persoon 2] heeft dat niet gedaan en schiet daarmee tekort in de nakoming van de overeenkomst. Die tekortkoming rechtvaardigt ook de ontbinding van de overeenkomst. [persoon 2] betaalt al geruime tijd niet meer. [persoon 2] is gesommeerd door [persoon 1] om te betalen, maar heeft daar niet aan voldaan. [persoon 2] is dus ook in verzuim.
5.14.
Dit vordering in reconventie van [bedrijf 2] tot ontbinding/opzegging van de overeenkomst zal worden afgewezen. Hiervoor is al geoordeeld dat niet [bedrijf 2] , maar [persoon 2] een overeenkomst met [persoon 1] heeft. Alleen daarom kan de vordering al niet slagen. De overeenkomst van [persoon 2] met [persoon 1] zal bovendien worden ontbonden op vordering van [persoon 1] .
5.15.
[persoon 1] vordert dat [persoon 2] vanaf de datum van de ontbinding totdat de paarden uit de stal zijn opgehaald of verwijderd, een redelijk bedrag moet betalen aan hem voor het stallen en verzorgen van de paarden. [persoon 1] heeft zijn vordering gebaseerd op artikel 6:277 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat als een overeenkomst wordt ontbonden, de partij die tekortgeschoten is de schade moet vergoeden die zijn wederpartij lijdt doordat de overeenkomst niet wordt nagekomen, maar ontbonden. [persoon 1] vordert niet de in dit artikel bedoelde schade, maar vordert vergoeding van de kosten die hij moet maken omdat de paarden nog steeds bij hem staan. De rechtbank zal daarom ambtshalve de rechtsgronden aanvullen. [persoon 1] beroept zich ten aanzien van de paarden op het retentierecht. Uit artikel 3:293 BW volgt dat het retentierecht mede kan worden uitgeoefend voor de kosten die de schuldeiser, hier [persoon 1] , heeft moeten maken ter zake van de zorg die hij krachtens de wet ten aanzien van de zaak in acht moet nemen. [persoon 1] heeft op grond van de wet de zorgplicht om de paarden te verzorgen totdat ze zijn opgehaald of afgeleverd. Dat volgt uit artikel 6:27 BW. Uit de wet volgt daarmee dat [persoon 2] , zolang de paarden bij [persoon 1] staan, de redelijke kosten voor de stalling en verzorging moet betalen. Ter zitting heeft [persoon 1] gesteld het niet mogelijk is om een paard te houden onder € 275,00 aan kosten per maand. [persoon 2] heeft dat niet betwist. De rechtbank stelt daarom vast dat [persoon 2] dit bedrag als redelijke kosten moet betalen totdat de paarden weg zijn bij [persoon 1] .
De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van verzuim
5.16.
[persoon 1] vordert wettelijke rente over de facturen vanaf de vervaldata. [persoon 1] verwijst hiervoor naar de door hem gehanteerde algemene voorwaarden waar in 9.2 staat dat facturen binnen 14 dagen betaald moeten worden en in 9.3 staat dat de opdrachtgever bij overschrijding van deze termijn van rechtswege in verzuim is. [persoon 2] betwist dat deze algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard en betwist ook dat deze ter hand zijn gesteld. [persoon 1] heeft vervolgens gesteld dat hij mondeling heeft gezegd dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat deze in de kantine of op zijn kantoor liggen. Verder heeft [persoon 1] gesteld dat de algemene voorwaarden later per e-mail bij de facturen zijn gevoegd. [persoon 2] heeft betwist dat over algemene voorwaarden gesproken is en dat deze in de kantine lagen. Volgens hem zijn er pas sinds het conflict algemene voorwaarden.
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat [persoon 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de mondelinge overeenkomst door [persoon 1] ter hand zijn gesteld of gemakkelijk toegankelijk waren bij de stal. Dat de algemene voorwaarden later bij de facturen zijn gevoegd, is onvoldoende. [persoon 2] heeft de vernietiging van de algemene voorwaarden ingeroepen op de grond dat deze hem niet ter hand zijn gesteld. De algemene voorwaarden zijn daarom niet van toepassing.
5.18.
[persoon 1] stelt verder dat hij [persoon 2] heeft gesommeerd om te betalen bij brief van 16 december 2024 en nogmaals op 20 maart 2025. De rechtbank zal daarom in het eindvonnis de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijzen vanaf 30 december 2024 voor de bedragen die per 16 december 2024 opeisbaar waren en vanaf 5 april 2025 voor de bedragen die op 20 maart 2025 opeisbaar waren. Voor de bedragen die daarna opeisbaar zijn geworden zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding (5 juni 2025) dan wel de datum van de eisvermeerdering (3 december 2025).
