Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4507

2026-04-22 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/446678 / JE RK 26-567, C/02/446689 / JE RK 26/570 en C/02/446693
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-22
Publicatiedatum
2026-05-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/446678 / JE RK 26-567, C/02/446689 / JE RK 26/570 en C/02/446693
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling. Relatieve bevoegdheid, forumkeuze verzoeker en belanghebbenden.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.263 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummers: C/02/446678 / JE RK 26-567, C/02/446689 / JE RK 26/570 en C/02/446693 / JE RK 26/571



Datum uitspraak: 22 april 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling




in de zaak van




JEUGDBESCHERMING ROTTERDAM RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),



over





[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats] (Marokko),
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,





[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] (Marokko),
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,





[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2016 in [geboorteplaats] (Marokko),
hierna te noemen: [minderjarige 3] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. F. el Makhtari uit Rotterdam,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .





1Het verloop van de procedure


1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 maart 2026.




1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
- twee vertegenwoordigers van de GI.



1.3.
De moeder is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.



1.4.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in de gelegenheid gesteld om hun
mening te geven. [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat zij hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.






2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .



2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder en [minderjarige 3] bij zijn vader.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 mei 2025 de ondertoezichtstelling verlengd van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 16 mei 2025 tot 2 mei 2026.





3Het verzoek


3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De mening van de kinderen


4.1.

[minderjarige 1] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat hij een ondertoezichtstelling niet nodig vindt, de GI doet niets. Hij wil wel dat de hulpverlening van [hulpverlening] wordt gecontinueerd. Verder heeft hij verteld dat hij geen contact wil met de vader. Hij zou graag willen dat [minderjarige 3] ook bij de moeder komt wonen.



4.2.

[minderjarige 2] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat zij een ondertoezichtstelling niet nodig vindt, [hulpverlening] doet al het werk van de GI. Verder heeft zij verteld dat zij het prima vindt om contact te hebben met de vader omdat zij [minderjarige 3] dan vaker kan zien.



4.3.

[minderjarige 3] heeft in het gesprek met de kinderrechter verteld dat het contact met de moeder goed gaat, hij wil hier niets aan veranderen. Hij wil dat de hulpverlening van [hulpverlening] wordt gecontinueerd.





5De standpunten


5.1.
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd. De communicatie tussen de ouders is ernstig verstoord en de ouders zijn niet in staat gebleken om op constructieve wijze samen te werken in het belang van de kinderen. Zij hebben op dit moment geen contact met elkaar. De kinderen worden hierdoor structureel belast met spanningen tussen de ouders en verkeren in een loyaliteitsconflict. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wijzen de vader af. Ten aanzien van de moeder wordt gezien dat zij, ondanks de inzet van intensieve hulpverlening vanuit [hulpverlening] , onvoldoende in staat is om een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving te realiseren. De moeder heeft moeite met het innemen van een duidelijke opvoedrol en het bieden van structuur, begrenzing en emotionele beschikbaarheid. Met name [minderjarige 1] neemt verantwoordelijkheden op zich die niet passend zijn bij zijn leeftijd. De dynamiek in de thuissituatie is ingewikkeld. [minderjarige 2] woont daarom tijdelijk bij haar halfzus. Aanstaande dinsdag is er een gesprek om veiligheidsafspraken te maken. Het is de bedoeling dat [minderjarige 2] daar weer bij de moeder gaat wonen. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] stagneert op meerdere ontwikkelingsgebieden. De afgelopen weken is sprake van een prille positieve ontwikkeling. [minderjarige 1] volgt onderwijs en [minderjarige 2] heeft passende dagbesteding. Tot voor kort hadden zijn geen onderwijs of dagbesteding. Zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] laten zelfbepalend en grensoverschrijdend gedrag zien, raken frequent in conflictsituaties en zijn moeilijk te sturen. [minderjarige 1] heeft een lopende justitiële maatregel en wordt verdacht van een ernstig geweldsdelict. Ten aanzien van [minderjarige 3] wordt gezien dat hij zich in een kwetsbare positie bevindt tussen de ouders en zijn broer en zus. Hij verblijft bij de vader waar sprake is van meer stabiliteit en voorspelbaarheid. De vader werkt actief mee aan de hulpverlening en staat open voor begeleiding. Het contact met de moeder heeft bij [minderjarige 3] voor spanningen en gevoelens van onveiligheid gezorgd. De omgangsmomenten zijn daarom onlangs ingeperkt, er is nu de ene week op zaterdag begeleid fysiek contact en de andere week een begeleid belmoment op maandag. Op dit moment zijn er geen signalen dat de omgang belastend is voor [minderjarige 3] . De inzet van intensieve gezinsbegeleiding door [hulpverlening] bij de moeder en ambulante begeleiding bij de vader blijft noodzakelijk. Ook hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangegeven traumabehandeling te willen. De doelen in het kader van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. Verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar is noodzakelijk. De GI heeft in het verleden niet voortvarend gehandeld, maar doet dit nu wel. Een toetsmoment is daarom niet noodzakelijk.



