Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9538
2026-08-05
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/10/712737 / HA ZA 26-3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Eiser en gedaagde zijn familie van elkaar. Gedaagde heeft haar auto bij wijze van belening verkocht en heeft zich niet aan de voorwaarden van de belening gehouden. Om gedaagde te helpen heeft eiser de auto gekocht, waarbij gedaagde wel in de auto is blijven rijden. Gedaagde weigert het door eiser betaalde bedrag terug te betalen. Eiser vordert daarom dat gedaagde de auto aan hem afgeeft. Gedaagde stelt dat sprake is van misbruik van omstandigheden, maar heeft niet voldaan aan stelplicht. Vordering wordt toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.819 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712737 / HA ZA 26-3
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonend te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.J.H. Siebelt,
tegen
[gedaagde]
,
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.M.S.P. Jagesser.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 december 2025 met producties- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie- de akte wijziging eis in reconventie die [gedaagde] op 27 februari 2026 aan de rechtbank heeft gezonden
- de conclusie van antwoord in reconventie met één productie
- de akte met producties van [eiser] , tevens vermeerdering eis in conventie die [eiser] op 9 juni 2026 aan de rechtbank heeft gezonden
- de mondelinge behandeling van 22 juni 2026.
2De zaak in het kort
2.1.
[eiser] is de neef van [gedaagde] . [gedaagde] heeft haar auto bij wijze van belening verkocht aan [bedrijf] . [gedaagde] heeft zich niet aan de voorwaarden van de belening gehouden. [bedrijf] heeft haar daarom laten weten dat zij de auto aan [bedrijf] moest afgeven, of kon terugkopen voor een bedrag van € 7.000,-. Omdat [gedaagde] dit niet kon betalen, heeft zij [eiser] om hulp gevraagd. [eiser] heeft vervolgens de auto gekocht en op zijn naam laten zetten. [gedaagde] is wel in de auto blijven rijden. [eiser] eist in deze procedure (na wijziging van eis) primair dat [gedaagde] binnen 7 dagen de auto en de twee voertuigsleutels aan hem afgeeft, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 14.000,-. Subsidiair eist [eiser] dat [gedaagde] € 7.000,-, de boete van het CJIB van € 500,-, de wegenbelasting van € 279,- en de parkeerbelasting van € 80,96 met rente aan hem betaalt.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de vorderingen van [eiser] en voert als verweer aan dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Zij eist in reconventie (na wijziging van eis) een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst vernietigbaar is en door het vonnis wordt vernietigd en dat [eiser] binnen 7 dagen de tenaamstellingscodes en kentekengegevens aan haar afgeeft op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 14.000,-.
2.3.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] als eigenaar van de auto recht heeft om de auto op te eisen. [gedaagde] moet de auto daarom afgeven aan [eiser] , op straffe van een dwangsom. Dit wordt hierna uitgelegd.
3De beoordeling
In conventie en in reconventie
3.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Wat is er gebeurd?
3.2.
[gedaagde] heeft op 30 augustus 2025 een overeenkomst gesloten met [bedrijf] , waarbij [gedaagde] haar Toyota Aygo X met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto) heeft verkocht aan [bedrijf] , met een terugkoopmogelijkheid.
3.3.
[gedaagde] heeft [eiser] op 20 oktober 2025 gebeld met een dringend verzoek om hulp. Zij was op dat moment met de auto bij [bedrijf] en liet [eiser] tijdens dat telefoongesprek weten dat [bedrijf] de auto daar zou houden, tenzij [gedaagde] een bedrag van € 7.000,- zou betalen om de auto terug te kopen. Ook gaf [gedaagde] aan dat [bedrijf] een ander voertuig vóór de auto had geplaatst, waardoor zij niet kon vertrekken met de auto. [eiser] is samen met een collega naar [bedrijf] gegaan. Hij heeft daar met [bedrijf] en [gedaagde] afgesproken dat [eiser] € 7.000,- aan [bedrijf] zou betalen, waarbij [bedrijf] de eigendom van de auto zou overdragen aan [eiser] . Deze afspraak is neergelegd in een overeenkomst die [bedrijf] , [eiser] en [gedaagde] hebben ondertekend. Nadat [eiser] € 7.000,- had betaald aan [bedrijf] heeft [bedrijf] de tenaamstellingscodes van de auto aan [eiser] verstrekt. [gedaagde] heeft vervolgens de auto meegenomen.
3.4.