De vordering tot afgifte van de paardenpaspoorten wordt afgewezen
5.19.
[persoon 1] vordert verder afgifte van de paardenpaspoorten. Volgens [persoon 1] is hij verplicht over deze paspoorten te beschikking voor het geval de NVWA de stal van [persoon 1] controleert of de dierenarts medicatie voorschrijft. Die vordering zal worden afgewezen. [persoon 2] betwist dat hij gehouden is om deze paspoorten af te geven. [persoon 2] stelt daarnaast dat zowel hij als [bedrijf 2] geen eigenaar zijn van de paarden. [persoon 2] wijst er bovendien op dat [persoon 1] geen belang meer heeft bij deze vordering, omdat de overeenkomst wordt ontbonden. De rechtbank constateert dat [persoon 1] geen grondslag heeft aangevoerd voor deze vordering. Hij heeft de paardenpaspoorten ook niet eerder aan [persoon 2] gevraagd. Bovendien heeft [persoon 1] , in het licht van de gevorderde ontbinding, onvoldoende uiteengezet wat zijn belang is bij deze vordering.
Conclusie
5.20.
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van [persoon 1] over hetgeen vermeld staat in randnummer 5.8.
5.21.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 maart 2026 voor het nemen van akte door [persoon 1] over wat is vermeld onder 5.8, waarna de wederpartij op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,
in conventie en in reconventie
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
Artikel 130 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbenbijter).
HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615, r.o. 3.2.
Productie 1 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie.
Artikel 6:127 lid 2 BW.
Artikel 25 Rv.
Artikel 6:233 sub b BW.
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/436311 / HA ZA 25-338
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[persoon 1]
, handelend onder de naam [bedrijf 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. J. van Dooren,
tegen
1 [persoon 2] ,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [persoon 2] ,2. [bedrijf 2] B.V.,
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [bedrijf 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
advocaten: mr. R.F. de Jong en mr. J.J.M. Leistra.
1De zaak in het kort
1.1.
[persoon 1] heeft een stal en houdt zich daarnaast bezig met het beslaan van paarden. In januari 2024 heeft [persoon 1] een mondelinge overeenkomst gesloten met (volgens hem) [persoon 2] op basis waarvan een aantal paarden bij hem zijn gestald die hij ook periodiek beslaat, tegen een vergoeding. Vanaf juli 2024 worden de facturen van [persoon 1] , die op verzoek van [persoon 2] op naam van diens vennootschap [bedrijf 2] zijn gesteld, hiervoor niet meer betaald. [persoon 1] vordert daarom betaling van deze facturen primair van [persoon 2] en subsidiair van [bedrijf 2] . Daarnaast wil hij de overeenkomst ontbinden en vordert hij een redelijke vergoeding voor de kosten die hij moet maken voor de verzorging van de paarden totdat de paarden bij hem weg zijn. Volgens [persoon 2] en [bedrijf 2] heeft niet [persoon 2] , maar [bedrijf 2] de overeenkomst met [persoon 1] gesloten. Daarnaast stellen zij dat [bedrijf 2] niet hoeft te betalen, omdat [persoon 1] de paarden niet goed verzorgt. Ook beroept [bedrijf 2] zich op verrekening. In reconventie vordert [bedrijf 2] betaling van het bedrag dat zij in conventie wenst te verrekenen en ontbinding van de overeenkomst met [persoon 1] .
1.2.
De rechtbank beslist dat [persoon 2] de contractspartij is en dat [persoon 2] [persoon 1] ook moet betalen. Voor de hoogte van het toe te wijzen bedrag heeft de rechtbank nog nadere informatie nodig. Verder oordeelt de rechtbank dat de overeenkomst zal worden ontbonden en dat [persoon 2] een redelijke vergoeding moet betalen voor de kosten die [persoon 1] maakt zolang de paarden nog bij [persoon 1] staan. De verweren van [persoon 2] en [bedrijf 2] slagen niet en ook de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 10 september 2025 met de daarin genoemde stukken;
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 en 15;
- de akte in het geding brengen stukken met producties 16 tot en met 20 van [persoon 1] ;
- productie 4 van [persoon 2] en [bedrijf 2] ;
- de akte vermeerdering van eis van [persoon 1] ;
- de spreekaantekeningen van mr. Van Dooren;
- de spreekaantekeningen van mr. Leistra;
- de mondelinge behandeling van 3 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[persoon 1] exploiteert een onderneming gericht op het fokken en houden van paarden en ezels.