5.2.
De vader is het eens met het verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen. Hij en de kinderen hebben baat bij de hulpverlening. Een verlenging voor de duur van een jaar is gelet op de zorgen noodzakelijk. De vader maakt zich zorgen over de kinderen. Verder heeft de vader aangegeven dat hij [minderjarige 1] , maar ook [minderjarige 2] de ruimte geeft om wel of geen contact met hem te hebben.



5.3.
De moeder is het eens met het verzoek om de ondertoezichtstelling te verlengen. Zij en de kinderen hebben baat bij de hulpverlening van [hulpverlening] en het is belangrijk dat dit wordt gecontinueerd. De moeder verzoekt om de ondertoezichtstelling voor zes maanden toe te wijzen en resterende deel van het verzoek aan te houden om een vinger aan de pols te houden. In het verleden zijn zaken blijven liggen en is niet voortvarend gehandeld door de GI. Ook zijn er nog veel zaken onduidelijk.





6De beoordeling



Internationaal privaatrecht




6.1.
Vanwege het feit dat [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en de vader en de moeder in Marokko zijn geboren en in ieder geval de moeder de Marokkaanse nationaliteit heeft, draagt deze zaak een internationaal karakter. Daarom dient de kinderrechter ambtshalve vast te stellen of de kinderrechter internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.



6.2.
De Nederlandse rechter is internationaal bevoegd om van het verzoek kennis te nemen aangezien de minderjarigen ten tijde van de indiening van het verzoek in Nederland woonden en daar ook hun gewone verblijfplaats hebben (artikel 7 lid 1 Brussel II-ter Verordening). Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op het verzoek het Nederlands recht van toepassing (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).



Relatieve bevoegdheid





6.3.
Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen bevoegd de rechter van de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige. Op grond van artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt een minderjarige de woonplaats van diegene die het gezag over hem uitoefent. Indien beide ouders tezamen het gezag over hun minderjarige kind uitoefenen, doch niet dezelfde woonplaats hebben, dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.



6.4.

[minderjarige 3] verblijft bij de vader. Aangezien de woonplaats van de vader binnen het arrondissement van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is, is de woonplaats van [minderjarige 3] dat ook. Overigens staat hij ook op hetzelfde adres als de vader ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). De kinderrechter acht zich dan ook relatief bevoegd om van het verzoek verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 3] kennis te nemen.



6.5.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de moeder. Aangezien de woonplaats van de moeder binnen het arrondissement van de rechtbank Rotterdam is, is de woonplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat ook. Overigens staan zij ook ingeschreven op hetzelfde adres als de moeder in de BRP. De kinderrechter acht zich in eerste instantie dan ook relatief onbevoegd om van het verzoek verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kennis te nemen. Op grond van artikel 270 Rv verwijst de rechter indien hij beslist dat niet hij maar een andere rechter van gelijke rang bevoegd is de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, naar die andere rechter. Deze verwijzing vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen. Ter zitting hebben de verzoeker en de vader en de advocaat van de moeder ingestemd met behandeling van de zaken voor deze rechtbank. De kinderrechter zal gelet hierop de zaak niet verwijzen en de zaak, tezamen met de zaak over [minderjarige 3] , inhoudelijk behandelen.