In de periode vanaf 21 oktober 2025 heeft [eiser] meerdere malen contact opgenomen met [gedaagde] , waarbij [eiser] heeft aangegeven dat als zij € 7.000,- aan hem zou betalen, hij de eigendom van de auto weer aan haar zou overdragen. [gedaagde] heeft dit steeds geweigerd. [eiser] heeft de auto daarom op 31 oktober 2025 op zijn naam laten zetten. Op verzoeken van [eiser] om de auto aan hem af te geven is [gedaagde] niet ingegaan.
De rechtbank is bevoegd
3.5.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij zich afvraagt of de rechtbank bevoegd is en of de zaak niet zou moeten worden verwezen naar de kantonrechter (artikel 71 Rv). Daarbij heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft al eerder ambtshalve vastgesteld dat zij wel bevoegd is. De primaire vordering is namelijk van onbepaalde waarde en er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,-. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter en zal de zaak zelf afdoen.
[eiser] is eigenaar geworden van de auto
3.6.
In de overeenkomst van 20 oktober 2025 is opgenomen dat de auto eigendom is van [bedrijf] en dat vanwege het feit dat [gedaagde] afspraken niet is nagekomen [bedrijf] de auto aan [eiser] verkoopt voor € 7.000,-. Ook is opgenomen dat [gedaagde] uitdrukkelijke toestemming verleent voor deze overdracht en dat zij bevestigt geen verdere aanspraken te maken op de auto of de verkoopopbrengst. [gedaagde] heeft deze overeenkomst mede ondertekend. Daardoor is zij gebonden aan deze afspraken. [gedaagde] heeft in eerste instantie betwist dat [eiser] € 7.000,- heeft betaald aan [bedrijf] , maar tijdens de mondelinge behandeling heeft zij deze betwisting ingetrokken. Daarmee staat vast dat [eiser] eigenaar is geworden van de auto.
Er is geen sprake van misbruik van omstandigheden
3.7.
[gedaagde] voert als verweer aan dat sprake is van misbruik van omstandigheden en dat de overeenkomst van 20 oktober 2025 daarom vernietigbaar is. Misbruik van omstandigheden is aanwezig als [eiser] het tot stand komen van de overeenkomst heeft bevorderd terwijl hij wist (of moest begrijpen) dat hij [gedaagde] daarvan moest weerhouden. Hierbij is nodig dat [eiser] wist (of moest begrijpen) dat [gedaagde] door bijzondere omstandigheden (zoals bijvoorbeeld noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid) werd bewogen tot het sluiten van de overeenkomst (artikel 3:44 lid 4 BW). De hoofdregel is dat degene die zich beroept op misbruik van omstandigheden de stelplicht en bewijslast heeft (artikel 150 Rv). In dit geval rust de stelplicht en bewijslast dus op [gedaagde] .
3.8.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij zich in een acute en zeer stressvolle situatie bevond omdat haar auto was klemgereden door [bedrijf] , waardoor zij geen mogelijkheid had om weg te gaan. Ook was zij emotioneel zwaar belast en was zij niet in staat een vrije, weloverwogen beslissing te nemen. Volgens [gedaagde] was [eiser] zich hiervan bewust en heeft hij daarvan gebruik gemaakt. Ook stelt [gedaagde] dat zij de eerste pagina van de overeenkomst tussen haar, [bedrijf] en [eiser] niet heeft kunnen lezen omdat alleen de tweede pagina aan haar is voorgelegd. Zij stelt bovendien dat zij niet is geïnformeerd over de inhoud van de overeenkomst.
3.9.
[eiser] heeft de stellingen van [gedaagde] gemotiveerd betwist. Hij heeft aangevoerd dat [gedaagde] hem heeft gebeld en dat zij hem nadrukkelijk heeft gevraagd haar te helpen omdat niemand anders daar toe bereid was. [eiser] heeft die hulp toen geboden omdat [gedaagde] familie is. Volgens [eiser] was [gedaagde] hevig geëmotioneerd toen zij hem belde, maar is zij niet onder druk gezet om de overeenkomst te tekenen. Daarbij heeft [eiser] er ook op gewezen dat voordat hij arriveerde bij [bedrijf] de politie op verzoek van [gedaagde] ter plaatse is geweest, maar dat de politie heeft geconstateerd dat [gedaagde] vrijelijk kon vertrekken. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. [eiser] heeft ook aangevoerd dat hij zelf geen enkel belang had bij de overeenkomst en dat hij deze alleen is aangegaan in het belang van [gedaagde] omdat zij de auto nodig had. Daarnaast heeft hij gemotiveerd betwist dat [gedaagde] de afspraken niet heeft gelezen en dat zij niet is geïnformeerd over de inhoud daarvan.
