Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:9457

2026-07-03 Civiel recht C/10/707219 / FA RK 25-7238 en C/10/711813/ FA RK 25-9543
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-07-03
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/707219 / FA RK 25-7238 en C/10/711813/ FA RK 25-9543
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Echtscheiding, terugverhuizing, omgangsregeling, verdeling. De omgang wordt voor onbepaalde tijd ontzegd.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.769 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



Zaaknummers: C/10/707219 / FA RK 25-7238 en C/10/711813/ FA RK 25-9543




Beschikking van 3 juli 2026 over de echtscheiding en nevenvoorzieningen




in de zaak tussen:





[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres in België,
advocaat mr. C. Bayrak te Bergen op Zoom,



en





[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. Z. Acer te Arnhem.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 23 september 2025;


het bericht van de vrouw van 17 november 2025;


het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken met bijlagen, ingekomen op 19 november 2025;


het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken tevens aanvullende verzoeken met bijlagen 11 december 2025;


het bericht met bijlage van de vrouw van 5 mei 2026.





1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij zijn verschenen:


de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;


namens de man zijn advocaat;


de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [persoon A] .





1.3
De minderjarige kinderen van partijen zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. De minderjarigen hebben hier gebruik van gemaakt. De oudste minderjarige heeft met de kinderrechter gesproken. De jongste minderjarige heeft zijn mening schriftelijk kenbaar gemaakt.






2De vaststaande feiten


2.1

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats 1] , hierna ook: [voornaam minderjarige 1] .

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 te [geboorteplaats 2] , hierna ook: [voornaam minderjarige 2] .



2.2
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Gorinchem op [huwelijksdatum] .



2.3
De vrouw oefent het eenhoofdig gezag over de kinderen uit.



2.4
De man heeft een onbekende nationaliteit en de vrouw heeft de Belgische nationaliteit.






3De beoordeling


3.1

Scheiding



3.1.1
De vrouw verzoekt de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.



3.1.2
De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.



3.1.3
Omdat ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van ten minste één van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.



3.1.4
Op grond van artikel 10:56 BW is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.



3.1.5
Op grond van artikel 815 lid 2 Rv, voor zover hier van belang, moet een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan bevatten met afspraken over de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Het ouderschapsplan is in de wet geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding. De rechtbank heeft daarom de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815 lid 6 Rv).



3.1.6
De vrouw heeft geen ouderschapsplan overgelegd. De vrouw heeft voldoende gemotiveerd dat het voor haar op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen. De rechtbank ontvangt de vrouw daarom in haar verzoek tot echtscheiding.



3.1.7
De verzochte echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden uitgesproken.




3.2

Huurrecht woning



3.2.1
De vrouw verzoekt het huurrecht van de woning aan de man toe te wijzen.



3.2.2
De man refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.



3.2.3
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4 lid 3 aanhef en sub a Rv komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.



3.2.4
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.



3.2.5
De rechtbank beslist volgens het verzoek, omdat dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond.




3.3

Terugverhuizing, hoofdverblijfplaats en omgangsregeling



3.3.1
De vrouw verzoekt te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.



3.3.2
De man voert gemotiveerd verweer. Hij verzoekt:


te bepalen dat de vrouw geboden wordt terug te verhuizen van Antwerpen naar Gorinchem binnen drie maanden na de te wijzen beschikking op straffe van een dwangsom van EUR 500,- per dagdeel met een maximum van EUR 50.000,-;


te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de man zullen hebben indien de vrouw niet terugkomt naar Nederland alsmede te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben vanaf het moment dat zij weer in Nederland woont;


een omgangsregeling tussen hem en de minderjarigen te bepalen waarbij hij wekelijks omgang heeft met de minderjarigen afhankelijk van hun schoolrooster.





3.3.3
De vrouw voert gemotiveerd verweer. Zij verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen. Bij aanvullend verzoek heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man voor onbepaalde tijd het recht op omgang met de minderjarigen wordt ontzegd.



