Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:9310
2026-06-12
Civiel recht
12088754 CV EXPL 26-3901
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Zorgverzekeringsovereenkomst. Volgens eiser heeft gedaagde een betalingsachterstand laten ontstaan. De vorderingen van eiser worden toegewezen met uitzondering van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.685 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12088754 CV EXPL 26-3901
datum uitspraak: 12 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] N.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 19 januari 2026, met bijlagen;
de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ,
de repliek, met bijlagen;
1.2.
[gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om te reageren op de repliek van [eiseres] . Dit heeft [gedaagde] niet gedaan.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft bij [eiseres] een zorgverzekering afgesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [gedaagde] elke maand premie aan [eiseres] betalen.
2.2.
Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] de maandelijkse premie, ter hoogte van € 147,45, over de maand februari 2024 niet betaald. [eiseres] eist daarom in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om dit bedrag aan haar te betalen, met rente en kosten.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiseres] . Namens [gedaagde] heeft zijn buurvrouw gesteld dat de premie over de maand februari 2024 wél is betaald. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van deze stelling meerdere betalingsbewijzen overgelegd. Verder geeft [gedaagde] aan dat hij geen betalingsherinneringen heeft gehad, maar dat hij meteen is gedagvaard.
[gedaagde] moet het bedrag van € 147,45 aan [eiseres] betalen
2.4.
[gedaagde] stelt dat hij het bedrag van € 147,45 al heeft betaald. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [gedaagde] dertien bankafschriften overgelegd waarop bedragen aan [eiseres] worden overgemaakt.
2.5.
[eiseres] betwist dat [gedaagde] de premie over de maand februari 2024 al heeft betaald. Volgens [eiseres] heeft geen van de door [gedaagde] overgelegde afschriften betrekking op de premie over de maand februari 2024. [eiseres] heeft de betalingen uit de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften in een overzicht naast de maandelijkse betalingsverplichtingen van [gedaagde] gelegd. Uit deze vergelijking volgt dat geen van de betalingen die door [gedaagde] zijn overgelegd, gekoppeld kan worden aan de premie over de maand februari 2024. [gedaagde] heeft naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting van [eiseres] zijn stelling niet nader onderbouwd. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagde] . [gedaagde] wordt daarom veroordeeld om het bedrag van € 147,45 aan [eiseres] te betalen.
[gedaagde] hoeft geen vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten te betalen
2.6.
[eiseres] eist een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft pas recht op een vergoeding voor deze kosten als zij een brief aan [gedaagde] heeft gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). [eiseres] stelt dat zij op 8 februari 2024 per email een dergelijke veertiendagenbrief heeft gestuurd. Zij heeft deze brief bij de dagvaarding overgelegd. Op basis van de ontvangsttheorie die geldt, moet deze brief [gedaagde] hebben bereikt om werking te hebben (artikel 3:37 lid 3 BW). De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat hij betwist dat hij een veertiendagenbrief heeft ontvangen van [eiseres] , nu hij heeft aangevoerd geen enkele betalingsherinnering te hebben gekregen en alleen de dagvaarding heeft ontvangen.
2.7.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat de veertiendagenbrief [gedaagde] heeft bereikt. Hoewel [eiseres] bij repliek opnieuw heeft verwezen naar de reeds bij dagvaarding overgelegde e-mail van 8 februari 2024, heeft zij niet toegelicht waarom moet worden aangenomen dat [gedaagde] deze e-mail heeft ontvangen. Nu [gedaagde] de ontvangst tijdens het mondelinge antwoord heeft betwist, lag het op de weg van [eiseres] om de ontvangst nader te onderbouwen. [eiseres] heeft dit niet gedaan. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.8.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De rente, berekend tot 19 januari 2026, bedraagt € 19,48.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). Voor zover [gedaagde] meent dat hij rauwelijks is gedagvaard door [eiseres] , volgt de kantonrechter hem hierin niet. Uit de stukken die door [eiseres] zijn overgelegd blijkt namelijk dat [eiseres] voorafgaand aan deze procedure verschillende aanmaningen heeft gestuurd in het kader van de onderhavige schuld. Dit is door [gedaagde] niet meer betwist. De kantonrechter kan [gedaagde] daarom niet volgen in zijn stelling dat hij tot aan de dagvaarding niets van [eiseres] heeft vernomen.
2.10.
De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 64,50 aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punt x € 43,-) en € 21,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 371,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 166,93 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 147,45 vanaf 19 januari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 371,14;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
64362
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12088754 CV EXPL 26-3901
datum uitspraak: 12 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] N.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 19 januari 2026, met bijlagen;
de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde] ,
de repliek, met bijlagen;
1.2.
