Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:8649

2026-03-05 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/650478 / FA RK 23-37
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-03-05
Publicatiedatum
2026-07-15
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/650478 / FA RK 23-37
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verhaalsbijdrage o.g.v. de Participatiewet. Langer aanhouding van de zaak brengt onredelijke vertraging mee (art. 20 lid 1 Rv). Man is niet verschenen. Aan zijn verweer zoals gesteld in zijn verweerschrift gaat de rechtbank voorbij, omdat dit onvoldoende is onderbouwd en toegelicht. De man heeft verder aangegeven in een schuldhulptraject te zitten, maar die stelling is niet verder onderbouwd. Het verzoek wordt toegewezen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.980 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



Zaaknummer / rekestnummer: C/10/650478 / FA RK 23-37





Beschikking van 5 maart 2026 over verhaal op grond van de Participatiewet




in de zaak van:




het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam,

hierna: de gemeente, zetelende te Rotterdam,
gemachtigde [naam] ,



t e g e n





[naam man]
,
hierna: de man,
wonende te [woonplaats] ,
momenteel zonder advocaat.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de gemeente, ingekomen op 2 januari 2023;


het verweerschrift van de man, ingekomen op 28 februari 2023;


het bericht met bijlagen van de man van 26 mei 2025;


het gewijzigde verzoekschrift met bijlagen van de gemeente, ingekomen op


26 juni 2025;
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 juli 2025.



1.2.
Na aanhouding op 11 juli 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij is verschenen de gemachtigde van de gemeente voornoemd. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.






2De vaststaande feiten


2.1.


[naam vrouw] (hierna: de vrouw) is de moeder van de minderjarigen:

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2008 te [geboorteplaats] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] en

[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2022 te [geboorteplaats] .




2.2.
De man heeft minderjarigen erkend.





3De beoordeling



Aanhoudingsverzoek



3.1.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de man tweemaal verzocht om aanhouding in verband met zijn werkzaamheden. Beide verzoeken zijn afgewezen. De procedure loopt al meer dan twee jaar, waardoor verdere aanhouding een onredelijke vertraging van de procedure meebrengt (artikel 20 lid 1 Rv). Bovendien is de mondelinge behandeling op 11 juli 2025 al een keer aangehouden in verband de werkzaamheden van de man. De man was bovendien al sinds 17 november 2025 op de hoogte van deze mondelinge behandeling. De man is nog aangeboden om via een telefonische verbinding bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn, maar de man heeft aangegeven daarvan geen gebruik te kunnen maken. De rechtbank komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.



Het voorliggende verzoek




3.2.
De gemeente verzoekt (bij gewijzigd verzoek) te bepalen dat ter zake van gemaakte kosten van bijstand van de vrouw en de minderjarigen over de periode van 1 augustus 2022 tot en met 15 januari 2023, door de man een bedrag van € 495,- per maand aan de gemeente zal worden voldaan, tot een totaalsom van € 2.722,66.



3.3.
Van de man is een verweerschrift ontvangen waarin hij verweer voert. In de kern komt het verweer erop neer dat de man al een bijdrage levert aan de minderjarigen en ook mantelzorger is van de vrouw. De man heeft zijn verweer echter niet nader onderbouwd met stukken en ook niet toegelicht tijdens de mondelinge behandeling. De rechtbank gaat daarom voorbij aan dit verweer.



3.4.
De man heeft bij zijn aanhoudingsverzoek nog aangegeven dat hij op dit moment in een schuldhulptraject zit. Ook na een daartoe strekkend verzoek van de rechtbank, heeft hij hierover geen nadere informatie verstrekt. De rechtbank constateert in ieder geval dat de man niet voorkomt in het Centraal Insolventie-register (waarin te raadplegen is of iemand is toegelaten in de wettelijke schuldsanering) en evenmin in het Centraal curatele- en bewindregister (waarin te raadplegen is of iemand vanwege problematische schulden onder bewind is geplaatst).



3.5.
Omdat de man zijn verweer onvoldoende heeft onderbouwd en toegelicht, wordt aan zijn verweer voorbij gegaan. Het verzoek kan als onweersproken en niet onrechtmatig of ongegrond worden toegewezen.



3.6.
De gemeente heeft aangegeven ervoor open te staan dat de man in termijnen de verhaalsbijdrage terugbetaalt.



Proceskosten




3.7.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.










4De beslissing


De rechtbank:



4.1.
stelt het door de man aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag gedurende de periode van 1 augustus 2022 tot en met 15 januari 2023 vast op € 495,- per maand, tot een totaalsom van € 2.722,66;



4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.









Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van S. Breeman, griffier, op 5 maart 2026.














































Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.