Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9765

2026-08-04 Civiel recht 12321145 VV EXPL 26-444
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-04
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12321145 VV EXPL 26-444
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Verzetzaak. Ontruiming woonruimte. Afwijzing. Buitengerechtelijke ontbinding huurovereenkomst op grond van artikel 7:231 lid 2 BW. Belangenafweging. De kantonrechter is alles afwegende voorshands van oordeel dat de bodemrechter zal oordelen dat het in dit concrete geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat eiseres de met gedaagde gesloten huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden en dat gedaagde de woning om die reden niet hoeft te ontruimen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (27.665 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12321145 VV EXPL 26-444



datum uitspraak: 4 augustus 2026




Vonnis in kort geding van de kantonrechter




in de zaak van




STICHTING WOONPLUS SCHIEDAM,
vestigingsplaats: Schiedam,
oorspronkelijk eiseres, thans geopposeerde, in conventie in de hoofdzaak, verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
gemachtigde: mr. M. Dibbets,



tegen





[persoon A]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
oorspronkelijk gedaagde, thans opposant, in conventie in de hoofdzaak, eiser in reconventie in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
gemachtigde: mr. N.J. Glen-Boedhram.



De partijen worden hierna ‘Woonplus’ en ‘ [persoon A] ’ genoemd.






1De zaak in het kort


1.1.

[persoon A] en Woonplus hebben een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan het adres [adres] ( [postcode] ) in [woonplaats] . De woning is in de periode van 17 april 2026 tot 17 juli 2026 op last van de burgemeester gesloten. Woonplus heeft de met [persoon A] gesloten huurovereenkomst vervolgens buitengerechtelijk heeft ontbonden en stelt in dit kort geding dat [persoon A] de woning daarom moet ontruimen. Dat vorderde Woonplus dan ook – kort gezegd – in een door haar uitgebrachte dagvaarding. De vorderingen van Woonplus zijn grotendeels toegewezen in een verstekvonnis van 10 juli 2026. [persoon A] is niet eens met dat verstekvonnis en is daarom deze verzetprocedure begonnen. Daarin vordert [persoon A] – kort gezegd – dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van Woonplus alsnog worden afgewezen. Daarnaast vordert [persoon A] in het incident dat een voorlopige voorziening wordt getroffen en heeft [persoon A] een aantal tegenvorderingen ingesteld. De kantonrechter wijst de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening af, vernietigt het verstekvonnis, wijst de vorderingen van Woonplus alsnog af en wijst de tegenvorderingen van [persoon A] grotendeels toe. Deze oordelen worden hierna uitgelegd.






2De procedure


2.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


de dagvaarding van 4 juni 2026, met bijlagen 1 tot en met 9;


het verstekvonnis van deze rechtbank van 10 juli 2026 met zaaknummer 12243135 VV EXPL 26-299;


de verzetdagvaarding van 22 juli 2026, met bijlagen 1 tot en met 13;


de e-mail van 30 juli 2026 van Woonplus, met bijlagen 10 tot en met 24;


de e-mail van 30 juli 2026 van [persoon A] , met bijlagen 14 en 15;


de mondelinge behandeling op 31 juli 2026;


de pleitnotities van mr. Glen-Boedhram;


de pleitaantekeningen van mr. Dibbets.








3Het geschil in de hoofdzaak en in het incident


3.1.

Woonplus vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [persoon A] te veroordelen om met onmiddellijke ingang, althans een in goede justitie te bepalen termijn, de woning blijvend te verlaten, met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van Woonplus zijn, en onder afgifte van alle sleutels ontruimd ter vrije en algehele beschikking te stellen aan Woonplus;
II. te bepalen dat [persoon A] een dwangsom verbeurt van € 250,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of dagdeel dat hij de veroordeling zoals gevorderd onder I niet nakomt tot een maximum van € 5.000,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
III. [persoon A] , zo nodig bij wijze van voorschot, te veroordelen tot betaling van een bedrag aan Woonplus gelijk aan de huurprijs van € 500,11 per maand, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere maand dat [persoon A] de woning vanaf 1 juni 2026, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum, nog niet, met al het zijne en de zijnen, ontruimd ter beschikking heeft gesteld aan Woonplus, tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt;
IV. [persoon A] te veroordelen in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de nakosten, waaronder begrepen het salaris en de verschotten van de gemachtigde van Woonplus en, zo nodig bij wijze van voorschot, de kosten van de ontruiming conform de specificatie van die kosten in het proces-verbaal van ontruiming, indien [persoon A] niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming voldoet en Woonplus de ontruiming zelf bewerkstelligt met inschakeling van een deurwaarder, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis (en ten aanzien van de kosten van ontruiming binnen veertien dagen na gedwongen ontruiming) en te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten en voor zover betaling niet binnen de termijn plaatsvindt.