3.2.
[persoon 2] houdt zich zowel particulier, als zakelijk (via [bedrijf 2] ) bezig met paarden.
3.3.
Sinds 2015 beslaat [persoon 1] met enige regelmaat de paarden van [persoon 2] .
3.4.
Op 24 maart 2022 is een koopovereenkomst gesloten waarbij [persoon 1] een paardenvrachtwagen zou verkopen voor een bedrag van € 33.880,00. Deze koopovereenkomst is ondertekend door [persoon 1] en [persoon 2] en is op enig moment ontbonden, omdat de vrachtwagen vanwege een beslag niet geleverd kon worden.
3.5.
[bedrijf 2] is op 8 juni 2022 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.
3.6.
In januari 2024 is een mondelinge overeenkomst gesloten met [persoon 1] voor de verzorging, stalling, voeren en het beslaan van paarden.
3.7.
Aanvankelijk werden de kosten hiervan contant betaald door [persoon 2] aan [persoon 1] . Op verzoek van [persoon 2] is [persoon 1] in juni 2024 facturen gaan sturen voor deze kosten met de tenaamstelling [bedrijf 2] .
3.8.
Bij [persoon 1] staan nog vier paarden gestald die vallen onder deze mondelinge overeenkomst:
[paard 1] , sinds 5 januari 2024;
[paard 2] , sinds 24 mei 2024;
[paard 3] , sinds 19 juni 2024;
[paard 4] , sinds 19 juni 2024.
3.9.
Vanaf juli 2024 zijn de facturen die [persoon 1] heeft gestuurd onbetaald gebleven.
3.10.
[persoon 1] heeft [persoon 2] meermalen per WhatsApp en per sms verzocht om de openstaande facturen te betalen.
3.11.
Per brief van 16 december 2024 heeft [persoon 1] [persoon 2] gesommeerd om de openstaande facturen ter hoogte van (dan) € 12.940,00 binnen 14 dagen te betalen.
3.12.
Op 20 maart 2025 heeft de advocaat van [persoon 1] [persoon 2] gesommeerd om de openstaande facturen van (op dat moment) in totaal € 33.585,31 binnen 14 dagen te voldoen.
3.13.
[persoon 1] beroept zich op het retentierecht voor de paarden die bij hem staan.
4Het geschil
in conventie
4.1.
[persoon 1] vordert – na eisvermeerdering – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
De tussen [persoon 2] en [persoon 1] gesloten overeenkomst van opdracht per datum vonnis te ontbinden;
[persoon 2] te veroordelen om aan [persoon 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 50.535,49, zijnde het loon van de juli 2024 tot en met december 2025, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van deze facturen, althans vanaf 30 december 2024, althans vanaf 5 april 2025, althans vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening;
[persoon 2] te veroordelen om aan [persoon 1] te betalen een redelijk bedrag te betalen voor het stallen en verzorgen van de paarden vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst tot en met de datum dat de paarden uit de stal van [persoon 1] worden opgehaald dan wel verwijderd;
5. [persoon 2] te veroordelen tot afgifte van de paspoorten van de paarden van [persoon 2] die bij [persoon 1] zijn gestald, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag per paard dat [persoon 2] aan dit bevel geen gehoor geeft;
6. [persoon 2] te veroordelen om aan [persoon 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 1.171,95 althans een door uw rechtbank naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het verzuim tot de dag der algehele voldoening;
7. [persoon 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten à € 173 (zonder betekening) respectievelijk € 263 (met betekening) en vermeerderd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als zij deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis heeft betaald.