3.3.4
De man verzoekt het aanvullend verzoek van de vrouw af te wijzen.



Rechtsmacht en toepasselijk recht




3.3.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen op het moment van indiening van het verzoekschrift in Nederland was.
De rechtbank is ook van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 Brussel II-ter bevoegd is om te beslissen over deze verzoeken. Het feit dat de minderjarigen op het moment van indiening van het verzoekschrift feitelijk al twee maanden in België verbleven, maakt nog niet dat hun gewone verblijfplaats op dat moment in België was. De vrouw heeft gesteld dat als de man na haar vertrek ‘alsnog zijn verantwoordelijkheid had genomen’, ze dan mogelijk nu ergens in Nederland bij hem in de buurt had gewoond. Op het moment van indiening van het verzoekschrift stond dus nog niet vast dat de toekomst van de minderjarigen in België lag. Daar komt bij dat [voornaam minderjarige 1] dertien jaar van haar leven in Nederland heeft gewoond en [voornaam minderjarige 2] zijn hele leven. De rechtbank komt op basis van deze omstandigheden tot het oordeel dat de gewone verblijfplaats van de minderjarigen op het moment van indiening van het verzoekschrift (nog) in Nederland was.




3.3.6
De Nederlandse rechter past op grond van artikel 15 HKV 1996 Nederlands recht op de verzoeken toe.



3.3.7
De vrouw heeft haar verzoek over de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. De rechtbank hoeft dus niet meer te beslissen op dit verzoek.



3.3.8

Ten aanzien van het zelfstandig verzoek van de man oordeelt de rechtbank als volgt.

Hoofdverblijfplaats




3.3.9

Op grond van artikel 1:253a BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag, waaronder een geschil over de hoofdverblijfplaats, op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd.
Gebleken is dat de minderjarigen voor het huwelijk van partijen zijn geboren en dat de man de minderjarigen niet heeft erkend. Omdat geen erkenning heeft plaatsgevonden, is de man geen juridisch ouder van de minderjarigen. Om die reden is na het huwelijk, anders dan wanneer de man de minderjarigen wel had erkend, niet van rechtswege gezamenlijk gezag tussen partijen ontstaan. De man kan vanwege het ontbreken van gezamenlijk gezag geen verzoek indienen dat ziet op de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen. De rechtbank zal de man, vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag, niet ontvankelijk verklaren in dit verzoek.




Terugverhuizing en omgangsregeling




3.3.10
De man heeft zijn advocaat recentelijk te kennen gegeven dat hij zich erbij neerlegt als de minderjarigen geen contact met hem willen. [voornaam minderjarige 1] heeft de kinderrechter te kennen gegeven dat zij geen contact wil hebben met de man. [voornaam minderjarige 2] heeft dat schriftelijk te kennen gegeven. Omdat de man niet aanwezig was tijdens de mondelinge behandeling, heeft de rechtbank de mondelinge behandeling geschorst om de advocaat van de man in de gelegenheid te stellen deze informatie telefonisch met de man te bespreken. Dat is niet gelukt, omdat de man telefonisch niet bereikbaar was. Daardoor is voor de rechtbank onbekend of de man zijn verzoeken wel of niet handhaaft. De rechtbank zal daarom beslissen op de verzoeken.



3.3.11
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en dat de niet met het gezag belaste ouder het recht heeft op en de verplichting heeft tot omgang met zijn kind. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd als:


omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of


de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of


het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of


omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.





3.3.12
Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, die ook is vastgelegd in artikel 1:377e lid 2 BW, is elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd tijdelijk van aard in die zin dat de ouder van wie het verzoek is afgewezen of aan wie de omgang is ontzegd zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden met het verzoek om een omgangsregeling vast te stellen.



3.3.13

De rechtbank is, evenals de raad, van oordeel dat omgang tussen de minderjarigen en de man niet in het belang van de minderjarigen is. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW zal het recht op omgang tussen de minderjarigen en de man voor onbepaalde tijd worden ontzegd. Voor [voornaam minderjarige 1] geldt de ontzeggingsgrond van artikel 1:377a lid 3 sub c BW.
Voor [voornaam minderjarige 2] gelden de ontzeggingsgronden van artikel 1:377a lid 3 sub a, b en d BW.




