Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4448

2026-04-21 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/442396 / FA RK 25-6119
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-21
Publicatiedatum
2026-05-22
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/442396 / FA RK 25-6119
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek gezagsbeëindigde maatregel toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.731 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/442396 / FA RK 25-6119
Datum uitspraak: 21 april 2026




Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] .



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. I.A.C. Cools uit Tilburg,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,





[pleegouder 1] en [pleegouder 2],
hierna te noemen de pleegouders,



de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 november 2025;
- het stelbericht van mr. Cools van 19 januari 2026.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI;
- de pleegouders.



1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.



1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .



2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 april 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd met ingang van 30 april 2025 tot 30 april 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een pleeggezin eveneens verlengd met ingang van 30 april 2025 tot 30 april 2026.



2.3.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige 1] in een pleeggezin.



2.4.
De GI heeft zich ter zitting bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader en de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige 1] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
Ter zitting hebben de pleegouders mondeling verzocht om hen tot voogd over [minderjarige 1] te benoemen.





4De standpunten


4.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat [minderjarige 1] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd omdat er sprake is van trauma- en hechtingsproblematiek vanaf de vroege jeugd. Deze problematiek vergt een specifieke traumasensitieve opvoeding. De moeder beschikt niet over de nodige opvoedvaardigheden om [minderjarige 1] haar ontwikkelingstaken goed te laten vervullen. Zij overschat haar eigen mogelijkheden en lijkt niet te beseffen dat [minderjarige 1] een specifieke manier van opvoeden vraagt. Kijkend naar de rol van de ouders zijn er nog steeds zorgen. De moeder erkent onvoldoende wat [minderjarige 1] heeft meegemaakt in het verleden en dat dit blijvende schade heeft opgeleverd. [minderjarige 1] aangifte gedaan tegen de moeder wegens verwaarlozing en mishandeling. De moeder wordt hiervoor momenteel strafrechtelijk vervolgd. Het is de GI gedurende de ondertoezichtstelling niet gelukt om tot een constructieve samenwerking met de moeder te komen. Het lukt de moeder onvoldoende om haar persoonlijke situatie structureel te verbeteren. Er zijn zorgen over haar psychische stabiliteit en alcoholgebruik waardoor zij geen stabiele opvoedingssituatie aan [minderjarige 1] kan bieden. De moeder zet de belangen van [minderjarige 1] niet voorop, zoals met de vaccinaties die [minderjarige 1] graag zelf wilde halen maar waar zij geen toestemming voor heeft gegeven. De moeder lijkt zich onvoldoende te kunnen verplaatsen in [minderjarige 1] , bijvoorbeeld over het contact. Daarnaast lijkt de moeder wisselend in haar acceptatie van het toekomstperspectief van [minderjarige 1] . De rol van de vader is de afgelopen jaren steeds kleiner geworden. Hij informeert niet meer naar [minderjarige 1] . De vader staat achter de plaatsing van [minderjarige 1] en belemmert geen beslissingen die over [minderjarige 1] genomen moeten worden, maar de Raad betwijfelt in hoeverre hij nog in staat is beslissingen te nemen, nu hij niet op de hoogte is van de ontwikkelingen van [minderjarige 1] .



4.2.
Samenvattend zijn zowel de vader als de moeder van [minderjarige 1] niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] binnen een voor [minderjarige 1] aanvaardbare termijn te dragen. Het perspectief van [minderjarige 1] ligt in het pleeggezin. Zij ervaart veel spanning en onzekerheid over de bestendigheid van de plaatsing binnen het pleeggezin en rondom de verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen. [minderjarige 1] heeft geen contact meer met haar ouders en wil dit ook niet. De ouders zijn niet op de hoogte van de ontwikkeling van [minderjarige 1] en geven feitelijk weinig tot geen invulling aan hun gezagspositie. De verwachting is niet dat de rol van de ouders in de nabije toekomst groter zal worden. Een gezagsbeëindigende maatregel is in het belang van [minderjarige 1] . Hulpverlening in het vrijwillig kader vindt de Raad gezien bovenstaande punten niet passend. Dit vraagt meer regie van de ouders en samenwerking onderling dan zij aankunnen.



