Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:4446

2026-04-21 Civiel recht; Personen- en familierecht C/02/442410 / FA RK 25/6123
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-04-21
Publicatiedatum
2026-05-22
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zaaknummer
C/02/442410 / FA RK 25/6123
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verzoek gezagsbeëindigde maatregel toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.210 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Familie- en Jeugdrecht



Locatie Breda



Zaaknummer: C/02/442410 / FA RK 25/6123
Datum uitspraak: 21 april 2026




Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
Zeeland–West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,



over





[minderjarige]
, geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige] .



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. I.A.C. Cools uit Tilburg,





[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,



de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, gevestigd te Tilburg,
hierna te noemen de GI.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 26 november 2025;
- het stelbericht van mr. Cools van 19 januari 2026.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.


1.3.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.



1.4.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek met het door de GI ingediende verzoek over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening in de zaak met kenmerk C/02/439897 / JE RK 25-1683, zijn deze verzoeken gezamenlijk mondeling behandeld. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking afgegeven.



1.5.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.





2De feiten


2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .



2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 31 oktober 2025 tot 1 mei 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening eveneens verlengd met ingang van 15 oktober 2025 tot 1 mei 2026. De behandeling voor het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden tot donderdag 26 maart 2026 pro forma, in afwachting van het rapport van de Raad.



2.3.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening.



2.4.
De GI heeft zich ter zitting bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de vader en de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.





4De standpunten


4.1.
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek aangevoerd dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Zo zijn de executieve functies van [minderjarige] niet goed ontwikkeld, hij maakt veel onnodige geluiden, heeft verbale tics, onthoudt dingen slecht en stopt zijn emoties weg. [minderjarige] heeft de afgelopen jaren veel wisselingen van verblijfplaats gehad, waardoor hij lang onzekerheid heeft gevoeld of hij wel mocht blijven in het gezinshuis. Wat ook zorgelijk is, is dat [minderjarige] dubbele gevoelens heeft bij de contacten met de moeder. Enerzijds is hij boos en teleurgesteld en anderzijds is hij loyaal naar de moeder. Hierdoor durft hij vaak niet eerlijk tegen haar te zijn. Kijkend naar de rol van de ouders zijn er nog steeds zorgen. De moeder erkent onvoldoende wat [minderjarige] heeft meegemaakt in het verleden en dat dit blijvende schade heeft opgeleverd. De tweelingzus van [minderjarige] , [persoon] , heeft aangifte gedaan tegen de moeder wegens verwaarlozing en mishandeling. De moeder wordt hiervoor momenteel strafrechtelijk vervolgd. Het is de GI gedurende de ondertoezichtstelling niet gelukt om tot een constructieve samenwerking met de moeder te komen. Het lukt de moeder onvoldoende om haar persoonlijke situatie structureel te verbeteren. De moeder zet de belangen van [minderjarige] niet voorop, zoals met de vaccinaties die [minderjarige] graag zelf wilde halen maar waar zij geen toestemming voor heeft gegeven. Ook wil zij graag uitbreiding van het contact met [minderjarige] en lijkt zij hierin grotere stappen te willen zetten dan waar [minderjarige] aan toe is. Daarnaast lijkt de moeder wisselend in haar acceptatie van het toekomstperspectief van [minderjarige] . De rol van de vader is de afgelopen jaren steeds kleiner geworden. Hij informeert niet meer naar [minderjarige] . De vader staat achter de plaatsing van [minderjarige] en belemmert geen beslissingen die over [minderjarige] genomen moeten worden, maar de Raad betwijfelt in hoeverre hij nog in staat is beslissingen te nemen, nu hij niet op de hoogte is van de ontwikkelingen van [minderjarige] .



4.2.
Samenvattend zijn zowel de vader als de moeder niet in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. Daarnaast ligt het perspectief van [minderjarige] in het gezinshuis en hij heeft zekerheid nodig over dat hij daar mag opgroeien. De ouders zijn onvoldoende op de hoogte van de ontwikkeling van [minderjarige] en geven feitelijk weinig tot geen invulling aan hun gezagspositie. De verwachting is niet dat de rol van de ouders in de nabije toekomst groter zal worden. Een gezagsbeëindigende maatregel is in het belang van [minderjarige] . Hulpverlening in het vrijwillig kader vindt de Raad gezien bovenstaande punten niet passend. Dit vraagt meer regie van de ouders en samenwerking onderling dan zij aankunnen. De Raad vindt het in het belang van [minderjarige] dat de GI de voogdij krijgt over hem.



4.2.
Namens de moeder heeft mr. Cools aangevoerd dat de gezagsbeëindiging niet voldoet aan het noodzakelijkheidscriterium. De moeder en [minderjarige] hebben contact met elkaar. Er lijkt ruis te zijn ontstaan over hoe de contacten verlopen. Dit betreurt de moeder, want zij ervaart de contacten als prettig. De moeder krijgt nu al weinig informatie over [minderjarige] en wordt nauwelijks bij gezagsbeslissingen over hem betrokken. Om zicht te houden op [minderjarige] wil zij graag het gezag blijven uitoefenen. De moeder benadrukt dat zij altijd beschikbaar is voor overleg. Bovendien blijkt uit niets dat de moeder het gezag misbruikt. Ook verweert zij zich niet tegen de verzoeken over de verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen. De moeder verwacht ook niet dat [minderjarige] weer bij haar gaat wonen, het perspectief van [minderjarige] ligt immers in het gezinshuis. Verder heeft mr. Cools aangegeven dat het een stuk beter gaat met de moeder. Zij heeft de afgelopen periode stappen gezet, al is het einddoel nog niet bereikt. Zij betwist dat er sprake is van alcoholmisbruik.



