Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:3209
2026-03-20
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/02/444941 / JE RK 26-240
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.864 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444941 / JE RK 26-240
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. P. Doorakkers uit Oosterhout,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. C.J.H.E. Jeurissen uit Breda.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI (via een Teams beeldverbinding).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. Zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn het eens met een ondertoezichtstelling. Zij willen graag dat hun ouders op een normale manier met elkaar kunnen praten en dat er geen ruzies meer zijn. [minderjarige 1] vindt de (tijdelijke) situatie bij zijn vader druk en hij vindt het vervelend dat hij geen eigen kamer heeft. [minderjarige 2] heeft aangegeven dat ze vaak te laat op school komen, maar dat dit door [minderjarige 3] komt omdat hij niet wil meewerken. [minderjarige 2] ziet ook wel de voordelen van twee opvoedsituaties. Zo worden de verjaardagen dubbel gevierd en zijn de cadeaus dubbel.
2De feiten
2.1.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.3.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad heeft in aanvulling op het verzoekschrift, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is sprake van aanhoudende spanningen tussen de ouders, waarvan de kinderen last hebben. Zij worden belast met volwassen problematiek en krijgen veel mee van de onrust tussen de ouders. De moeder laat zich daarbij negatief uit over de vader, zo heeft de school verklaard. De ouders uiten over en weer zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder. De Raad merkt op dat de ouders nog niet zo lang uit elkaar zijn, waardoor de spanningen tot op zekere hoogte nog verklaarbaar zijn. De Raad vindt het van belang dat met behulp van de GI onder andere wordt gewerkt aan het verminderen van de spanningen en het creëren van een stabiele en veilige opvoedsituatie voor de kinderen.
4.2.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende aangegeven. Zij kan zich vinden in het verzoek van de Raad en stemt in met de ondertoezichtstelling. Zij vindt deze maatregel nodig omdat er nog steeds veel spanningen tussen de ouders zijn en de communicatie moeizaam verloopt. Er is volgens de moeder inmiddels sprake van een vechtscheiding tussen de ouders, waarvan de kinderen last hebben. Daarnaast zijn er zorgen over de kinderen zelf, met name over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waar vooralsnog te weinig mee wordt gedaan. De moeder heeft aanmerkingen op het onderzoek en de rapportage van de Raad. Zij vindt het kwalijk dat er geen gebruik is gemaakt van de door haar aangedragen contactpersonen. Verder ligt de nadruk te veel op haar, terwijl er juist zorgen zijn over de kinderen en de vader. Ook vindt de moeder dat de door de Raad gestelde doelen onvoldoende concreet zijn. Zij vindt het van belang dat binnen de ondertoezichtstelling aandacht wordt besteed aan passende hulpverlening, waaronder systeemtherapie en psycho-educatie, en dat waar nodig ook wordt gekeken naar de opvoedvaardigheden van de vader en naar de invloed van de familieverhoudingen.
4.3.
Door en namens de vader is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vader kan zich vinden in het verzoek tot ondertoezichtstelling. Hij ervaart dat er veel verwijten over en weer worden gemaakt, met name vanuit de moeder, en hoopt dat de GI hierin een bemiddelende rol kan spelen. Volgens de vader is het van belang dat er meer duidelijkheid komt over afspraken, zoals de zorgregeling en de verdeling van de vakanties, nu hierover nog geen overeenstemming is bereikt. De huidige situatie leidt tot veel stress en discussie tussen de ouders. Het lukt hen niet om samen beslissingen te nemen, omdat zij het belang van de kinderen verschillend invullen. De vader vindt het daarom prettig dat de GI hierin kan ondersteunen en meedenken.
4.4.