4.3.
De Raad vindt het in het belang van [minderjarige 1] dat de GI de voogdij krijgt over [minderjarige 1] . Nu er geen constructieve samenwerking bestaat tussen de ouders en de pleegouders van [minderjarige 1] en contactherstel met de ouders en tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een aandachtspunt moet blijven, is het nodig dat een neutrale derde de voogdij uitoefent. De Raad ziet onvoldoende aanknopingspunten om samenwerking tussen de ouders en pleegouders zonder inmenging van hulpverlening vorm te geven.



4.2.
Namens de moeder heeft mr. Cools aangevoerd dat de gezagsbeëindiging niet voldoet aan het noodzakelijkheidscriterium. Vaststaat dat het contact tussen de moeder en [minderjarige 1] verstoord is, zij hebben geen contact met elkaar. Dit betreurt de moeder, maar zij wil hierin het tempo van [minderjarige 1] volgen. De moeder krijgt nu al weinig informatie over [minderjarige 1] en wordt nauwelijks bij gezagsbeslissingen over haar betrokken. Om zicht te houden op [minderjarige 1] wil zij graag het gezag blijven uitoefenen. De moeder benadrukt dat zij altijd beschikbaar is voor overleg. Bovendien blijkt uit niets dat de moeder het gezag misbruikt. Ook verweert zij zich niet tegen de verzoeken over de verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen. De moeder heeft weliswaar de wens dat [minderjarige 1] weer bij haar gaat wonen, maar is hierin ook reëel. Het perspectief van [minderjarige 1] is immers al een hele tijd duidelijk. Verder heeft mr. Cools aangegeven dat het een stuk beter gaat met de moeder. Zij heeft de afgelopen periode stappen gezet, al is het einddoel nog niet bereikt. Zij betwist dat er sprake is van alcoholmisbruik. Wat betreft de strafzaak is het uitstel niet aan de moeder te wijten. De zaak zal medio/eind mei inhoudelijk behandeld worden.



4.3.
De GI heeft aangevoerd dat zij zich kunnen vinden in het raadsrapport en het verzoek. [minderjarige 1] ervaart veel spanningen rondom de zittingen over de verlengingsverzoeken van de kinderbeschermingsmaatregelen. Ook heeft zij er last van dat de zaak over de aangifte tegen de moeder lang duurt, de zitting is al meermaals uitgesteld. [minderjarige 1] zit op haar plek in het pleeggezin. Wel zijn er soms problemen in het pleeggezin die te maken hebben met de kind-eigenproblematiek van [minderjarige 1] . Een intelligentieonderzoek moet zicht geven op wat [minderjarige 1] nodig heeft en het pleeggezin handvaten geven om haar te ondersteunen. Door de voogdij uit te oefenen kan de GI hier zicht op houden. De andere reden waarom de GI als voogd wil worden benoemd is het contactherstel met de ouders en het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . [minderjarige 1] wil op dit moment geen contact met de moeder omdat dit te belastend voor haar is. Het is belangrijk dat hier naar geluisterd wordt. De moeder heeft mogelijkheden om informatie op te vragen en jeugdbeschermer informeert de moeder mondeling. Als het verzoek wordt toegewezen zal worden gekeken naar een vastomlijnde informatieregeling. Verder is de kindbehartiger inmiddels weer beschikbaar voor [minderjarige 1] .



4.4.
De pleegouders hebben aangevoerd dat zij zich kunnen vinden in het raadsrapport en het verzoek. Zij verzoeken echter vanuit praktisch oogpunt om niet de GI, maar hen te benoemen tot voogd over [minderjarige 1] . Ook weegt voor dat verzoek mee dat de pleegouders voor [minderjarige 1] het meest vertrouwt zijn. Bovendien zijn zij bereid om met de ouders samen te werken en in de toekomst contactherstel vorm te geven. Verder geven zij aan dat [minderjarige 1] zich positief ontwikkelt en tot rust is gekomen in het pleeggezin. Wel heeft zij inderdaad last van spanningen rondom de verschillende zittingen. Dit uit zich door onrust in haar lijf en in het gedrag dat zij vertoont.





5De beoordeling



Wettelijk kader



5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.



5.2.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de vader en de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.