[gedaagde] heeft de gelegenheid gekregen om te reageren op de repliek van [eiseres] . Dit heeft [gedaagde] niet gedaan.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] heeft bij [eiseres] een zorgverzekering afgesloten. Op grond van deze overeenkomst moet [gedaagde] elke maand premie aan [eiseres] betalen.
2.2.
Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] de maandelijkse premie, ter hoogte van € 147,45, over de maand februari 2024 niet betaald. [eiseres] eist daarom in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld om dit bedrag aan haar te betalen, met rente en kosten.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiseres] . Namens [gedaagde] heeft zijn buurvrouw gesteld dat de premie over de maand februari 2024 wél is betaald. [gedaagde] heeft ter onderbouwing van deze stelling meerdere betalingsbewijzen overgelegd. Verder geeft [gedaagde] aan dat hij geen betalingsherinneringen heeft gehad, maar dat hij meteen is gedagvaard.
[gedaagde] moet het bedrag van € 147,45 aan [eiseres] betalen
2.4.
[gedaagde] stelt dat hij het bedrag van € 147,45 al heeft betaald. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [gedaagde] dertien bankafschriften overgelegd waarop bedragen aan [eiseres] worden overgemaakt.
2.5.
[eiseres] betwist dat [gedaagde] de premie over de maand februari 2024 al heeft betaald. Volgens [eiseres] heeft geen van de door [gedaagde] overgelegde afschriften betrekking op de premie over de maand februari 2024. [eiseres] heeft de betalingen uit de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften in een overzicht naast de maandelijkse betalingsverplichtingen van [gedaagde] gelegd. Uit deze vergelijking volgt dat geen van de betalingen die door [gedaagde] zijn overgelegd, gekoppeld kan worden aan de premie over de maand februari 2024. [gedaagde] heeft naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting van [eiseres] zijn stelling niet nader onderbouwd. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan de stelling van [gedaagde] . [gedaagde] wordt daarom veroordeeld om het bedrag van € 147,45 aan [eiseres] te betalen.
[gedaagde] hoeft geen vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten te betalen
2.6.
[eiseres] eist een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft pas recht op een vergoeding voor deze kosten als zij een brief aan [gedaagde] heeft gestuurd waarin [gedaagde] de kans heeft gekregen om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te betalen (artikel 6:96 lid 6 BW). [eiseres] stelt dat zij op 8 februari 2024 per email een dergelijke veertiendagenbrief heeft gestuurd. Zij heeft deze brief bij de dagvaarding overgelegd. Op basis van de ontvangsttheorie die geldt, moet deze brief [gedaagde] hebben bereikt om werking te hebben (artikel 3:37 lid 3 BW). De kantonrechter begrijpt uit de stellingen van [gedaagde] dat hij betwist dat hij een veertiendagenbrief heeft ontvangen van [eiseres] , nu hij heeft aangevoerd geen enkele betalingsherinnering te hebben gekregen en alleen de dagvaarding heeft ontvangen.
2.7.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat de veertiendagenbrief [gedaagde] heeft bereikt. Hoewel [eiseres] bij repliek opnieuw heeft verwezen naar de reeds bij dagvaarding overgelegde e-mail van 8 februari 2024, heeft zij niet toegelicht waarom moet worden aangenomen dat [gedaagde] deze e-mail heeft ontvangen. Nu [gedaagde] de ontvangst tijdens het mondelinge antwoord heeft betwist, lag het op de weg van [eiseres] om de ontvangst nader te onderbouwen. [eiseres] heeft dit niet gedaan. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.8.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De rente, berekend tot 19 januari 2026, bedraagt € 19,48.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). Voor zover [gedaagde] meent dat hij rauwelijks is gedagvaard door [eiseres] , volgt de kantonrechter hem hierin niet. Uit de stukken die door [eiseres] zijn overgelegd blijkt namelijk dat [eiseres] voorafgaand aan deze procedure verschillende aanmaningen heeft gestuurd in het kader van de onderhavige schuld. Dit is door [gedaagde] niet meer betwist. De kantonrechter kan [gedaagde] daarom niet volgen in zijn stelling dat hij tot aan de dagvaarding niets van [eiseres] heeft vernomen.
2.10.
De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 64,50 aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punt x € 43,-) en € 21,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 371,14. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.11.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 166,93 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 147,45 vanaf 19 januari 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 371,14;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.W.M. Laurijssens en in het openbaar uitgesproken.
64362