Voorwaardelijk:
Voor zover de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van oordeel is dat niet is aangetoond dat [persoon 2] in deze kwestie kan worden aangemerkt als contractspartij, stelt [persoon 1] zich op het voorwaardelijke standpunt dat er tussen [persoon 1] en [bedrijf 2] een overeenkomst van opdracht is gesloten. In dat geval geldt de volgende voorwaardelijke vordering om bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
De tussen [bedrijf 2] en [persoon 1] gesloten overeenkomst van opdracht per datum vonnis te ontbinden;
[bedrijf 2] te veroordelen tot afgifte van de paspoorten van de paarden die zij bij [persoon 1] heeft gestald, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag per paard dat [persoon 2] aan dit bevel geen gehoor geeft met een maximum van € 15.000,00;
[bedrijf 2] te veroordelen om aan [persoon 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 50.535,49, zijnde het loon van de juli 2024 tot en met december 2025, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van deze facturen, althans vanaf 30 december 2024, althans vanaf 5 april 2025, althans vanaf de dag van verzuim tot de dag van algehele voldoening;
[bedrijf 2] te veroordelen om aan [persoon 1] te betalen een redelijk bedrag te betalen voor het stallen en verzorgen van de paarden vanaf de datum van ontbinding van de overeenkomst tot en met de datum dat de paarden uit de stal van [persoon 1] worden opgehaald dan wel verwijderd;
[bedrijf 2] te veroordelen om aan [persoon 1] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen wegens buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 1.171,95 althans een door uw rechtbank naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het verzuim tot de dag der algehele voldoening;
[bedrijf 2] te veroordelen in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de nakosten à € 173 (zonder betekening) respectievelijk € 263 (met betekening) en vermeerderd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als zij deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis heeft betaald.
4.2.
[persoon 1] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij met [persoon 2] een overeenkomst heeft op basis waarvan [persoon 2] paarden bij hem stalt die [persoon 1] verzorgt en beslaat. [persoon 1] heeft voor de stalling van de paarden van [persoon 2] en zijn werkzaamheden facturen gestuurd, maar [persoon 2] betaalt deze facturen al enige tijd niet meer. Op verzoek van [persoon 2] zijn de facturen medio juni 2024 op naam van diens onderneming [bedrijf 2] gesteld. Voor zover de rechtbank zou oordelen dat niet [persoon 2] maar [bedrijf 2] de contractspartij is, heeft [persoon 1] [bedrijf 2] voorwaardelijk gedagvaard.
4.3.
[persoon 2] en [bedrijf 2] voeren verweer. [persoon 2] en [bedrijf 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [persoon 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [persoon 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [persoon 1] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[persoon 2] en [bedrijf 2] stellen zich op het standpunt dat niet [persoon 2] , maar [bedrijf 2] de contractspartij van [persoon 1] is. Verder zijn de facturen onduidelijk. Daarnaast heeft [persoon 1] volgens hen de paarden ernstig verwaarloosd, waardoor [bedrijf 2] niet langer gehouden is om de facturen te betalen. Bovendien heeft [persoon 1] verhinderd dat de paarden worden opgehaald. Het is daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [persoon 1] aanspraak maakt op betaling. Ook is [bedrijf 2] nooit akkoord gegaan met verhoging van de prijs in 2025. Ten slotte heeft [bedrijf 2] nog recht op restitutie van een koopsom in verband met een ontbonden koopovereenkomst voor een vrachtwagen. [bedrijf 2] beroept zich op verrekening.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.6.
[bedrijf 2] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
De overeenkomst van opdracht tussen [persoon 1] en [bedrijf 2] te ontbinden en voor zover de rechtbank besluit de overeenkomst niet te ontbinden te bepalen dat de overeenkomst is geëindigd door opzegging door [bedrijf 2] ;
[persoon 1] te veroordelen om een bedrag van € 33.800,00 te betalen aan [bedrijf 2] .
[persoon 1] te veroordelen in de proceskosten in reconventie.
4.7.
[bedrijf 2] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [persoon 1] tekort is geschoten door de paarden te verwaarlozen. Daarnaast heeft [bedrijf 2] nog recht op restitutie van een bedrag van € 33.800,00, omdat een koopovereenkomst voor een vrachtwagen is ontbonden nadat het niet mogelijk bleek voor [persoon 1] om die vrachtwagen te leveren.
4.8.
[persoon 1] voert verweer. [persoon 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf 2] in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.9.
[persoon 1] betwist dat [bedrijf 2] een overeenkomst heeft met hem. Niet [bedrijf 2] , maar [persoon 2] is de contractspartij. Bovendien is niet [persoon 1] , maar [persoon 2] / [bedrijf 2] tekortgeschoten. [persoon 1] betwist dat hij de paarden heeft verwaarloosd. [persoon 2] / [bedrijf 2] heeft ook nooit geklaagd. Daarnaast heeft [persoon 1] zijn vrachtwagen niet verkocht aan [bedrijf 2] , maar aan [persoon 2] . [persoon 2] (of [bedrijf 2] ) heeft de koopprijs nooit betaald. Er valt daarom niks te restitueren.
4.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in conventie en in reconventie
De eisvermeerdering van [persoon 1] wordt toegestaan
5.1.
