Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:3744

2026-05-04 Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht BRE 26/2134
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-05-04
Publicatiedatum
2026-05-04
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zaaknummer
BRE 26/2134
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

vovo, niet-ontvankelijk, griffierecht niet betaald

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.944 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Bestuursrecht


zaaknummer: BRE 26/2134


uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2026 in de zaak tussen



[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Halderberge.




Inleiding



In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.


Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.





Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Op grond van de Awb moet bij het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening griffierecht worden betaald. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, is het verzoek niet-ontvankelijk. Dit is bepaald in artikel 8:82 van de Awb, in samenhang met artikel 8:41 van de Awb.

4. Aan verzoeker is bij aangetekende brief van 10 april 2026 de nota voor het betalen van griffierecht verstuurd. Daarbij is meegedeeld dat het griffierecht uiterlijk twee weken na de datum van de nota moet zijn bijgeschreven op de rekening van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Verzoeker is er in deze brief ook op gewezen dat bij niet tijdige betaling het verzoek niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
5. De voorzieningenrechter constateert dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald. Uit de track en trace gegevens blijkt dat verzoeker de brief van 10 april 2026 (nog) niet heeft opgehaald bij het afhaalpunt. De gevolgen van het niet afhalen van een aangetekend stuk komen voor rekening en risico van de verzoeker. Dat betekent dat het niet tijdig betalen van het griffierecht verzoeker aangerekend kan worden. Overigens is de brief van 10 april 2026 op 22 april 2026 ook nog per gewone post aan verzoeker verstuurd met het verzoek per omgaande het griffierecht te betalen. Ook na verzending van deze brief is het griffierecht niet betaald. Het verzoek is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.



Beslissing


De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 4 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.














griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

ECLI:NL:CRVB:2025:115