4.3.
De GI heeft aangevoerd dat zij zich kan vinden in het raadsrapport en het verzoek. Ook herkent de GI de zorgen over het alcoholgebruik van de moeder door de jaren heen. Tijdens de omgang tussen [minderjarige] en de moeder wordt gezien dat de moeder handelt vanuit haar eigen behoefte in plaats vanuit die van [minderjarige] . [minderjarige] is loyaal aan de moeder waardoor hij tegen haar niet durft aan te geven wat hij wil. Zo wilde hij bijvoorbeeld dat de jeugdbeschermer met de moeder besprak dat [minderjarige] niet met haar op vakantie wilde. [minderjarige] wil graag contact met de moeder maar het belast hem ook waardoor hij het moeilijk heeft. De beëindiging van het gezag van de vader en de moeder zal [minderjarige] rust geven omdat niet de moeder, maar de voogd dan beslissingen over hem mag nemen. De verwachting is dat dit [minderjarige] uiteindelijk meer ruimte gaat geven in contact met de moeder. Verder is de kindbehartiger inmiddels weer beschikbaar voor [minderjarige] .





5De beoordeling


5.1.
Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:


een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of


de ouder het gezag misbruikt.





5.2.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de vader en de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.



5.3.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouders daartoe niet in staat zijn. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouders en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouders (Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK).



5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige] ernstig bedreigd en kunnen de vader en de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken is gebleken dat [minderjarige] jarenlang opgroeit in een instabiele en onveilige opvoedsituatie. De afgelopen jaren heeft hij veel verschillende opvoedomgevingen gehad wat bij hem voor veel onduidelijkheid en onzekerheid heeft gezorgd. [minderjarige] heeft een opvoedingsomgeving nodig waarin hem rust, veiligheid en stabiliteit geboden wordt. De vader en de moeder kunnen [minderjarige] dit niet bieden. Dat is ook een van de redenen dat [minderjarige] in het gezinshuis woont. Daarnaast heeft [minderjarige] al een tijd geen contact meer met de vader. Wel heeft hij nog beperkt contact met de moeder. Dit contact is voor [minderjarige] echter erg ingewikkeld. Er is sprake van loyaliteitsproblematiek en hij vindt het moeilijk om aan de moeder aan te geven wat hij wil en waar zijn behoefte ligt. Hierdoor zit hij klem. De moeder lijkt niet aan te kunnen sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft en zet het belang van [minderjarige] niet voorop. De ouders zijn onvoldoende op de hoogte van wat zich in het leven van [minderjarige] afspeelt en van de ontwikkeling van [minderjarige] . De verwachting is niet dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen.



5.5.
Duidelijk is dat het perspectief van [minderjarige] in het gezinshuis ligt en dit ook niet ter discussie staat. Samen met de Raad is de rechtbank echter van oordeel dat [minderjarige] de spanningen en onzekerheid niet langer kan dragen. De rechtbank volgt de Raad in het standpunt dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. Gelet op de geschiedenis van [minderjarige] is hij gebaat bij duidelijkheid over zijn opgroeiperspectief. Ook voor zijn verdere ontwikkeling is het van cruciaal belang dat [minderjarige] niet langer in onzekerheid blijft over zijn toekomst. De beëindiging van het gezag van de vader en moeder is ingrijpend, maar noodzakelijk.



5.6.
Dit betekent niet dat de vader en de moeder geen rol meer hebben in het leven van [minderjarige] , zij blijven immers de ouders van [minderjarige] . De rechtbank benadrukt dan ook het belang van een duidelijk omlijnde informatieregeling waarin de vader en de moeder door de voogd worden geïnformeerd over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] . Dit is in het bijzonder van belang voor de moeder, dit zorgt er immers voor dat zij tijdens de omgang beter bij [minderjarige] kan aansluiten.



5.7.
Door de beëindiging van het gezag van de vader en de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige] te nemen. De rechtbank benoemt daarom op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over [minderjarige] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De GI heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen. Het is voor [minderjarige] van belang dat een neutrale derde betrokken blijft. Niet alleen om zicht te houden op zijn ontwikkeling en wat hij daarin nodig heeft en beslissingen te nemen maar ook om de ouders te informeren over aangelegenheden betreffende [minderjarige] en in de toekomst eventueel contactherstel tussen [minderjarige] en de vader te faciliteren en evalueren.



5.8.
De rechtbank zal op grond van artikel 1:276, eerste lid, BW bepalen dat de vader en de moeder aan de GI die tot voogd wordt benoemd rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moeten stellen van alle geldzaken die over [minderjarige] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige] de geldzaken kan regelen.


5.9.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister (Artikel 2 Besluit gezagsregisters).



5.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [de vader], geboren op [geboortedag 2] 1974 in [geboorteplaats 2] en [de moeder], geboren op [geboortedag 3] 1984 in [geboorteplaats 3] , over [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ;



6.2.
benoemt Stichting Jeugdbescherming Brabant, gevestigd in Tilburg tot voogd over genoemde minderjarige;



6.3.
bepaalt dat de vader en de moeder rekening en verantwoording moeten afleggen over het door hen gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;


6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.