Ter zitting heeft [persoon 1] een akte vermeerdering van eis ingediend. De vermeerdering ziet op de facturen die onbetaald zijn gebleven in de periode mei tot en met november 2025. [persoon 2] en [bedrijf 2] hebben bezwaar gemaakt tegen de eisvermeerdering. Volgens hen is de eisvermeerdering in strijd met de goede procesorde, omdat zij niet in de mogelijkheid zijn om op zitting te controleren of het bedrag juist is.
5.2.
De rechtbank zal de eisvermeerdering toestaan. Uit de wet volgt dat eiser bevoegd is om zijn eis te vermeerderen zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen. De gedaagde kan daar bezwaar tegen maken op de grond dat de eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde. [persoon 2] en [bedrijf 2] hebben er op gewezen dat zij op de zitting geconfronteerd worden met een hoger bedrag gebaseerd op facturen waar zij nog niet op hebben kunnen reageren. De rechtbank constateert echter dat [persoon 1] de facturen behorend bij de eiswijziging al eerder bij akte tijdig voorafgaand aan de zitting heeft ingediend. [persoon 2] en [bedrijf 2] zijn daarom vóór de zitting al bekend geworden met deze facturen en worden geacht om in staat te zijn daar ter zitting op te reageren. De rechtbank ziet daarom geen reden om de eisvermeerdering te weigeren, noch om [persoon 2] en [bedrijf 2] in de gelegenheid te stellen om bij akte op de eisvermeerdering te reageren.
[persoon 2] is de contractspartij van [persoon 1]
5.3.
Partijen verschillen allereerst van mening over de vraag wie de contractspartij van [persoon 1] is. Volgens [persoon 1] heeft hij in januari 2024 mondeling een overeenkomst gesloten met [persoon 2] . Volgens [persoon 2] heeft [persoon 1] een overeenkomst gesloten met zijn onderneming [bedrijf 2] . Het antwoord op de vraag wie partij is bij een overeenkomst is afhankelijk van hetgeen partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Tot de omstandigheden die in dit verband in aanmerking moeten worden genomen, behoort ook de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin partijen optraden. Ook gedragingen, verklaringen en andere omstandigheden, die hebben plaatsgevonden nadat de overeenkomst is gesloten, kunnen van belang zijn.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat [persoon 1] een overeenkomst heeft gesloten met [persoon 2] . [persoon 1] heeft gesteld – en [persoon 2] heeft niet betwist – dat de overeenkomst in januari 2024 mondeling is gesloten met [persoon 2] . [persoon 2] heeft niet verklaard dat hij toen heeft gezegd of op een andere manier heeft laten blijken dat niet hij, maar [bedrijf 2] de contractspartij is. Dat had wel voor de hand gelegen, zeker omdat [persoon 2] al eerder persoonlijk een overeenkomst had gesloten met [persoon 1] . Er zijn met andere woorden geen verklaringen waaruit [persoon 1] had moeten afleiden dat [bedrijf 2] de contractspartij was. Uit het enkele feit dat later, in juni 2024, door [persoon 2] is verzocht om de facturen op naam van [bedrijf 2] te zetten, kan niet worden afgeleid dat [bedrijf 2] de contractspartij is en was. Daar komt nog bij dat [persoon 2] tot die tijd de verschuldigde bedragen persoonlijk contant betaalde en de eerste facturen ook van zijn persoonlijke rekening heeft betaald.
[persoon 2] moet betalen; het precieze bedrag is nog onduidelijk
5.5.
[persoon 1] stelt dat hij in totaal € 50.535,49 te vorderen heeft van [persoon 2] bestaande uit het loon over de maanden juli 2024 tot en met december 2025. Als productie 16 bij akte heeft [persoon 1] de bij de vordering behorende facturen overgelegd. [persoon 2] betwist dat de facturen juist zijn. Volgens [persoon 2] zijn de facturen onvoldoende gespecificeerd. [persoon 2] heeft zijn betwisting naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende onderbouwd. [persoon 2] weet zelf welke paarden bij [persoon 1] hebben gestaan. Dat [persoon 2] zijn paarden bij [persoon 1] heeft gestald en dat [persoon 1] werkzaamheden, zoals het beslaan van paarden, heeft gedaan waarvoor [persoon 2] opdracht heeft gegeven, heeft [persoon 2] niet betwist. Dat hij daarvoor moet betalen, is evenmin betwist. Gelet hierop had van [persoon 2] mogen worden verwacht dat hij onderbouwd zou aangeven waarom de facturen en dus het gevorderde bedrag niet juist zijn. Dat heeft hij niet gedaan. [persoon 2] heeft bovendien niet eerder geprotesteerd tegen de hoogte van de facturen, bijvoorbeeld toen hij de facturen ontving. Ook dat had voor de hand gelegen als de facturen niet juist waren. Dat [persoon 2] nu stelt dat hij de facturen onduidelijk zijn, betekent ten slotte niet dat hij niet hoeft te betalen voor de stalling van de paarden en de werkzaamheden waartoe hij opdracht heeft gegeven. De conclusie is dat [persoon 2] [persoon 1] zal moeten betalen.