3.10.
[gedaagde] heeft haar stellingen in het licht van de gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd, waardoor niet is komen vast te staan dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Daar komt bij dat [gedaagde] geen bewijsaanbod heeft gedaan. De rechtbank komt daarom niet toe aan een bewijsopdracht. Het verweer van [gedaagde] in conventie slaagt dus niet. Om dezelfde reden worden de vorderingen in reconventie afgewezen.
[gedaagde] moet de auto afgeven aan [eiser]
3.11.
Omdat [eiser] eigenaar is van de auto en [gedaagde] de auto zonder recht houdt kan [eiser] de auto opeisen (artikel 5:2 BW). [eiser] heeft onbetwist aangevoerd dat hij [gedaagde] meerdere malen heeft verzocht om € 7.000,- aan hem te betalen, of de auto aan hem af te geven. [gedaagde] heeft hieraan niet voldaan. Daarmee staat vast dat [gedaagde] geen toestemming heeft om de auto onder zich te houden. De vordering van [eiser] dat [gedaagde] de auto aan hem moet afgeven wordt daarom toegewezen. Omdat [gedaagde] tot nu toe niet bereid is gebleken de auto vrijwillig af te geven ziet de rechtbank aanleiding om een dwangsom op te leggen. De hoogte van de gevorderde dwangsom komt de rechtbank niet onredelijk voor, zodat deze zal worden toegewezen. Wel beperkt de rechtbank de maximum dwangsom tot € 10.000,- (artikel 611b Rv).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld in conventie en ook in het ongelijk gesteld in reconventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] in conventie en in reconventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.959,00
(3 punt × € 653,00)
- nakosten
€
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.741,45
3.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
4De beslissing
De rechtbank
in conventie:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis de Toyota Aygo X met kenteken [kentekennummer] en de twee bijbehorende voertuigsleutels af te geven aan [eiser] ,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling heeft voldaan, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,
4.3.
wijst het anders of meer gevorderde af,
in reconventie
4.4.
wijst de vorderingen af,
in conventie en in reconventie
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 2.741,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.4043/2537
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/712737 / HA ZA 26-3
Vonnis van 5 augustus 2026
in de zaak van
[eiser]
,
wonend te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.J.H. Siebelt,
tegen
[gedaagde]
,
wonend te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.M.S.P. Jagesser.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 december 2025 met producties- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie- de akte wijziging eis in reconventie die [gedaagde] op 27 februari 2026 aan de rechtbank heeft gezonden
- de conclusie van antwoord in reconventie met één productie
- de akte met producties van [eiser] , tevens vermeerdering eis in conventie die [eiser] op 9 juni 2026 aan de rechtbank heeft gezonden
- de mondelinge behandeling van 22 juni 2026.
2De zaak in het kort
2.1.
[eiser] is de neef van [gedaagde] . [gedaagde] heeft haar auto bij wijze van belening verkocht aan [bedrijf] . [gedaagde] heeft zich niet aan de voorwaarden van de belening gehouden. [bedrijf] heeft haar daarom laten weten dat zij de auto aan [bedrijf] moest afgeven, of kon terugkopen voor een bedrag van € 7.000,-. Omdat [gedaagde] dit niet kon betalen, heeft zij [eiser] om hulp gevraagd. [eiser] heeft vervolgens de auto gekocht en op zijn naam laten zetten. [gedaagde] is wel in de auto blijven rijden. [eiser] eist in deze procedure (na wijziging van eis) primair dat [gedaagde] binnen 7 dagen de auto en de twee voertuigsleutels aan hem afgeeft, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 14.000,-. Subsidiair eist [eiser] dat [gedaagde] € 7.000,-, de boete van het CJIB van € 500,-, de wegenbelasting van € 279,- en de parkeerbelasting van € 80,96 met rente aan hem betaalt.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de vorderingen van [eiser] en voert als verweer aan dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Zij eist in reconventie (na wijziging van eis) een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst vernietigbaar is en door het vonnis wordt vernietigd en dat [eiser] binnen 7 dagen de tenaamstellingscodes en kentekengegevens aan haar afgeeft op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 14.000,-.