3.3.14
Gebleken is dat de minderjarigen in het verleden veel onveiligheid hebben ervaren vanwege het onvoorspelbare gedrag van de man en dat zij mede daarom geen contact met hem willen hebben. Hoewel ook is gebleken dat de man vanaf begin 2026 tot de datum van de mondelinge behandeling de minderjarigen en de vrouw niet meer lastig heeft gevallen, maakt dit het oordeel van de rechtbank niet anders. De man is niet naar de mondelinge behandeling gekomen. De rechtbank heeft hierdoor niet met de man kunnen bespreken hoe het op dit moment met hem gaat. De advocaat van de man heeft te kennen gegeven dat hij hulp krijgt die gericht is op zijn financiën en zijn emotieregulatie. Niet gebleken is dat de man ook behandeld wordt voor zijn drugsverslaving. Een van de kenmerken van een drugsverslaving is dat de verslaafde persoon onvoorspelbaar wordt in zijn of haar gedrag. Juist het mogelijk uitblijven van behandeling voor zijn drugsverslaving, maakt dat de man een onvoorspelbare ouder is en dat is niet in het belang van de minderjarigen. De uitlating van de man tegen zijn advocaat dat hij zich erbij neerlegt als de minderjarigen geen contact met hem willen, is hierdoor ook onzeker. De rechtbank adviseert de man om hulp te zoeken voor zijn drugsverslaving. Het is de verantwoordelijkheid van de man om een voorspelbare en stabiele ouder voor de minderjarigen te zijn.



3.3.15
Uit het voorgaande volgt dat de afstand tot de man die de verhuizing van de vrouw en de minderjarigen naar Antwerpen heeft opgeleverd, geen belemmerende factor is om een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen vorm te geven. Het verzoek van de man ten aanzien van de terugverhuizing van de minderjarigen naar Gorinchem wordt daarom afgewezen.




3.4

Afwikkeling van het huwelijksvermogensregime



3.4.1
Partijen zijn in een beperkte gemeenschap van goederen gehuwd.



3.4.2
De man verzoekt een verklaring voor recht dat partijen bij helfte draagplichtig zijn voor de huwelijkse schulden zoals door hem gespecificeerd onder randnummer 12 van zijn verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken.



3.4.3
De vrouw voert gemotiveerd verweer. De vrouw verzoekt te bepalen:


primair dat de man – met uitzondering van de belastingschuld Kindgebonden Budget over 2024 en 2025 die door de vrouw wordt afgelost – volledig draagplichtig en aansprakelijk is voor alle huwelijkse schulden zoals door hem gespecifieerd, met uitsluiting van iedere draagplicht van de vrouw;


subsidiair dat haar aandeel in de waarde van de inboedel wordt verrekend met het deel van de huwelijkse schulden waarvoor zij eventueel draagplichtig is.





3.4.4
De man voert gemotiveerd verweer tegen dit verzoek van de vrouw.



Rechtsmacht en toepasselijk recht




3.4.5
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.



3.4.6
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (hierna: het Verdrag) van toepassing.



3.4.7
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.



3.4.8
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna geen nationaliteit gemeenschappelijk in de zin van artikel 15 lid 1 van het Verdrag.



3.4.9
Partijen hebben hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijksvoltrekking op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd.



3.4.10
Omdat geen van de uitzonderingen van artikel 4 lid 2 van het Verdrag zich heeft voorgedaan, werd krachtens het bepaalde in artikel 4 lid 1 van het Verdrag vanaf de datum van de huwelijksvoltrekking het recht van de eerste gewone verblijfplaats, te weten het recht van Nederland, van toepassing op het huwelijksvermogensregime.



3.4.11
Dit recht is daarop nog steeds van toepassing.



Wettelijke peildatum




3.4.12
Op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en onder b BW is de peildatum voor de omvang van de huwelijksgemeenschap de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend, te weten 23 september 2025.



3.4.13
Voor een schuld vindt geen waardering plaats. Uitgegaan wordt van de hoogte van de schuld op de datum dat de huwelijksgemeenschap is ontbonden. Wijzigingen in de hoogte van de schuld na deze datum maken geen onderdeel uit van de ontbonden huwelijksgemeenschap.



3.4.14
Wat betreft de lasten omvat de gemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 7 BW alle vóór het bestaan van de gemeenschap ontstane gemeenschappelijke schulden, alle schulden betreffende goederen die al vóór de aanvang van de gemeenschap aan de echtgenoten gezamenlijk toebehoorden, en alle tijdens het bestaan van de gemeenschap ontstane schulden van ieder van de echtgenoten, met uitzondering van schulden als genoemd in artikel 1:94 lid 7 onder a tot en met c BW.