5.6.
Op twee punten zijn de facturen en het gevorderde bedrag wel voldoende betwist. Allereerst vordert [persoon 1] betaling van [factuurnummer] ter hoogte van € 17.365,29. Deze factuur is ten opzichte van de andere facturen opvallend hoog. Ter zitting is gebleken dat de factuur ziet op de kosten voor het beslaan van verschillende paarden in 2022 en 2023. Omdat [persoon 1] stelt dat hij in januari 2024 een overeenkomst heeft gesloten met [persoon 2] , heeft [persoon 1] voor de vordering tot betaling van deze factuur onvoldoende gesteld. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom in het eindvonnis afwijzen.
5.7.
[persoon 1] stelt verder dat de kosten voor de stalling in 2024 voor een paard € 360,00 per maand en voor een pony € 340,00 per maand bedroegen. In 2025 zijn deze prijzen verhoogd naar € 410,00 respectievelijk € 390,00 per maand. [persoon 2] betwist dat hij heeft ingestemd met deze prijsverhoging. [persoon 1] heeft vervolgens enkel gezegd dat hij [persoon 2] per e-mail heeft geattendeerd op de prijsverhoging. Daaruit volgt echter niet dat [persoon 2] daar ook mee heeft ingestemd. [persoon 1] heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende gesteld dat in 2025 een prijsverhoging is overeengekomen.
5.8.
[persoon 2] heeft de prijzen in 2024 niet betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van deze prijzen. Onduidelijk is wat dit betekent voor de vordering van [persoon 1] . De vordering van [persoon 1] ziet namelijk voor een groot deel op 2025, waarbij de facturen zijn opgesteld aan de hand van prijzen waarvan hiervoor is geoordeeld dat onvoldoende gesteld is dat deze zijn overeengekomen. De rechtbank zal de zaak daarom naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van [persoon 1] . In deze akte moet [persoon 1] zich uitlaten over de hoogte van zijn vordering als uitgegaan wordt van de prijzen uit 2024. [persoon 2] en [bedrijf 2] mogen hier vervolgens per antwoordakte op reageren.
Het verweer slaagt niet; de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen
5.9.
[persoon 2] stelt dat [persoon 1] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst. Volgens [persoon 2] heeft [persoon 1] de paarden verwaarloosd. Voor zover dit al vast zou komen te staan, volgt uit de wet niet dat [persoon 2] bij een tekortkoming niet hoeft te betalen. Dat zou anders kunnen zijn, bijvoorbeeld op het moment dat [persoon 2] rechtsgeldig zijn betalingsverplichting heeft opgeschort. Voor zover [persoon 2] een beroep heeft willen doen op opschorting, is de rechtbank van oordeel dat [persoon 2] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [persoon 1] de paarden heeft verwaarloosd. [persoon 2] wijst op een appje van 27 juni 2024, maar de rechtbank kan daaruit niet afleiden dat [persoon 1] de paarden heeft verwaarloosd. Laat staan zodanig dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst die opschorting van de (gehele) betalingsverplichting rechtvaardigt. [persoon 2] heeft bovendien ter zitting verklaard dat het na juni 2024 weer een tijdje goed is gegaan. [persoon 2] heeft nog gesteld dat hij een paard zes keer heeft moeten opereren en uiteindelijk heeft moeten laten inslapen door toedoen van [persoon 1] . [persoon 2] heeft die stelling echter pas op zitting ingenomen en overigens ook onvoldoende onderbouwd.
5.10.
Dat [persoon 2] moet betalen is verder niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. [persoon 2] stelt dat hij de paarden wilde ophalen, maar dat [persoon 1] dat niet heeft toegestaan. [persoon 1] heeft zich echter beroepen op het retentierecht van artikel 3:290 Burgerlijk Wetboek (BW). Dat wil zeggen dat hij de verplichting om de paarden terug te geven kan opschorten totdat [persoon 2] zijn vordering heeft betaald. Uit wat hiervoor staat, volgt dat [persoon 1] een vordering heeft op [persoon 2] en dat [persoon 2] niet betaald. [persoon 1] kan zich dus op het retentierecht beroepen. [persoon 2] heeft daarmee zelf in de hand wanneer hij de paarden kan ophalen, namelijk nadat hij de vordering van [persoon 1] heeft betaald.