5.3.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouders en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouders (Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK)



5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige 1] ernstig bedreigd en kunnen de vader en de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen. Uit de overgelegde stukken hetgeen tijdens de zitting is besproken is gebleken dat [minderjarige 1] jarenlang is opgroeit in een instabiele en onveilige opvoedsituatie. Hierdoor heeft zij trauma’s opgelopen en is er sprake van hechtingsproblematiek. [minderjarige 1] vraagt daarom meer van haar opvoeders dan andere kinderen. Zij heeft een traumasensitieve opvoedingsomgeving nodig met opvoeders die open staan voor ondersteuning en begeleiding. De vader en de moeder kunnen [minderjarige 1] dit niet bieden. Dat is ook een van de redenen dat [minderjarige 1] al jaren in het huidige pleeggezin woont. Daarnaast hebben [minderjarige 1] en de ouders al een tijd geen contact meer met elkaar. De ouders zijn onvoldoende op de hoogte van wat zich in het leven van [minderjarige 1] afspeelt en van de ontwikkeling van [minderjarige 1] . De verwachting is niet dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen.



5.5.
Hoewel duidelijk is dat het perspectief van [minderjarige 1] in het huidige pleeggezin ligt, en dit ook niet ter discussie staat, ervaart [minderjarige 1] veel onrust door de terugkerende zittingen over de verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen. De rechtbank kan zich dit gelet op alles wat [minderjarige 1] heeft meegemaakt ook goed voorstellen. Samen met de Raad is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige 1] die spanningen en mogelijk onzekerheid niet langer kan dragen. De rechtbank volgt de Raad in het standpunt dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige 1] is verstreken. Gelet op de rugzak van [minderjarige 1] is zij gebaat bij duidelijkheid over haar opgroeiperspectief. Ook voor haar verdere ontwikkeling is het van cruciaal belang dat [minderjarige 1] niet langer in onzekerheid blijft over haar toekomst. De beëindiging van het gezag van de vader en moeder is ingrijpend, maar noodzakelijk.



5.6.
Dit betekent niet dat de vader en de moeder geen rol meer hebben in het leven van [minderjarige 1] , zij blijven immers de ouders van [minderjarige 1] . De rechtbank benadrukt dan ook het belang van een duidelijk omlijnde informatieregeling waarin de vader en de moeder door de voogd worden geïnformeerd over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige 1] .



Benoeming voogd




5.7.
Door de beëindiging van het gezag van de vader en de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] te nemen. De rechtbank benoemt daarom op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over [minderjarige 1] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt.



5.8.
Ter zitting hebben de pleegouders aangegeven dat zij met de voogdij over [minderjarige 1] willen worden belast. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Uit artikel 282 eerste en vierde lid juncto 278, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt, voor zover hier van belang, dat tenzij een bijzondere wettelijke bepaling bepaalt dat indiening van een verweerschrift met een zelfstandig verzoek niet door een advocaat behoeft te geschieden, een verweerschrift wordt ondertekend door een advocaat. In Procesreglement Gezag en Omgang (dat van toepassing is op deze procedure) staat geen bepaling die de pleegouders de mogelijkheid biedt het zelfstandig verzoek om hen met de voogdij te belasten zonder advocaat in te dienen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de wens van de pleegouders niet kan worden beschouwd als een verzoek, en als dus niet als zodanig door de rechtbank in behandeling worden genomen.



5.9.
Voorts overweegt de rechtbank dat de GI heeft verklaard bereid te zijn om voortaan als voogd gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] te nemen. De rechtbank is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen. Het is voor [minderjarige 1] van belang dat een neutrale derde betrokken blijft. Niet alleen om zicht te houden op haar ontwikkeling en wat zij daarin nodig heeft en beslissingen te nemen maar ook om de ouders te informeren over aangelegenheden betreffende [minderjarige 1] en in de toekomst eventueel contactherstel tussen de ouders en [minderjarige 1] te faciliteren en evalueren. De rechtbank heeft gehoord dat de pleegouders hiertoe ook bereid zijn maar ziet daarvoor op dit moment onvoldoende basis, immers bestaat er nu geen samenwerking tussen de pleegouders en de ouders.



5.10.
De rechtbank zal op grond van artikel 1:276, eerste lid, BW bepalen dat de vader en de moeder aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige 1] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moeten stellen van alle geldzaken die over [minderjarige 1] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige 1] de geldzaken kan regelen.


5.11.
De beslissing wordt op grond van artikel 2 Besluit gezagsregisters van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.12.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader], geboren op [geboortedag 2] 1974 in [geboorteplaats 2] en [de moeder], geboren op [geboortedag 3] 1984 in [geboorteplaats 3] , over [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ;



6.2.
benoemt Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd in Tilburg tot voogd over genoemde minderjarige;



6.3.
bepaalt dat de vader en de moeder rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;


6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;









Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.