Bewind




3.4.15
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man te kennen gegeven dat de man ná de peildatum onder bewind is gesteld. De verzoeken ten aanzien van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen zien op huwelijkse schulden. Omdat deze schulden tot de peildatum lopen, is de bewindvoerder geen procespartij.



Huwelijkse schulden




3.4.16
In beginsel zijn partijen het erover eens dat de schulden die zien op de periode vanaf de huwelijkssluiting, te weten 16 februari 2022, tot de datum van het indienen van het verzoekschrift, te weten 23 september 2025, huwelijkse schulden zijn. Partijen zijn het niet eens over de interne draagplicht ten aanzien van deze huwelijkse schulden. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw geen omstandigheden heeft gesteld die maken dat moet worden afgeweken van artikel 1:100 lid 2 BW, te weten dat iedere echtgenoot gehouden is de helft van de huwelijkse schulden op de peildatum te dragen. Dit verzoek wordt daarom afgewezen. Ook zal het verrekenverzoek van de vrouw worden afgewezen. Niet staat vast dat de man het deel van de huwelijkse schuld waarvoor de vrouw draagplichtig is, zal gaan betalen. Ook staat niet vast dat de man, als hij het deel van de vrouw gaat betalen, het betaalde bedrag op de vrouw gaat verhalen.



3.4.17
De rechtbank zal daarom beslissen dat ieder van partijen de schuld op de peildatum voor de helft voor zijn/haar rekening moet nemen en als eigen schuld moet voldoen. Omdat dit overeenkomt met het verzoek van de man om voor recht te verklaren dat partijen bij helfte draagplichtig zijn voor de huwelijkse schulden, zal dit verzoek van de man worden toegewezen. Daarbij wordt opgemerkt dat deze beslissing niets afdoet aan de (hoofdelijke) aansprakelijkheid van ieder van partijen jegens de schuldeiser.



3.4.18
De rechtbank zal hierna beoordelen wat de hoogte van de door de man – na wijziging – gestelde schulden op de peildatum was.



Oasen drinkwater




3.4.19
Uit de door de man overgelegde factuur van Oasen drinkwater van 27 september 2025 blijkt dat het een voorschot betreft van € 30,52 voor de periode september 2025. De peildatum is 23 september 2025. Dit betekent dat de vrouw 22 dagen mee moet betalen aan het voorschot. Dit komt neer op een bedrag van € 22,38 (€ 30,52 : 30 x 22). Ieder van partijen moet deze schuld voor de helft voor zijn/haar rekening nemen en als eigen schuld voldoen.



3.4.20
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet draagplichtig is voor de incassokosten, omdat niet is gebleken dat deze op de peildatum al verschuldigd waren. De incassokosten kunnen daarom niet als huwelijkse schuld worden aangemerkt.



Poort6




3.4.21
Uit de door de man overgelegde factuur van Poort 6 van 21 oktober 2025 blijkt dat op die datum er een achterstand was in de betaling van de huur. De achterstand bedraagt voor de maand juli 2025 een bedrag van € 100,-, voor de maand augustus 2025 een bedrag van € 706,29 en voor de maand september 2025 een bedrag van € 706,29. De peildatum is 23 september 2025. De achterstand van de maanden juli en augustus 2025 zijn huwelijkse schulden van in totaal € 806,29. De achterstand van de maand september 2025 is 22 dagen een huwelijkse schuld. Dit komt neer op een bedrag van € 517,95 (€ 706,29 : 30 x 22). Partijen zijn het erover eens dat de achterstand voor de maand oktober 2025 geen huwelijkse schuld is, omdat die na de peildatum is gelegen. In totaal betrof de huurachterstand op de peildatum een bedrag van € 1.324,24. Ieder van partijen moet deze schuld voor de helft voor zijn/haar rekening nemen en als eigen schuld voldoen.



3.4.22
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw niet draagplichtig is voor de incassokosten, omdat niet is gebleken dat deze op de peildatum al verschuldigd waren. De incassokosten kunnen daarom niet als huwelijkse schuld worden aangemerkt.



