Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:4522
2026-04-23
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/445888 / FA RK 26-1254
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Rechtbank wijst het verzoek van de vrouw om haar eenhoofdig met het ouderlijk gezag te belasten, waartegen de man geen bezwaar heeft, toe
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.404 tekens)
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/445888 / FA RK 26-1254
Datum uitspraak: 23 april 2026
beschikking betreffende wijziging gezag
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N.J.R.M. Elings te Molenschot,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige] .
1Het procesverloop
1.1
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- het op 9 maart 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het e-mailbericht van de man van 15 april 2026.
2De feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 4 januari 2023 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 18 januari 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
2.3
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar met het eenhoofdig ouderlijk gezag te belasten over [minderjarige] , dan wel een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank juist acht.
3.2
De man heeft schriftelijk laten weten akkoord te gaan met het verzoek van de vrouw tot wijziging van het ouderlijk gezag.
4De beoordeling
4.1
De rechtbank overweegt als volgt.
4.2
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
4.3
De rechtbank stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] , alsook het contact tussen partijen onderling, sinds 2023 geheel stil is komen te liggen. De rechtbank oordeelt dat dit relevante wijzigingen van omstandigheden zijn, zodat de vrouw in haar verzoek tot wijziging van het gezag kan worden ontvangen.
4.4
Op het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag is ingevolge artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
4.5
Uitgangspunt van de wet is dat de ouders ook na hun uiteengaan belast blijven met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Op grond van de overgelegde stukken van de vrouw, die door de man niet zijn betwist, stelt de rechtbank vast dat partijen sinds de echtscheiding, ook niet na bemiddeling, niet meer in staat zijn gebleken om samen tot overleg te komen over [minderjarige] . De man heeft zich volledig uit het leven van [minderjarige] en de vrouw teruggetrokken. Hiermee komt de man zijn in artikel 1:247 lid 1 BW vastgelegde plicht om zijn kind (mede) te verzorgen en op te voeden niet na.
Door zijn structurele afwezigheid in het leven van [minderjarige] beschikt de man bovendien over onvoldoende inzicht in wat [minderjarige] nodig heeft en zal hij zich onvoldoende in de behoeften en wensen van [minderjarige] kunnen verplaatsen om nog op een evenwichtige manier belangrijke beslissingen over haar te kunnen nemen.
Omdat de man zijn gezag niet meer uitoefent, kan verwacht worden dat er in de praktijk problemen zullen ontstaan, zoals wanneer de vrouw de toestemming van de man nodig heeft voor (medische) behandelingen van [minderjarige] , bij aanmeldingen van [minderjarige] voor een school, bij vakanties met [minderjarige] in het buitenland en bij de aanvraag van identiteitsbewijzen voor [minderjarige] .
Gezien de houding van de man in de afgelopen periode valt niet te verwachten dat zich in de communicatie tussen partijen binnen afzienbare tijd een verbetering zal gaan voordoen. Hiermee acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] om het gezamenlijk gezag te laten voortduren en is zij van oordeel dat voldaan wordt aan de hiervoor onder b. genoemde grond voor wijziging van het gezag. Overigens heeft de man door middel van voormeld e-mail bericht laten weten akkoord te gaan met het verzoek van de vrouw.
4.6.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw, dat haar noch onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, toewijzen.
4.7.
De rechtbank zal, gelet op de aard van het verzoek, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , voortaan aan de vrouw alleen toekomt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/445888 / FA RK 26-1254
Datum uitspraak: 23 april 2026
beschikking betreffende wijziging gezag
in de zaak van
[de vrouw]
,
hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. N.J.R.M. Elings te Molenschot,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna: [minderjarige] .
1Het procesverloop
1.1
In het dossier bevinden zich de volgende stukken:
- het op 9 maart 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het e-mailbericht van de man van 15 april 2026.
2De feiten
2.1
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Gelderland van 4 januari 2023 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 18 januari 2023 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
2.2
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
2.3
[minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
2.3
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige] .
3Het verzoek
3.1
De vrouw verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar met het eenhoofdig ouderlijk gezag te belasten over [minderjarige] , dan wel een zodanige beslissing te nemen die de rechtbank juist acht.
3.2
De man heeft schriftelijk laten weten akkoord te gaan met het verzoek van de vrouw tot wijziging van het ouderlijk gezag.
4De beoordeling
4.1
De rechtbank overweegt als volgt.
4.2
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt.
4.3
De rechtbank stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat de zorg- en contactregeling tussen de man en [minderjarige] , alsook het contact tussen partijen onderling, sinds 2023 geheel stil is komen te liggen. De rechtbank oordeelt dat dit relevante wijzigingen van omstandigheden zijn, zodat de vrouw in haar verzoek tot wijziging van het gezag kan worden ontvangen.
4.4
Op het verzoek van de vrouw tot wijziging van het gezag is ingevolge artikel 1:253n lid 1 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien
a. er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
4.5
Uitgangspunt van de wet is dat de ouders ook na hun uiteengaan belast blijven met het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind. Voor het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Op grond van de overgelegde stukken van de vrouw, die door de man niet zijn betwist, stelt de rechtbank vast dat partijen sinds de echtscheiding, ook niet na bemiddeling, niet meer in staat zijn gebleken om samen tot overleg te komen over [minderjarige] . De man heeft zich volledig uit het leven van [minderjarige] en de vrouw teruggetrokken. Hiermee komt de man zijn in artikel 1:247 lid 1 BW vastgelegde plicht om zijn kind (mede) te verzorgen en op te voeden niet na.
Door zijn structurele afwezigheid in het leven van [minderjarige] beschikt de man bovendien over onvoldoende inzicht in wat [minderjarige] nodig heeft en zal hij zich onvoldoende in de behoeften en wensen van [minderjarige] kunnen verplaatsen om nog op een evenwichtige manier belangrijke beslissingen over haar te kunnen nemen.
Omdat de man zijn gezag niet meer uitoefent, kan verwacht worden dat er in de praktijk problemen zullen ontstaan, zoals wanneer de vrouw de toestemming van de man nodig heeft voor (medische) behandelingen van [minderjarige] , bij aanmeldingen van [minderjarige] voor een school, bij vakanties met [minderjarige] in het buitenland en bij de aanvraag van identiteitsbewijzen voor [minderjarige] .
Gezien de houding van de man in de afgelopen periode valt niet te verwachten dat zich in de communicatie tussen partijen binnen afzienbare tijd een verbetering zal gaan voordoen. Hiermee acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] om het gezamenlijk gezag te laten voortduren en is zij van oordeel dat voldaan wordt aan de hiervoor onder b. genoemde grond voor wijziging van het gezag. Overigens heeft de man door middel van voormeld e-mail bericht laten weten akkoord te gaan met het verzoek van de vrouw.
4.6.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw, dat haar noch onrechtmatig noch ongegrond voorkomt, toewijzen.
4.7.
De rechtbank zal, gelet op de aard van het verzoek, de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de vrouw. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2020 te [geboorteplaats] , voortaan aan de vrouw alleen toekomt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Phillips, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.