Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4551
2026-04-24
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/447613 / JE RK 26-731
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voorlopige ondertoezichtstelling zonder voorafgaand verhoor belanghebbenden
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.080 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/447613 / JE RK 26-731
Datum uitspraak: 24 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT. locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
en
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad op 24 april 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 28 april 2026.
2De feiten
2.1.
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden zijn de ouders belast met het ouderlijk gezag.
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west te Middelburg voor de duur van drie maanden en deze maatregel onmiddellijk uit te spreken zonder hieraan voorafgaand de belanghebbenden te horen.
4De beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 1:257 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
4.2.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling aanstonds worden afgegeven, oftewel zonder partijen daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.3.
Uit de mondelinge onderbouwing van het verzoek blijkt, samengevat, onder meer het volgende. Op 23 april 2026 blijkt dat de vader dreigend en gewelddadig naar moeder is geweest en dat hij de babykamer heeft vernield. De vader heeft doodsbedreigingen geuit naar moeder. De moeder heeft hiervan aangifte gedaan en is vervolgens vrijwillig met [minderjarige] naar de Veilige Opvang gegaan. Daar heeft zij echter de vader gebeld, die haar en de baby heeft opgehaald. Iemand van de opvang heeft het kenteken van de auto genoteerd en de politie gebeld. De vader is vervolgens door de politie aangehouden en in verzekering gesteld. De vader zal worden voorgeleid, maar vooralsnog is niet duidelijk of hij vast blijft zitten en voor hoe lang. Op het moment dat hij vrij komt is de verwachting dat hij opnieuw gevaarlijk zal zijn. De moeder weigert naar een veilige opvang te gaan. Zij verblijft inmiddels bij haar ouders en acht dit voor nu veilig. Maar de moeder toont zich niet betrouwbaar, waardoor de veiligheid van [minderjarige] niet langer gegarandeerd is.
4.4.
Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter vast dat er sprake is van een situatie waarin de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Gelet daarop wordt zonder de belanghebbenden te horen op de verzoeken beslist.
4.5.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal daarom op grond van voornoemde artikel 1:257 BW voorlopig onder toezicht gesteld worden van de GI, vooralsnog voor een termijn van twee weken, met ingang van 24 april 2026 en tot 8 mei 2026. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de hierna te noemen dag en tijdstip waarop de mondelinge behandeling zal plaatsvinden.
4.6.
Verdere beslissingen op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
4.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 24 april 2026 en tot 8 mei 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.3.
roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. Borm op [datum] 2026 om [uur] (duur 45 minuten) in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
5.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is mondeling gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, op 24 april 2026, en vastgelegd in deze beschikking door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, op 28 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/447613 / JE RK 26-731
Datum uitspraak: 24 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT. locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige]
, geboren op [geboortedag] 2026 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
en
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats 2] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
het mondelinge verzoek van de Raad op 24 april 2026;
de schriftelijke bevestiging van het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 28 april 2026.
2De feiten
2.1.
Voor zover de kinderrechter dat uit de beschikbare stukken kan afleiden zijn de ouders belast met het ouderlijk gezag.
2.2.
[minderjarige] woont bij de moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west te Middelburg voor de duur van drie maanden en deze maatregel onmiddellijk uit te spreken zonder hieraan voorafgaand de belanghebbenden te horen.
4De beoordeling
4.1.
Op grond van artikel 1:257 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
4.2.
Op grond van artikel 800, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan een beschikking betreffende een voorlopige ondertoezichtstelling aanstonds worden afgegeven, oftewel zonder partijen daaraan voorafgaand in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord, indien de behandeling niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de jeugdige.
4.3.
Uit de mondelinge onderbouwing van het verzoek blijkt, samengevat, onder meer het volgende. Op 23 april 2026 blijkt dat de vader dreigend en gewelddadig naar moeder is geweest en dat hij de babykamer heeft vernield. De vader heeft doodsbedreigingen geuit naar moeder. De moeder heeft hiervan aangifte gedaan en is vervolgens vrijwillig met [minderjarige] naar de Veilige Opvang gegaan. Daar heeft zij echter de vader gebeld, die haar en de baby heeft opgehaald. Iemand van de opvang heeft het kenteken van de auto genoteerd en de politie gebeld. De vader is vervolgens door de politie aangehouden en in verzekering gesteld. De vader zal worden voorgeleid, maar vooralsnog is niet duidelijk of hij vast blijft zitten en voor hoe lang. Op het moment dat hij vrij komt is de verwachting dat hij opnieuw gevaarlijk zal zijn. De moeder weigert naar een veilige opvang te gaan. Zij verblijft inmiddels bij haar ouders en acht dit voor nu veilig. Maar de moeder toont zich niet betrouwbaar, waardoor de veiligheid van [minderjarige] niet langer gegarandeerd is.
4.4.
Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter vast dat er sprake is van een situatie waarin de mondelinge behandeling van het verzoek niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Gelet daarop wordt zonder de belanghebbenden te horen op de verzoeken beslist.
4.5.
De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal daarom op grond van voornoemde artikel 1:257 BW voorlopig onder toezicht gesteld worden van de GI, vooralsnog voor een termijn van twee weken, met ingang van 24 april 2026 en tot 8 mei 2026. Het verzoek zal voor het overige worden aangehouden tot de hierna te noemen dag en tijdstip waarop de mondelinge behandeling zal plaatsvinden.
4.6.
Verdere beslissingen op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden.
4.7.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5De beslissing
De kinderrechter:
5.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 24 april 2026 en tot 8 mei 2026;
5.2.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
5.3.
roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. Borm op [datum] 2026 om [uur] (duur 45 minuten) in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
5.4.
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting.
Deze beslissing is mondeling gegeven door mr. De Beer, kinderrechter, op 24 april 2026, en vastgelegd in deze beschikking door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, op 28 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.
Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).