5.11.
Ten slotte stellen [bedrijf 2] en [persoon 2] dat [bedrijf 2] nog een bedrag van € 33.800,00 te vorderen heeft van [persoon 1] . [bedrijf 2] wil dit bedrag in conventie verrekenen met de vordering van [persoon 1] en vordert in reconventie betaling van dit bedrag. Ten aanzien van het verrekeningsverweer in conventie constateert de rechtbank dat hiervoor is geoordeeld dat niet [bedrijf 2] , maar [persoon 2] de contractspartij is van [persoon 1] . Als [bedrijf 2] stelt dat zij iets te vorderen heeft van [persoon 1] , kan zij dat niet verrekenen met een vordering van [persoon 1] op [persoon 2] . Voor verrekening is namelijk nodig dat sprake is van een vordering op en een schuld aan dezelfde wederpartij. Het verrekeningsverweer slaagt daarom niet.
5.12.
De vordering in reconventie van [bedrijf 2] zal worden afgewezen in het eindvonnis. Daarvoor heeft [bedrijf 2] te weinig gesteld. [persoon 1] betwist namelijk dat hij de koopovereenkomst voor de paardenvrachtwagen heeft gesloten met [bedrijf 2] (en overigens ook dat de koopsom is betaald). [persoon 1] heeft er op gewezen dat de koopovereenkomst is gesloten op 24 maart 2022, terwijl [bedrijf 2] pas op 8 juni 2022 is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. [bedrijf 2] kan dus geen vordering hebben op basis van ontbinding van deze koopovereenkomst. [bedrijf 2] heeft hier vervolgens niet meer op gereageerd. [bedrijf 2] heeft daarom onvoldoende gesteld dat zij een vordering heeft op [persoon 1] .
De overeenkomst zal worden ontbonden zoals gevorderd door [persoon 1]
5.13.
[persoon 1] vordert in conventie ontbinding van de overeenkomst met [persoon 2] . Die vordering zal worden toegewezen in het eindvonnis. Hiervoor is vastgesteld dat [persoon 2] [persoon 1] moet betalen voor de door [persoon 1] verleende diensten. [persoon 2] heeft dat niet gedaan en schiet daarmee tekort in de nakoming van de overeenkomst. Die tekortkoming rechtvaardigt ook de ontbinding van de overeenkomst. [persoon 2] betaalt al geruime tijd niet meer. [persoon 2] is gesommeerd door [persoon 1] om te betalen, maar heeft daar niet aan voldaan. [persoon 2] is dus ook in verzuim.
5.14.
Dit vordering in reconventie van [bedrijf 2] tot ontbinding/opzegging van de overeenkomst zal worden afgewezen. Hiervoor is al geoordeeld dat niet [bedrijf 2] , maar [persoon 2] een overeenkomst met [persoon 1] heeft. Alleen daarom kan de vordering al niet slagen. De overeenkomst van [persoon 2] met [persoon 1] zal bovendien worden ontbonden op vordering van [persoon 1] .
5.15.
[persoon 1] vordert dat [persoon 2] vanaf de datum van de ontbinding totdat de paarden uit de stal zijn opgehaald of verwijderd, een redelijk bedrag moet betalen aan hem voor het stallen en verzorgen van de paarden. [persoon 1] heeft zijn vordering gebaseerd op artikel 6:277 lid 1 BW. Dit artikel bepaalt dat als een overeenkomst wordt ontbonden, de partij die tekortgeschoten is de schade moet vergoeden die zijn wederpartij lijdt doordat de overeenkomst niet wordt nagekomen, maar ontbonden. [persoon 1] vordert niet de in dit artikel bedoelde schade, maar vordert vergoeding van de kosten die hij moet maken omdat de paarden nog steeds bij hem staan. De rechtbank zal daarom ambtshalve de rechtsgronden aanvullen. [persoon 1] beroept zich ten aanzien van de paarden op het retentierecht. Uit artikel 3:293 BW volgt dat het retentierecht mede kan worden uitgeoefend voor de kosten die de schuldeiser, hier [persoon 1] , heeft moeten maken ter zake van de zorg die hij krachtens de wet ten aanzien van de zaak in acht moet nemen. [persoon 1] heeft op grond van de wet de zorgplicht om de paarden te verzorgen totdat ze zijn opgehaald of afgeleverd. Dat volgt uit artikel 6:27 BW. Uit de wet volgt daarmee dat [persoon 2] , zolang de paarden bij [persoon 1] staan, de redelijke kosten voor de stalling en verzorging moet betalen. Ter zitting heeft [persoon 1] gesteld het niet mogelijk is om een paard te houden onder € 275,00 aan kosten per maand. [persoon 2] heeft dat niet betwist. De rechtbank stelt daarom vast dat [persoon 2] dit bedrag als redelijke kosten moet betalen totdat de paarden weg zijn bij [persoon 1] .