3.2.


[persoon A] is het niet eens met de vorderingen van Woonplus en het verstekvonnis van 10 juli 2026, waar die vorderingen grotendeels in zijn toegewezen. Daarom vordert [persoon A] om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

bij wijze van voorlopige voorziening


1. de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis van 10 juli 2026 te schorsen en iedere beslissing omtrent ontruiming aan te houden totdat in een bodemprocedure over de rechtsgeldigheid van de buitengerechtelijke ontbinding is beslist, althans totdat er in verzet een uitspraak is;



in verzet


2. [persoon A] te verklaren tot goed opposant met vernietiging van het verstekvonnis van 10 juli 2026 en Woonplus niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen, dan wel haar deze te ontzeggen;
3. Woonplus te veroordelen om per direct de sleutels van de woning aan [persoon A] af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag dat Woonplus hiermee in gebreke blijft tot een maximum van € 10.000,00;
4. Woonplus te veroordelen tot betaling aan [persoon A] van het bedrag van € 250,37 ter zake van de huur over de periode vanaf 17 juli 2026 tot en met 31 juli 2026;
5. een zodanige beslissing te nemen als de kantonrechter in goede justitie passend acht;
6. Woonplus te veroordelen in de kosten van beide procedures en te bepalen dat zij de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd zal zijn, indien zij deze kosten niet binnen veertien dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis zal hebben voldaan, tot aan de dag der algehele voldoening.



4. De beoordeling in de hoofdzaak (in conventie en in reconventie) en in het incident





[persoon A] is ontvankelijk in het verzet




4.1.
Het verstekvonnis is op 10 juli 2026 gewezen. De termijn om verzet tegen dat verstekvonnis in te stellen bedraagt in dit geval vier weken. De verzetdagvaarding is op 22 juli 2026 uitgebracht. Dit betekent dat [persoon A] op tijd in verzet is gekomen tegen het verstekvonnis en dat hij ontvankelijk is in het verzet daartegen.



Enkele procedurele opmerkingen vooraf




4.2.
De kantonrechter doet in dit vonnis uitspraak op het door [persoon A] ingestelde verzet tegen het tussen partijen gewezen verstekvonnis van 10 juli 2026. Het is voor de beoordeling van de vorderingen in het verzet irrelevant of in de verstekprocedure terecht verstek tegen [persoon A] is verleend, zodat op de stellingen van partijen op dat punt niet wordt ingegaan.



4.3.
Zoals hierna zal blijken, leidt het door [persoon A] ingestelde verzet ertoe dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van Woonplus alsnog worden afgewezen. [persoon A] heeft dan ook geen belang meer bij de door hem gevorderde voorlopige voorziening. De daartoe strekkende vordering wordt dan ook afgewezen en iedere partij betaalt de eigen proceskosten in het incident. Overigens kon de gevorderde voorlopige voorziening naar het oordeel van de kantonrechter redelijkerwijs niet anders worden begrepen dan als een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv. De opmerking van de gemachtigde van Woonplus dat artikel 351 Rv niet geldt in deze verzetprocedure kan de kantonrechter dan ook niet plaatsen. Het is overduidelijk dat [persoon A] dat wetsartikel niet aan zijn vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ten grondslag heeft willen leggen. De kantonrechter voegt daar nog aan toe dat in deze verzetprocedure de oorspronkelijk ingestelde vorderingen van Woonplus opnieuw ter beoordeling voorliggen, met dit verschil dat in die beoordeling nu het verweer van [persoon A] daartegen wordt meegenomen. Van een executiegeschil – dat een heel ander toetsingskader kent – is, anders dan de gemachtigde van Woonplus betoogt, geen sprake.



4.4.

