Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2023:1939
2023-03-31
Bestuursrecht; Belastingrecht
20/9924
Vernietigd door
ECLI:NL:GHSHE:2025:986
— (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Formele procesketen
- hogerBeroep ECLI:NL:GHSHE:2025:986 → ECLI:NL:RBZWB:2023:1939 (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Inhoudsindicatie
WOZ-woning
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2016:252 Hoge Raad 19-02-2016
Geciteerd door (4)
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4883 Rechtbank Oost-Brabant 09-10-2023
- ECLI:NL:RBOBR:2023:4029 Rechtbank Oost-Brabant 15-08-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2577 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2578 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-04-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (5.788 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 20/9924
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de minister.
Inleiding
1. Bij beschikking van 29 februari 2020 (de WOZ-beschikking) is de waarde van de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] (de woning) voor het jaar 2020 vastgesteld op € 147.000. Gelijktijdig is een aanslag onroerende-zaakbelastingen aan belanghebbende opgelegd.
1.1.
Bij uitspraak op bezwaar van 22 oktober 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking ongegrond verklaard.
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende H.J. van Zelst (Previcus) en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de vaststelling van de waarde van de woning voor het jaar 2020 op € 125.000. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en het beroep gegrond verklaren.
2.1.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt als regel een periode van twee jaar (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ontvangen op 26 maart 2020 en de rechtbank doet uitspraak op 31 maart 2023 waarmee de redelijke termijn is overschreden met ruim een jaar.
2.2.
Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in gevallen waar sprake is van een waardebepaling in het kader van de Wet waardering onroerende zaken, dan wel van aanslagen opgelegd door een heffingsambtenaar ziet de rechtbank thans aanleiding de omvang van deze vergoeding te bepalen op € 50 per (gedeelte van een) half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarbij acht de rechtbank bepalend dat het financiële belang in de regel minder is dan een bedrag van € 500 en de veronderstelde spanning en frustratie een vergoeding tot ten hoogste € 50 per half jaar overschrijding rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook recht op een schadevergoeding van € 150, nagenoeg geheel toe te rekenen aan de beroepsfase. De Staat moet daarom worden aangemerkt als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is gegrond. De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot € 125.000.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.
3.2.
Partijen zijn het erover eens dat de vergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt moet worden berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 296. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de kosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.266.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot € 125.000;
- vermindert de voor de woning opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een aanslag berekend naar een waarde van € 125.000;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 150;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende en
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 48 aan belanghebbende vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier op 31 maart 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zittingsplaats Middelburg
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 20/9924
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 maart 2023 in de zaak tussen
[belanghebbende] uit [plaats] , belanghebbende,
en
de heffingsambtenaar van SaBeWa Zeeland, de heffingsambtenaar,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de minister.
Inleiding
1. Bij beschikking van 29 februari 2020 (de WOZ-beschikking) is de waarde van de woning gelegen aan de [adres] in [plaats] (de woning) voor het jaar 2020 vastgesteld op € 147.000. Gelijktijdig is een aanslag onroerende-zaakbelastingen aan belanghebbende opgelegd.
1.1.
Bij uitspraak op bezwaar van 22 oktober 2020 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende tegen de WOZ-beschikking ongegrond verklaard.
1.2.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 februari 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van belanghebbende H.J. van Zelst (Previcus) en namens de heffingsambtenaar [heffingsambtenaar 1] en [heffingsambtenaar 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de vaststelling van de waarde van de woning voor het jaar 2020 op € 125.000. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en het beroep gegrond verklaren.
2.1.
Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een redelijke behandeltermijn voor de bezwaar- en beroepsfase in eerste aanleg bedraagt als regel een periode van twee jaar (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ontvangen op 26 maart 2020 en de rechtbank doet uitspraak op 31 maart 2023 waarmee de redelijke termijn is overschreden met ruim een jaar.
2.2.
Voor wat betreft de hoogte van de schadevergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn in gevallen waar sprake is van een waardebepaling in het kader van de Wet waardering onroerende zaken, dan wel van aanslagen opgelegd door een heffingsambtenaar ziet de rechtbank thans aanleiding de omvang van deze vergoeding te bepalen op € 50 per (gedeelte van een) half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarbij acht de rechtbank bepalend dat het financiële belang in de regel minder is dan een bedrag van € 500 en de veronderstelde spanning en frustratie een vergoeding tot ten hoogste € 50 per half jaar overschrijding rechtvaardigt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft belanghebbende dan ook recht op een schadevergoeding van € 150, nagenoeg geheel toe te rekenen aan de beroepsfase. De Staat moet daarom worden aangemerkt als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is gegrond. De WOZ-waarde van de woning wordt verminderd tot € 125.000.
3.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding voor zijn proceskosten. De heffingsambtenaar moet deze vergoeding betalen.
3.2.
Partijen zijn het erover eens dat de vergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt moet worden berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 296. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 837. Belanghebbende heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de kosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.266.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de bij beschikking vastgestelde waarde van de woning tot € 125.000;
- vermindert de voor de woning opgelegde aanslag onroerende-zaakbelastingen tot een aanslag berekend naar een waarde van € 125.000;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 150;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 2.266 aan proceskosten aan belanghebbende en
- bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 48 aan belanghebbende vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. van Beijsterveldt, griffier op 31 maart 2023 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.