Namens de GI is het volgende naar voren gebracht. De GI ondersteunt het verzoek van de Raad en kan zich vinden in de doelen die zijn opgenomen in het raadsrapport. De GI maakt zich zorgen over de huidige situatie, waarin de ouders wel bereid lijken om hulpverlening te accepteren, maar deze nog onvoldoende van de grond is gekomen. Volgens de GI is er nog winst te behalen met de inzet van passende hulpverlening. Het is van belang dat er zicht komt op de opvoedsituatie van beide ouders. De focus ligt momenteel vooral op de kinderen en eventuele diagnostiek, terwijl ook gekeken moet worden naar de thuissituatie en het handelen van de ouders. De aanhoudende onrust tussen de ouders heeft een negatieve invloed op [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Hoe langer deze situatie voortduurt, hoe groter de impact op hun ontwikkeling en loyaliteit zal zijn. De GI vindt het daarom belangrijk dat de kinderen ontlast worden en niet langer worden betrokken in de strijd tussen de ouders. De GI vindt psycho-educatie voor de ouders aangewezen en vindt het daarnaast belangrijk dat de kinderen passende ondersteuning krijgen, waarbij zij op een veilige manier hun verhaal kunnen doen. Daarbij moet het belang en de behoefte van de kinderen voorop blijven staan.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ernstig wordt bedreigd. De ontwikkelingsbedreiging bestaat met name uit de aanhoudende conflicten en spanningen tussen de ouders. De ouders hebben weinig vertrouwen in elkaar als opvoeder en de communicatie tussen hen verloopt moeizaam. Het lukt hen niet om gezamenlijk afspraken over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te maken. Daarbij worden [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] belast met problematiek die bij de ouders hoort. Dit alles maakt dat zij zich in een loyaliteitsconflict bevinden. Daarnaast zijn er zorgen over mogelijke kind eigenproblematiek, met name bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , terwijl hierover nog onduidelijkheid bestaat. De ouders verschillen van mening over het al dan niet aanwezig zijn van deze problematiek en dus ook over welke hulpverlening en/of behandeling de kinderen nodig hebben.
5.3.
Het is gebleken dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de GI stellen voor de duur van een jaar.
5.4.
De Raad heeft de volgende doelen gesteld, waaraan tijdens de ondertoezichtstelling in ieder geval gewerkt moet worden:
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben een onbelast contact met beide ouders.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen last van de communicatieproblemen tussen ouders en ouders zijn in staat om op een constructieve manier te communiceren c.q. samenwerken en maken afspraken met elkaar in het belang van de kinderen, bijvoorbeeld verjaardagen maar ook over belangrijke zaken zoals de medicatie of hulpverlening voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Er ligt een ouderschapsplan.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden niet belast met spanningen en volwassenzaken van de echtscheiding, zoals negativiteit over de andere ouder of wantrouwen in de andere ouder als opvoeder.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ervaren rust en stabiliteit in beide opvoedsituaties.
Ouders hebben in voldoende mate vertrouwen in elkaars opvoedershandelen.
Er is duidelijkheid over het hoofdverblijf van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
De zorgregeling is vastgesteld.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 20 maart 2026 tot 20 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444941 / JE RK 26-240
Datum uitspraak: 20 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1]
, geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
, geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
, geboren op [geboortedag 3] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. P. Doorakkers uit Oosterhout,
[de vader]
,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. C.J.H.E. Jeurissen uit Breda.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI).
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI (via een Teams beeldverbinding).
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. Zowel [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn het eens met een ondertoezichtstelling. Zij willen graag dat hun ouders op een normale manier met elkaar kunnen praten en dat er geen ruzies meer zijn. [minderjarige 1] vindt de (tijdelijke) situatie bij zijn vader druk en hij vindt het vervelend dat hij geen eigen kamer heeft. [minderjarige 2] heeft aangegeven dat ze vaak te laat op school komen, maar dat dit door [minderjarige 3] komt omdat hij niet wil meewerken. [minderjarige 2] ziet ook wel de voordelen van twee opvoedsituaties. Zo worden de verjaardagen dubbel gevierd en zijn de cadeaus dubbel.
2De feiten
2.1.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn gedurende het huwelijk van de ouders geboren.
2.2.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
2.3.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De Raad heeft in aanvulling op het verzoekschrift, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is sprake van aanhoudende spanningen tussen de ouders, waarvan de kinderen last hebben. Zij worden belast met volwassen problematiek en krijgen veel mee van de onrust tussen de ouders. De moeder laat zich daarbij negatief uit over de vader, zo heeft de school verklaard. De ouders uiten over en weer zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder. De Raad merkt op dat de ouders nog niet zo lang uit elkaar zijn, waardoor de spanningen tot op zekere hoogte nog verklaarbaar zijn. De Raad vindt het van belang dat met behulp van de GI onder andere wordt gewerkt aan het verminderen van de spanningen en het creëren van een stabiele en veilige opvoedsituatie voor de kinderen.
4.2.
Door en namens de moeder is, samengevat, het volgende aangegeven. Zij kan zich vinden in het verzoek van de Raad en stemt in met de ondertoezichtstelling. Zij vindt deze maatregel nodig omdat er nog steeds veel spanningen tussen de ouders zijn en de communicatie moeizaam verloopt. Er is volgens de moeder inmiddels sprake van een vechtscheiding tussen de ouders, waarvan de kinderen last hebben. Daarnaast zijn er zorgen over de kinderen zelf, met name over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , waar vooralsnog te weinig mee wordt gedaan. De moeder heeft aanmerkingen op het onderzoek en de rapportage van de Raad. Zij vindt het kwalijk dat er geen gebruik is gemaakt van de door haar aangedragen contactpersonen. Verder ligt de nadruk te veel op haar, terwijl er juist zorgen zijn over de kinderen en de vader. Ook vindt de moeder dat de door de Raad gestelde doelen onvoldoende concreet zijn. Zij vindt het van belang dat binnen de ondertoezichtstelling aandacht wordt besteed aan passende hulpverlening, waaronder systeemtherapie en psycho-educatie, en dat waar nodig ook wordt gekeken naar de opvoedvaardigheden van de vader en naar de invloed van de familieverhoudingen.