[persoon A] concludeert in het verzet primair tot niet-ontvankelijkverklaring van Woonplus, maar hij heeft geen stellingen ingenomen die tot die conclusie kunnen leiden. In zoverre wordt het verweer van [persoon A] tegen het door Woonplus gevorderde dan ook verworpen.



4.5.
Volgens [persoon A] is de zaak niet geschikt om in kort geding te worden beslist. Dit betoog faalt. Op grond van vaste rechtspraak kan van ongeschiktheid van een zaak voor behandeling in een kort geding, zoals bedoeld in artikel 256 Rv, slechts sprake zijn als (a) de feiten binnen het beperkte kader van het kort geding niet voldoende tot klaarheid zijn gebracht of (b) de rechter de gevolgen van een door hem te geven beslissing niet voldoende kan overzien. Hiervan is in deze zaak geen sprake. De feiten waarop partijen zich beroepen, zijn voldoende duidelijk geworden. Daarnaast is geen sprake van een situatie waarin de gevolgen van de te nemen beslissing onvoldoende kunnen worden overzien.



4.6.
Het is vaste rechtspraak dat het feit dat de ontruiming van een woning in de praktijk onomkeerbaar is niet in de weg staat aan toewijzing van een vordering tot ontruiming van een woning in kort geding. Het standpunt van [persoon A] dat de kantonrechter – vanwege de onomkeerbaarheid van de door Woonplus gevorderde ontruiming van de woning – niet vooruit zou mogen lopen op het oordeel in een bodemprocedure, wordt dan ook gepasseerd.



4.7.
De gemachtigde van Woonplus heeft de gemachtigde van [persoon A] ervan beschuldigd niet de waarheid te spreken over het niet hebben ontvangen van een brief van 5 mei 2026 en een deurwaardersexploot van 21 mei 2026. De gemachtigde van Woonplus heeft daarom verzocht om daar op grond van artikel 21 Rv het gevolg aan te verbinden dat voorbij wordt gegaan aan het verweer van [persoon A] dat hij de betreffende stukken niet heeft ontvangen. Als het al zo is dat de gemachtigde van [persoon A] op dit punt in strijd met artikel 21 Rv heeft verklaard, wat de kantonrechter in het midden laat, ziet de kantonrechter geen reden om daar enig gevolg aan te verbinden. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat Woonplus zelf (ook) in strijd met artikel 21 Rv heeft gehandeld door de kantonrechter in de verstekprocedure niet volledig voor te lichten. Uit bijlage 6 bij de door Woonplus uitgebrachte dagvaarding blijkt dat [persoon A] zijn persoonlijke omstandigheden in een gesprek op het kantoor van Woonplus op 17 april 2026 heeft toegelicht. Woonplus heeft deze persoonlijke omstandigheden vervolgens echter niet benoemd in haar dagvaarding, waardoor de kantonrechter in de verstekprocedure daar ook geen rekening mee heeft kunnen houden. Aan deze schending van artikel 21 Rv verbindt de kantonrechter (evenmin) enig gevolg.



4.8.
De kantonrechter komt nu toe aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak.



Woonplus mag de woning toch niet ontruimen




4.9.
De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet volgens vaste rechtspraak grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kort gedingprocedure geen plaats is voor een (diepgaand) onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.



4.10.
Buitengerechtelijke ontbinding van een huurovereenkomst is mogelijk wanneer het bevoegd gezag op grond van bepaalde wetsartikelen uit de Gemeentewet, de Opiumwet en/of de Woningwet sluiting van een pand heeft gelast op grond van gedragingen in dat pand of voor gedragingen in de onmiddellijke nabijheid daarvan die de openbare orde ernstig verstoren (of bij ernstige vrees daarvoor). Voor een buitengerechtelijke ontbinding is een schriftelijke verklaring vereist die de huurder moet hebben bereikt.



4.11.
Vast staat dat de burgemeester de woning heeft gesloten, dat het sluitingsbesluit van de burgemeester van kracht was op het moment dat Woonplus de met [persoon A] gesloten huurovereenkomst buitengerechtelijke wilde ontbinden en dat de grondslag van de sluiting van de woning ligt in artikel 13b Opiumwet (één van de wetsartikelen genoemd in artikel 7:231 lid 2 BW). Dit betekent dat Woonplus bevoegd was om de huurovereenkomst met [persoon A] buitengerechtelijk te ontbinden.