2.3.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] als eigenaar van de auto recht heeft om de auto op te eisen. [gedaagde] moet de auto daarom afgeven aan [eiser] , op straffe van een dwangsom. Dit wordt hierna uitgelegd.
3De beoordeling
In conventie en in reconventie
3.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
Wat is er gebeurd?
3.2.
[gedaagde] heeft op 30 augustus 2025 een overeenkomst gesloten met [bedrijf] , waarbij [gedaagde] haar Toyota Aygo X met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto) heeft verkocht aan [bedrijf] , met een terugkoopmogelijkheid.
3.3.
[gedaagde] heeft [eiser] op 20 oktober 2025 gebeld met een dringend verzoek om hulp. Zij was op dat moment met de auto bij [bedrijf] en liet [eiser] tijdens dat telefoongesprek weten dat [bedrijf] de auto daar zou houden, tenzij [gedaagde] een bedrag van € 7.000,- zou betalen om de auto terug te kopen. Ook gaf [gedaagde] aan dat [bedrijf] een ander voertuig vóór de auto had geplaatst, waardoor zij niet kon vertrekken met de auto. [eiser] is samen met een collega naar [bedrijf] gegaan. Hij heeft daar met [bedrijf] en [gedaagde] afgesproken dat [eiser] € 7.000,- aan [bedrijf] zou betalen, waarbij [bedrijf] de eigendom van de auto zou overdragen aan [eiser] . Deze afspraak is neergelegd in een overeenkomst die [bedrijf] , [eiser] en [gedaagde] hebben ondertekend. Nadat [eiser] € 7.000,- had betaald aan [bedrijf] heeft [bedrijf] de tenaamstellingscodes van de auto aan [eiser] verstrekt. [gedaagde] heeft vervolgens de auto meegenomen.
3.4.
In de periode vanaf 21 oktober 2025 heeft [eiser] meerdere malen contact opgenomen met [gedaagde] , waarbij [eiser] heeft aangegeven dat als zij € 7.000,- aan hem zou betalen, hij de eigendom van de auto weer aan haar zou overdragen. [gedaagde] heeft dit steeds geweigerd. [eiser] heeft de auto daarom op 31 oktober 2025 op zijn naam laten zetten. Op verzoeken van [eiser] om de auto aan hem af te geven is [gedaagde] niet ingegaan.
De rechtbank is bevoegd
3.5.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat zij zich afvraagt of de rechtbank bevoegd is en of de zaak niet zou moeten worden verwezen naar de kantonrechter (artikel 71 Rv). Daarbij heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft al eerder ambtshalve vastgesteld dat zij wel bevoegd is. De primaire vordering is namelijk van onbepaalde waarde en er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,-. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter en zal de zaak zelf afdoen.
[eiser] is eigenaar geworden van de auto
3.6.
In de overeenkomst van 20 oktober 2025 is opgenomen dat de auto eigendom is van [bedrijf] en dat vanwege het feit dat [gedaagde] afspraken niet is nagekomen [bedrijf] de auto aan [eiser] verkoopt voor € 7.000,-. Ook is opgenomen dat [gedaagde] uitdrukkelijke toestemming verleent voor deze overdracht en dat zij bevestigt geen verdere aanspraken te maken op de auto of de verkoopopbrengst. [gedaagde] heeft deze overeenkomst mede ondertekend. Daardoor is zij gebonden aan deze afspraken. [gedaagde] heeft in eerste instantie betwist dat [eiser] € 7.000,- heeft betaald aan [bedrijf] , maar tijdens de mondelinge behandeling heeft zij deze betwisting ingetrokken. Daarmee staat vast dat [eiser] eigenaar is geworden van de auto.
Er is geen sprake van misbruik van omstandigheden
3.7.
[gedaagde] voert als verweer aan dat sprake is van misbruik van omstandigheden en dat de overeenkomst van 20 oktober 2025 daarom vernietigbaar is. Misbruik van omstandigheden is aanwezig als [eiser] het tot stand komen van de overeenkomst heeft bevorderd terwijl hij wist (of moest begrijpen) dat hij [gedaagde] daarvan moest weerhouden. Hierbij is nodig dat [eiser] wist (of moest begrijpen) dat [gedaagde] door bijzondere omstandigheden (zoals bijvoorbeeld noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid) werd bewogen tot het sluiten van de overeenkomst (artikel 3:44 lid 4 BW). De hoofdregel is dat degene die zich beroept op misbruik van omstandigheden de stelplicht en bewijslast heeft (artikel 150 Rv). In dit geval rust de stelplicht en bewijslast dus op [gedaagde] .