Belastingsamenwerking Rivierenlanden (hierna BSR)




3.4.23

Uit de door de man overgelegde factuur van BSR van 29 juli 2025 blijkt een bedrag van € 501,26. De man heeft onweersproken gesteld dat deze factuur op de peildatum niet is voldaan. Hierdoor staat vast dat de schuld op de peildatum nog aanwezig was.
Tussen partijen is in geschil welk bedrag op de peildatum tot de huwelijkse schuld behoort. De rechtbank is van oordeel dat uit de omschrijving op de factuur blijkt dat het factuurbedrag ziet op het (kalender)jaar 2025. De huwelijkse schuld op de peildatum komt neer op een bedrag van € 334,16 (€ 501,26 : 12 maanden = € 41,77 per maand x 8 maanden) + € 30,63 (€ 41,77 : 30 dagen x 22 dagen) = € 364,79. Ieder van partijen moet deze schuld voor de helft voor zijn/haar rekening nemen en als eigen schuld voldoen.




Belastingdienst huurtoeslag 2022




3.4.24

Uit de door de man overgelegde aanslag van de Dienst toeslagen van het Ministerie van Financiën van 4 augustus 2025 blijkt een openstaand bedrag van € 643,-.
De man heeft onweersproken gesteld dat de aanslag op de peildatum niet is voldaan. Hierdoor staat vast dat de schuld op de peildatum nog aanwezig was. Tussen partijen is in geschil welk bedrag op de peildatum tot de huwelijkse schuld behoort. Partijen zijn op
16 februari 2022 in het huwelijk getreden. Vanaf deze datum viel de ontvangen huurtoeslag in de huwelijksgemeenschap van partijen. De huwelijkse schuld op de peildatum komt neer op een bedrag van € 535,83 (€ 643,- : 12 maanden = € 53,58 per maand x 10 maanden) + € 24,88 (€ 53,58 : 28 dagen x 13 dagen) = totaal € 560,71. Ieder van partijen moet deze schuld voor de helft voor zijn/haar rekening nemen en als eigen schuld voldoen.




Belastingdienst zorgtoeslag 2023/huurtoeslag 2023/huurtoeslag 2024/aanslag bijdrage zorgverzekeringswet 2024/zorgtoeslag 2024




3.4.25
De man heeft onweersproken gesteld dat deze schulden op de peildatum nog bestonden. Het gaat dus om huwelijkse schulden. Ook heeft de man onweersproken gesteld dat de huwelijkse schulden op de peildatum neerkomen op € 127,- (zorgtoeslag 2023) , € 321,- (huurtoeslag 2023), € 4.103,- (huurtoeslag 2024), € 1.445,- (bijdrage zorgverzekeringwet) en € 2.270,- (zorgtoeslag 2024). Ieder van partijen moet deze schulden voor de helft voor zijn/haar rekening nemen en als eigen schulden voldoen.




3.5

Proceskosten



3.5.1
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.







4De beslissing


De rechtbank:



4.1
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [huwelijksdatum] te Gorinchem;



4.2
bepaalt dat de man met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidings-beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, huurder zal zijn van de echtelijke woning aan de [adres] ( [postcode] ) te Gorinchem;



4.3
ontzegt de man het recht op omgang met de minderjarigen voor onbepaalde tijd;



4.4
verklaart voor recht dat partijen onderling ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de huwelijkse schulden, te weten voor de schulden:


Oasen drinkwater totaal € 22,38


Poort6 totaal € 1.324,24


Belastingsamenwerking Rivierenlanden totaal € 364,79


Huurtoeslag 2022 totaal € 560,71


Zorgtoeslag 2023 € 127,-


Huurtoeslag 2023 € 321,-


Huurtoeslag 2024 € 4.103,-


Aanslag bijdrage zorgverzekeringswet 2024 € 1.445,-


Zorgtoeslag 2024 € 2.270,-





4.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad, behalve ten aanzien van de echtscheiding;


4.6
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



4.7
wijst af het meer of anders verzochte.









Deze beschikking is gegeven door mr. M.B. van den Enden, voorzitter en (kinder)rechter,
mr. E. Lunenberg en mr. L.E.D. Tjeertes, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. N.A.J.M. Rasenberg, griffier, op 3 juli 2026.











































Tegen de eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- de verschenen partij(en), binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- de niet verschenen partij(en), binnen drie maanden na de betekening van de beschikking aan hem/haar in persoon of binnen drie maanden nadat deze op een andere manier is betekend en openbaar is gemaakt door het plaatsen van een uittreksel van de beschikking in de Staatscourant.