Verlenging ondertoezichtstelling





6.6.

Op grond van artikel 1:260 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld
in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen
met ten hoogste een jaar.




6.7
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



6.8.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder, [minderjarige 3] woont bij de vader. De moeder is onvoldoende in staat om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedomgeving te bieden. Het lukt de moeder nog niet om duidelijke gezagspositie in te nemen en grenzen te stellen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] laten zelfbepalend gedrag zien, zijn moeilijk te sturen en verkeren met regelmaat in conflicten. De situatie is dusdanig gespannen dat [minderjarige 2] tijdelijk bij haar halfzus verblijft. Weliswaar gaat [minderjarige 1] sinds enkele weken weer naar school een heeft [minderjarige 2] dagbesteding, maar dit zijn hele prille ontwikkelingen. Bovendien wordt gezien dat het de kinderen veel moeite kost om bijvoorbeeld uit bed te komen of op tijd te zijn. De zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn dan ook onverminderd aanwezig. Deze zorgen zijn er ook over [minderjarige 3] . Het contact met de moeder was eerder emotioneel belastend voor [minderjarige 3] . Hoewel dit nu minder aan de orde lijkt te zijn, blijft het contact een stressfactor voor [minderjarige 3] , waarbij hij klem zit tussen loyaliteit en zijn behoefte aan veiligheid. De opvoedsituatie bij de vader biedt [minderjarige 3] wel meer stabiliteit en voorspelbaarheid.



6.9.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De kinderrechter ziet dat de ouders hun best doen, zij zijn gemotiveerd om hun opvoedvaardigheden te versterken en staan open voor hulpverlening. Beiden geven ook aan baat te hebben bij de hulpverlening. De situatie is echter complex en de ouders communiceren niet met elkaar. Bovendien moet er nog een hoop gebeuren. Zo is het contact tussen [minderjarige 3] en de moeder nog altijd beperkt en hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangegeven dat zij (trauma)behandeling willen. De kinderrechter acht het daarom noodzakelijk dat de GI regie blijft voeren en continuering van de hulpverlening blijft waarborgen.



6.10.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van een jaar. De kinderrechter ziet geen aanleiding om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot zes maanden, zoals verzocht door de advocaat van de moeder. Kijkend naar waar de ouders vandaan komen en wat er nog moet gebeuren verwacht de kinderrechter dat zeker een jaar nodig is om de ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. Een toetsmoment zorgt bovendien voor onrust, terwijl [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] juist duidelijkheid en rust nodig hebben.



6.11.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



Uitvoerbaar bij voorraad





6.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.



Kindbrief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]





6.13.
De kinderrechter zal op verzoek van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hen een brief sturen met daarin uitleg over de beslissing die is genomen. In de brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , die naar het adres van de moeder zal worden gestuurd, zal het volgende worden aangegeven:



Beste [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,





Ik heb op 17 april 2026 met jullie gesproken. Jullie hebben mij toen verteld dat jullie de ondertoezichtstelling niet nodig vinden. Jullie hebben namelijk al hulpverlening van [hulpverlening] en vinden dat fijn. Nadat ik met jullie heb gesproken, heb ik ook met [persoon] (de jeugdbeschermer), papa en de advocaat van mama gesproken. Ik heb besloten dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd voor de duur van een jaar. Iedereen is het er over eens dat jullie, [minderjarige 3] en papa en mama nog steeds hulp nodig hebben. Ik vind het belangrijk dat jullie onder regie van de jeugdbescherming die hulp blijven krijgen en alles goed blijft gaan met jullie. Daarom is een ondertoezichtstelling nodig. Eigenlijk verandert er daarmee voor jullie niets. Zolang alles goed gaat met [hulpverlening] zullen jullie niet veel contact hebben met [persoon] (de jeugdbeschermer).





Als jullie nog vragen hebben, kun je die stellen aan [persoon] (de jeugdbeschermer). Ik wens jullie beiden het allerbeste toe.





Vriendelijke groeten, ook namens de griffier,





Maandag





6.14.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.





7De beslissing


De kinderrechter:



7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] met ingang van 2 mei 2026 tot 2 mei 2027;


7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 30 april 2026.







































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.