3.8.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij zich in een acute en zeer stressvolle situatie bevond omdat haar auto was klemgereden door [bedrijf] , waardoor zij geen mogelijkheid had om weg te gaan. Ook was zij emotioneel zwaar belast en was zij niet in staat een vrije, weloverwogen beslissing te nemen. Volgens [gedaagde] was [eiser] zich hiervan bewust en heeft hij daarvan gebruik gemaakt. Ook stelt [gedaagde] dat zij de eerste pagina van de overeenkomst tussen haar, [bedrijf] en [eiser] niet heeft kunnen lezen omdat alleen de tweede pagina aan haar is voorgelegd. Zij stelt bovendien dat zij niet is geïnformeerd over de inhoud van de overeenkomst.
3.9.
[eiser] heeft de stellingen van [gedaagde] gemotiveerd betwist. Hij heeft aangevoerd dat [gedaagde] hem heeft gebeld en dat zij hem nadrukkelijk heeft gevraagd haar te helpen omdat niemand anders daar toe bereid was. [eiser] heeft die hulp toen geboden omdat [gedaagde] familie is. Volgens [eiser] was [gedaagde] hevig geëmotioneerd toen zij hem belde, maar is zij niet onder druk gezet om de overeenkomst te tekenen. Daarbij heeft [eiser] er ook op gewezen dat voordat hij arriveerde bij [bedrijf] de politie op verzoek van [gedaagde] ter plaatse is geweest, maar dat de politie heeft geconstateerd dat [gedaagde] vrijelijk kon vertrekken. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. [eiser] heeft ook aangevoerd dat hij zelf geen enkel belang had bij de overeenkomst en dat hij deze alleen is aangegaan in het belang van [gedaagde] omdat zij de auto nodig had. Daarnaast heeft hij gemotiveerd betwist dat [gedaagde] de afspraken niet heeft gelezen en dat zij niet is geïnformeerd over de inhoud daarvan.
3.10.
[gedaagde] heeft haar stellingen in het licht van de gemotiveerde betwisting onvoldoende onderbouwd, waardoor niet is komen vast te staan dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Daar komt bij dat [gedaagde] geen bewijsaanbod heeft gedaan. De rechtbank komt daarom niet toe aan een bewijsopdracht. Het verweer van [gedaagde] in conventie slaagt dus niet. Om dezelfde reden worden de vorderingen in reconventie afgewezen.
[gedaagde] moet de auto afgeven aan [eiser]
3.11.
Omdat [eiser] eigenaar is van de auto en [gedaagde] de auto zonder recht houdt kan [eiser] de auto opeisen (artikel 5:2 BW). [eiser] heeft onbetwist aangevoerd dat hij [gedaagde] meerdere malen heeft verzocht om € 7.000,- aan hem te betalen, of de auto aan hem af te geven. [gedaagde] heeft hieraan niet voldaan. Daarmee staat vast dat [gedaagde] geen toestemming heeft om de auto onder zich te houden. De vordering van [eiser] dat [gedaagde] de auto aan hem moet afgeven wordt daarom toegewezen. Omdat [gedaagde] tot nu toe niet bereid is gebleken de auto vrijwillig af te geven ziet de rechtbank aanleiding om een dwangsom op te leggen. De hoogte van de gevorderde dwangsom komt de rechtbank niet onredelijk voor, zodat deze zal worden toegewezen. Wel beperkt de rechtbank de maximum dwangsom tot € 10.000,- (artikel 611b Rv).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.12.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld in conventie en ook in het ongelijk gesteld in reconventie en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] in conventie en in reconventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
145,45
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.959,00
(3 punt × € 653,00)
- nakosten
€
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.741,45
3.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
3.14.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
4De beslissing
De rechtbank
in conventie:
4.1.
veroordeelt [gedaagde] binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis de Toyota Aygo X met kenteken [kentekennummer] en de twee bijbehorende voertuigsleutels af te geven aan [eiser] ,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling heeft voldaan, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt,
4.3.
wijst het anders of meer gevorderde af,
in reconventie
4.4.
wijst de vorderingen af,
in conventie en in reconventie
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 2.741,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. van Drongelen en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2026.4043/2537