4.3.
Door en namens de vader is, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De vader kan zich vinden in het verzoek tot ondertoezichtstelling. Hij ervaart dat er veel verwijten over en weer worden gemaakt, met name vanuit de moeder, en hoopt dat de GI hierin een bemiddelende rol kan spelen. Volgens de vader is het van belang dat er meer duidelijkheid komt over afspraken, zoals de zorgregeling en de verdeling van de vakanties, nu hierover nog geen overeenstemming is bereikt. De huidige situatie leidt tot veel stress en discussie tussen de ouders. Het lukt hen niet om samen beslissingen te nemen, omdat zij het belang van de kinderen verschillend invullen. De vader vindt het daarom prettig dat de GI hierin kan ondersteunen en meedenken.
4.4.
Namens de GI is het volgende naar voren gebracht. De GI ondersteunt het verzoek van de Raad en kan zich vinden in de doelen die zijn opgenomen in het raadsrapport. De GI maakt zich zorgen over de huidige situatie, waarin de ouders wel bereid lijken om hulpverlening te accepteren, maar deze nog onvoldoende van de grond is gekomen. Volgens de GI is er nog winst te behalen met de inzet van passende hulpverlening. Het is van belang dat er zicht komt op de opvoedsituatie van beide ouders. De focus ligt momenteel vooral op de kinderen en eventuele diagnostiek, terwijl ook gekeken moet worden naar de thuissituatie en het handelen van de ouders. De aanhoudende onrust tussen de ouders heeft een negatieve invloed op [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Hoe langer deze situatie voortduurt, hoe groter de impact op hun ontwikkeling en loyaliteit zal zijn. De GI vindt het daarom belangrijk dat de kinderen ontlast worden en niet langer worden betrokken in de strijd tussen de ouders. De GI vindt psycho-educatie voor de ouders aangewezen en vindt het daarnaast belangrijk dat de kinderen passende ondersteuning krijgen, waarbij zij op een veilige manier hun verhaal kunnen doen. Daarbij moet het belang en de behoefte van de kinderen voorop blijven staan.
5De beoordeling
Wettelijk kader
5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ernstig wordt bedreigd. De ontwikkelingsbedreiging bestaat met name uit de aanhoudende conflicten en spanningen tussen de ouders. De ouders hebben weinig vertrouwen in elkaar als opvoeder en de communicatie tussen hen verloopt moeizaam. Het lukt hen niet om gezamenlijk afspraken over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te maken. Daarbij worden [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] belast met problematiek die bij de ouders hoort. Dit alles maakt dat zij zich in een loyaliteitsconflict bevinden. Daarnaast zijn er zorgen over mogelijke kind eigenproblematiek, met name bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , terwijl hierover nog onduidelijkheid bestaat. De ouders verschillen van mening over het al dan niet aanwezig zijn van deze problematiek en dus ook over welke hulpverlening en/of behandeling de kinderen nodig hebben.
5.3.
Het is gebleken dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging onvoldoende kan worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van de GI stellen voor de duur van een jaar.
5.4.
De Raad heeft de volgende doelen gesteld, waaraan tijdens de ondertoezichtstelling in ieder geval gewerkt moet worden:
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben een onbelast contact met beide ouders.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben geen last van de communicatieproblemen tussen ouders en ouders zijn in staat om op een constructieve manier te communiceren c.q. samenwerken en maken afspraken met elkaar in het belang van de kinderen, bijvoorbeeld verjaardagen maar ook over belangrijke zaken zoals de medicatie of hulpverlening voor [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Er ligt een ouderschapsplan.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden niet belast met spanningen en volwassenzaken van de echtscheiding, zoals negativiteit over de andere ouder of wantrouwen in de andere ouder als opvoeder.
[minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ervaren rust en stabiliteit in beide opvoedsituaties.
Ouders hebben in voldoende mate vertrouwen in elkaars opvoedershandelen.
Er is duidelijkheid over het hoofdverblijf van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
De zorgregeling is vastgesteld.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 20 maart 2026 tot 20 maart 2027;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 27 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.