4.12.
De buitengerechtelijke ontbindingsverklaring van Woonplus heeft [persoon A] ook bereikt, althans het niet bereiken daarvan is het gevolg is van een handeling van [persoon A] . Woonplus heeft de ontbindingsverklaring in ieder geval door middel van een aangetekend verstuurde brief van 5 mei 2026 en bij (dagvaardings)exploten van 21 mei 2026 en 4 juni 2026 aan [persoon A] geprobeerd kenbaar te maken. Als deze stukken [persoon A] al niet hebben bereikt, dan heeft [persoon A] daar zelf de hand in gehad en heeft de door Woonplus uitgebrachte buitengerechtelijke ontbindingsverklaring alsnog haar werking. [persoon A] heeft gesteld dat hij de aangetekend door Woonplus verstuurde brief niet heeft afgehaald, terwijl dat wel van hem mocht worden verwacht. Daarnaast had van [persoon A] mogen worden verwacht dat hij gedurende de sluiting van de woning regelmatig zijn brievenbus zou legen of, als hij daar niet toe in staat was, iemand zou regelen die dat voor hem kon doen. [persoon A] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij tijdens de sluiting van de woning toegang had tot de zich in het portiek van de woning bevindende brievenbus, zodat de sluiting van de woning niet aan het legen van de brievenbus in de weg stond. Dat de aangetekend verstuurde brief en de (dagvaardings)exploten [persoon A] mogelijk niet hebben bereikt, komt dan ook voor rekening en risico van [persoon A] .



4.13.
Bij de buitengerechtelijke ontbinding van een huurovereenkomst geldt als uitgangpunt dat de verhuurder (in dit geval Woonplus) af mag gaan op het sluitingsbesluit van de burgemeester en niet zelf nader onderzoek hoeft te doen naar de juistheid van het sluitingsbesluit. De civiele rechter mag het sluitingsbesluit niet zelfstandig beoordelen; dat is voorbehouden aan de bestuursrechter. Zolang het sluitingsbesluit van kracht is, mag de verhuurder de huurovereenkomst in principe buitengerechtelijk ontbinden. Wel is de kantonrechter op grond van Europese jurisprudentie over artikel 8 EVRM gehouden te beoordelen of de gevorderde ontruiming evenredig (proportioneel) is in de zin van deze grondrechtelijke bepaling. Verder geldt dat de kantonrechter, gezien het verweer van [persoon A] , moet beoordelen in hoeverre Woonplus in alle redelijkheid gebruik heeft mogen maken van haar bevoegdheid tot het buitengerechtelijk ontbinden van de huurovereenkomst.



4.14.
Bij de beantwoording van de vraag of ontruiming gerechtvaardigd is moeten alle feiten en omstandigheden afgewogen worden. Om te bepalen of de maatregel van ontruiming evenredig is, moet worden aangeknoopt bij de artikelen 3:13 lid 2 BW (misbruik van bevoegdheid) en 6:248 BW (redelijkheid en billijkheid). Omstandigheden die daarbij een rol spelen zijn (a) de kans dat het besluit tot sluiting wordt herroepen of vernietigd, (b) of nakoming van de overeenkomst door de sluiting onmogelijk is geworden, (c) de ernst van de overtreding die ten grondslag ligt aan de sluiting en (e) de overige omstandigheden van het geval, waaronder de mogelijk verstrekkende gevolgen van ontbinding in de huidige woningmarkt. De beoordeling door de kantonrechter is marginaal; er is geen plaats voor een volledige belangenafweging. Het feit dat de woning is gesloten levert een nauwelijks te weerleggen rechtsvermoeden op dat een verhuurder de huurovereenkomst met recht heeft ontbonden. Alleen als de buitengerechtelijke ontbinding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of wanneer misbruik is gemaakt van bevoegdheden, kan de ontruiming worden afgewezen. Alle omstandigheden van het geval moeten hierbij worden onderzocht.



