Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8972

2026-05-15 Strafrecht 10-258865-25 (ontneming)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-05-15
Publicatiedatum
2026-07-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
10-258865-25 (ontneming)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 4.200,-. zie ook ECLI:NL:RBROT:2026:8971

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.465 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Rotterdam


Meervoudige kamer strafzaken



Parketnummer: 10-258865-25 (ontneming)



Datum uitspraak: 15 mei 2026
Tegenspraak



Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, naar aanleiding van de vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) van de officier van justitie in de zaak tegen





[veroordeelde], de veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres [adres], [postcode] te [plaatsnaam],
gedetineerd in [naam PI],
raadsvrouw mr. N. Assouiki, advocaat in Tilburg.




1Procedure
De officier van justitie heeft bij vordering van 20 april 2026 ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel gevorderd.


Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2026, gelijktijdig met het onderzoek van de strafzaak.




2Voorafgaande veroordeling
Bij vonnis van deze rechtbank van 15 mei 2026 (hierna: het strafvonnis) is de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar met bijzondere voorwaarden. Daarnaast is aan hem de maatregel kostenverhaal ex artikel 13d van de Opiumwet opgelegd van € 2.966,35. Hij is veroordeeld voor het in de periode van 18 augustus 2025 tot en met 2 oktober 2025 opzettelijk in vereniging produceren van MDMA-pillen, het vervoeren van onder meer MDMA-pillen en het aanwezig hebben van 332,23 kilogram MDMA op de dag van de ontdekking van de productielocatie op 2 oktober 2025. Dit vonnis is niet onherroepelijk.


In de ontnemingsprocedure wordt als vaststaand aangenomen dat het bewezenverklaarde door de veroordeelde is begaan. Een kopie van het strafvonnis is als bijlage aan dit vonnis gehecht.




3Vordering
De vordering van de officier van justitie mr. N.J. Jacobs strekt tot het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr op een bedrag van € 4.200,- en het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de Staat.


De vordering is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr. Volgens de officier van justitie is sprake van voordeel verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld.



De officier van justitie heeft de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel bepaald aan de hand van het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel, rapportnummer 38 uit het onderzoek Jetski /RTRAA25077 (hierna: het ontnemingsrapport). De veroordeelde zou 20 ritten hebben uitgevoerd voor het vervoer van onder meer MDMA-pillen, waar hij gemiddeld een vergoeding voor kreeg per rit van € 75,- (€ 100,- voor lange ritten en € 50,- voor korte ritten). Hiermee zou hij dus € 1.500,- hebben verdiend. Ook zou hij MDMA-pillen hebben ‘getikt’ en daarmee € 2.700 hebben verdiend (uitgaande van 720.000 pillen x €0.0075 per pil = € 5.400, verdeeld tussen hem en een andere ‘pillentikker’). Op grond van deze berekening zou het wederrechtelijk voordeel voor de veroordeelde € 4.200,- bedragen.




4Standpunt verdediging
De verdediging heeft primair afwijzing van de vordering bepleit en subsidiair vermindering. De veroordeelde stelt dat hij geen pillen heeft getikt of een vergoeding heeft ontvangen. Dit is door de officier van justitie ook onvoldoende onderbouwd. Verder heeft de veroordeelde slechts een maximaal bedrag van € 1.000,- ontvangen voor de ritten die hij heeft gereden.



5Beoordeling en schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De ontnemingsmaatregel heeft een reparatoir karakter en beoogt de veroordeelde in de vermogenspositie te brengen waarin hij verkeerde voor het plegen van het strafbare feiten waaruit hij in de concrete omstandigheden daadwerkelijk voordeel heeft verkregen.


De rechtbank is van oordeel dat uit het ontnemingsrapport aannemelijk is geworden dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door het plegen van de bewezenverklaarde strafbare feiten. Dat voordeel dient hem te worden ontnomen.



In het vonnis in de strafzaak is vastgesteld dat de veroordeelde de strafbare feiten, in vereniging met zijn medeplegers, heeft begaan. Dat geldt ook voor het tikken van pillen. Uit het ontnemingsrapport wordt voldoende aannemelijk wat het voordeel is dat de veroordeelde hiermee wederrechtelijk heeft verkregen. De berekeningen zijn zowel gebaseerd op chats als op de eigen verklaringen van de veroordeelde over zijn verdiensten (per pil). Ook is voldoende aannemelijk hoe de berekening van het voordeel uit de ritten tot stand is gekomen. De verweren van de verdediging worden verworpen.




Conclusie

Gezien het voorgaande wordt het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 4.200,-.




6Vaststelling van de betalingsverplichting


Inleiding

Uitgangspunt is dat de betalingsverplichting wordt vastgesteld op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Er is in deze zaak geen reden om daarvan af te wijken.

Conclusie

De slotsom is dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd om een bedrag van € 4.200,- aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.



Bij deze beslissing zijn de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in aanmerking genomen.




9Maximale duur gijzeling
Op grond van artikel 6:6:25 Wetboek van Strafvordering zal de duur van de gijzeling worden vastgesteld die ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal van het ontnemingsbedrag niet mogelijk is.


Op grond van artikel 36e, elfde lid, Sr bedraagt de maximale duur van de gijzeling drie jaar.
Onder verwijzing naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken zal de maximale duur van de gijzeling worden vastgesteld op 42 dagen. Daarbij gaat de rechtbank uit van één dag gijzeling voor elke € 100,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel.




10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.



11Beslissing
De rechtbank:


stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt
geschat, vast op € 4.200,- (zegge: vierduizend tweehonderd euro);



legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 4.200,- (zegge: vierduizend tweehonderd euro) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel;



bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv ten hoogste kan worden gevorderd op 42 dagen (zegge: tweeënveertig dagen).




Dit vonnis is gewezen door:
mr. H. Wielhouwer, voorzitter,
en mrs. E.M. Havik en E.M. Moison, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. van Driel, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 15 mei 2026.