De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van verzuim
5.16.
[persoon 1] vordert wettelijke rente over de facturen vanaf de vervaldata. [persoon 1] verwijst hiervoor naar de door hem gehanteerde algemene voorwaarden waar in 9.2 staat dat facturen binnen 14 dagen betaald moeten worden en in 9.3 staat dat de opdrachtgever bij overschrijding van deze termijn van rechtswege in verzuim is. [persoon 2] betwist dat deze algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard en betwist ook dat deze ter hand zijn gesteld. [persoon 1] heeft vervolgens gesteld dat hij mondeling heeft gezegd dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat deze in de kantine of op zijn kantoor liggen. Verder heeft [persoon 1] gesteld dat de algemene voorwaarden later per e-mail bij de facturen zijn gevoegd. [persoon 2] heeft betwist dat over algemene voorwaarden gesproken is en dat deze in de kantine lagen. Volgens hem zijn er pas sinds het conflict algemene voorwaarden.
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat [persoon 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de mondelinge overeenkomst door [persoon 1] ter hand zijn gesteld of gemakkelijk toegankelijk waren bij de stal. Dat de algemene voorwaarden later bij de facturen zijn gevoegd, is onvoldoende. [persoon 2] heeft de vernietiging van de algemene voorwaarden ingeroepen op de grond dat deze hem niet ter hand zijn gesteld. De algemene voorwaarden zijn daarom niet van toepassing.
5.18.
[persoon 1] stelt verder dat hij [persoon 2] heeft gesommeerd om te betalen bij brief van 16 december 2024 en nogmaals op 20 maart 2025. De rechtbank zal daarom in het eindvonnis de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijzen vanaf 30 december 2024 voor de bedragen die per 16 december 2024 opeisbaar waren en vanaf 5 april 2025 voor de bedragen die op 20 maart 2025 opeisbaar waren. Voor de bedragen die daarna opeisbaar zijn geworden zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding (5 juni 2025) dan wel de datum van de eisvermeerdering (3 december 2025).
De vordering tot afgifte van de paardenpaspoorten wordt afgewezen
5.19.
[persoon 1] vordert verder afgifte van de paardenpaspoorten. Volgens [persoon 1] is hij verplicht over deze paspoorten te beschikking voor het geval de NVWA de stal van [persoon 1] controleert of de dierenarts medicatie voorschrijft. Die vordering zal worden afgewezen. [persoon 2] betwist dat hij gehouden is om deze paspoorten af te geven. [persoon 2] stelt daarnaast dat zowel hij als [bedrijf 2] geen eigenaar zijn van de paarden. [persoon 2] wijst er bovendien op dat [persoon 1] geen belang meer heeft bij deze vordering, omdat de overeenkomst wordt ontbonden. De rechtbank constateert dat [persoon 1] geen grondslag heeft aangevoerd voor deze vordering. Hij heeft de paardenpaspoorten ook niet eerder aan [persoon 2] gevraagd. Bovendien heeft [persoon 1] , in het licht van de gevorderde ontbinding, onvoldoende uiteengezet wat zijn belang is bij deze vordering.
Conclusie
5.20.
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor akte aan de zijde van [persoon 1] over hetgeen vermeld staat in randnummer 5.8.
5.21.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 maart 2026 voor het nemen van akte door [persoon 1] over wat is vermeld onder 5.8, waarna de wederpartij op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,
in conventie en in reconventie
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.
Artikel 130 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
HR 11 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC1877, NJ 1977/521 (Kribbenbijter).
HR 29 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1615, r.o. 3.2.
Productie 1 bij conclusie van antwoord tevens eis in reconventie.
Artikel 6:127 lid 2 BW.
Artikel 25 Rv.
Artikel 6:233 sub b BW.