4.15.
Aan de kant van Woonplus weegt de kantonrechter mee dat zij een zero tolerance-beleid hanteert om handel in of aanwezigheid van drugs in haar woningen te ontmoedigen en precedentwerking te voorkomen. Woonplus heeft erop gewezen dat het algemeen bekend is dat de aanwezigheid van handelshoeveelheden (hard)drugs het risico op overlast en verloedering in de buurt met zich meebrengen met het gevoel van onveiligheid en afbreuk aan de leefbaarheid als gevolg. Daarnaast heeft Woonplus erop gewezen dat de aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden drugs niet zelden criminele activiteiten van buitenaf uitlokt. De hoeveelheid in en in de nabijheid van de woning aangetroffen illegale zaken (13,4 gram cocaïne, 199 gripzakjes met hennep en 192,9 gram versnijdingsmiddel, en daarnaast € 4.000,00 contant geld en een kleine weegschaal) is verder minst genomen substantieel te noemen. Het is zondermeer begrijpelijk dat Woonplus, als toegelaten instelling, zich op het standpunt stelt dat wanneer dit soort zaken in door haar verhuurde woningen aanwezig zijn daardoor de leefbaarheid van de woonomgeving wordt geschaad of in gevaar wordt gebracht.



4.16.

Aan de zijde van [persoon A] weegt de kantonrechter de volgende omstandigheden mee.
In de eerste plaats is er geen enkele aanwijzing dat [persoon A] betrokken was bij of wist van de aanwezigheid van de illegale zaken die in de woning zijn aangetroffen. De broer van [persoon A] heeft schriftelijk verklaard dat de in de woning aangetroffen illegale zaken van hem waren, dat [persoon A] daar niets van wist, dat [persoon A] daar geen toestemming voor had gegeven en dat [persoon A] op geen enkele wijze betrokken was bij de aanwezigheid daarvan. De kantonrechter heeft voorshands geen reden om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen en zij gaat er dan ook vanuit dat alleen de broer van [persoon A] verantwoordelijk is voor de illegale zaken. De omstandigheid dat de politie door een omwonende op de woning is gewezen met de mededeling dat daar wel eens mensen kwamen die blowden, is ook onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. Zelfs als [persoon A] (of derden die zich met zijn goedvinden in of in de nabijheid van de woning bevinden) blowt/blowen, betekent dit nog niet dat hij/zij betrokken is/zijn bij de handel in drugs of dat hij/zij wetenschap had/hadden van de illegale zaken die in de woning zijn aangetroffen. Hoewel aan Woonplus kan worden toegegeven dat [persoon A] tegenover Woonplus op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is voor de gedragingen van zijn broer, die (samen met de vader van [persoon A] ) vanwege de vakantie van [persoon A] – vaststaat dat hij in de periode van de inval door de politie in het buitenland verbleef – was gevraagd om de kat van [persoon A] te verzorgen, strekt dit niet zover dat ieder handelen van de broer van [persoon A] één op één aan [persoon A] kan worden toegerekend. Het is volstrekt gebruikelijk dat familieleden wordt gevraagd tijdens een vakantie op huisdieren te passen. Er is geen sprake een situatie waarin [persoon A] een willekeurige derde onbeperkte toegang heeft gegeven tot de woning en vervolgens een tijd lang geen toezicht op de woning heeft gehouden.
Ten tweede blijkt nergens uit dat de door Woonplus genoemde risico’s van overlast en verloedering in de buurt, onveiligheid, afbreuk aan de leefbaarheid en/of criminele activiteiten van buitenaf zich in dit geval daadwerkelijk hebben voorgedaan. Daarbij schat de kantonrechter de kans dat de broer van [persoon A] opnieuw illegale zaken naar de woning meeneemt in als verwaarloosbaar. [persoon A] heeft gesteld dat hij het contact met zijn broer heeft verbroken en dat heeft [persoon A] onderbouwd met een WhatsApp-bericht aan zijn broer. Woonplus heeft niets gesteld waaruit het tegendeel blijkt.
In de derde plaats heeft een veroordeling tot ontruiming van de woning voor [persoon A] persoonlijke grote gevolgen, zoals toegelicht in de verzetdagvaarding. Heel kort samengevat heeft [persoon A] de woning met een urgentieverklaring toegewezen gekregen, vanwege een ernstige onveilige thuissituatie naar aanleiding van de seksuele geaardheid van [persoon A] . Aannemelijk is dat die thuissituatie zijn weerslag heeft gehad en nog steeds heeft op de psychische gezondheid van [persoon A] . Een stabiele woonsituatie is dan des te belangrijker. Aangezien aannemelijk is dat [persoon A] in het geval dat hij de woning moet ontruimen vanwege de hiervoor geschetste omstandigheid niet kan terugvallen op zijn familie, is voorzienbaar dat ontruiming van de woning tot dakloosheid van [persoon A] zal leiden en dat zal in ieder geval geen positief effect op zijn mentale gesteldheid hebben.
Tot slot is niet gebleken dat [persoon A] eerder tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, bijvoorbeeld door de huur niet (op tijd) te betalen, overlast te veroorzaken of anderszins. In zoverre lijkt voorshands dan ook sprake te zijn van een eenmalig incident.




4.17.
De kantonrechter is alles afwegende voorshands van oordeel dat de bodemrechter zal oordelen dat het in dit concrete geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Woonplus de met [persoon A] gesloten huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden en dat [persoon A] de woning om die reden niet hoeft te ontruimen.



De conclusie




4.18.
De conclusie is dat dat de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv wordt afgewezen, dat het verstekvonnis van 10 juli 2026 wordt vernietigd en dat de vorderingen van Woonplus alsnog worden afgewezen. Uit dit oordeel vloeit voort dat Woonplus [persoon A] voorshands ten onrechte de toegang tot de woning heeft onthouden in de periode van 17 juli 2026 tot in ieder geval de datum van dit vonnis. Gelet daarop wordt Woonplus ook veroordeeld om de sleutels van de woning op eerste verzoek aan [persoon A] af te geven en om een bedrag van € 250,37 aan huur over de periode vanaf 17 juli 2026 tot en met 31 juli 2026 aan [persoon A] terug te betalen. [persoon A] is immers geen huur aan Woonplus verschuldigd over de periode waarover Woonplus hem ten onrechte de toegang tot de woning heeft onthouden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de veroordeling om de sleutels van de woning af te geven een dwangsom te verbinden, omdat zij ervan uitgaat dat Woonplus vrijwillig aan die veroordeling voldoet.



Woonplus moet de proceskosten van [persoon A] betalen




4.19.
De proceskosten komen voor rekening van Woonplus, omdat zij alsnog ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kosten voor het uitbrengen van de verzetdagvaarding zijn nodeloos gemaakt en die hoeft Woonplus daarom niet te betalen. [persoon A] was op de hoogte van de dagvaarding in de verstekprocedure, althans hij had daar gelet op wat hiervoor in 4.11. is overwogen van op de hoogte moeten zijn en hij heeft er desondanks voor gekozen om verstek te laten gaan. Het komt dan voor zijn rekening en risico dat hij kosten heeft moeten maken voor het uitbrengen van een verzetdagvaarding. Met inachtneming van het voorgaande begroot de kantonrechter de kosten die Woonplus aan [persoon A] moet betalen op € 865,00 aan salaris voor de gemachtigde (tarief gemiddeld complexe zaak) en € 144,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.009,00. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt ook toegewezen.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad




4.20.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [persoon A] dat vordert en Woonplus daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.






5De beslissing


De kantonrechter:




in het incident




5.1.
wijst de vordering van [persoon A] tot het treffen van een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv af;



5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;



in de hoofdzaak in conventie en in reconventie





5.3.
vernietigt het op 10 juli 2026 tussen partijen gewezen verstekvonnis met zaaknummer 12243135 VV EXPL 26-299;


en opnieuw rechtdoende:




5.4.
wijst de vorderingen van Woonplus af;



5.5.
veroordeelt Woonplus om op eerste verzoek de sleutels van de woning aan [persoon A] af te geven;



5.6.
veroordeelt Woonplus tot betaling aan [persoon A] van het bedrag van € 250,37 ter zake van de huur over de periode vanaf 17 juli 2026 tot en met 31 juli 2026;



5.7.
veroordeelt Woonplus in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden begroot op € 1.009,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;



5.8.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



5.9.
wijst al het andere af.



Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken.
38671




Artikel 143 lid 2 Rv.


Artikel 7:231 lid 2 BW.


Artikel 3:37 lid 3 BW.


Artikel 7:219 BW.