Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:8512
2026-07-15
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
ROT 25/4569
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
SV WIA. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.
Citeert (3)
- ECLI:NL:CRVB:2025:1163 Centrale Raad van Beroep 30-07-2025
- ECLI:NL:CRVB:2022:1524 Centrale Raad van Beroep 30-06-2022
- ECLI:NL:CRVB:2019:2961 Centrale Raad van Beroep 11-09-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (18.723 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4569
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft met het besluit van 22 juli 2024 (het primaire besluit) de aanvraag om een WIA-uitkering per
5 april 2024 (datum in geding) afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiser heeft op 15 september 2025 een aanvullend beroepschrift ingediend. Het UWV heeft op 30 oktober 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 18 mei 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser was werkzaam als logistiek medewerker toen hij zich op 8 april 2022 ziek heeft gemeld vanwege gezondheidsklachten. Per einde wachttijd heeft eiser bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft per 5 april 2024 een maandelijks voorschot op een WIA-uitkering toegekend.
2.1.
Naar aanleiding van de WIA-aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De arts, van wie het oordeel is getoetst en akkoord is bevonden door een verzekeringsarts, heeft eiser op 15 mei 2024 op het spreekuur gezien en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, geldig per 4 april 2024. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken: fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Met inachtneming van de functionele beperkingen van eiser heeft de arbeidsdeskundige een aantal gangbare functies geselecteerd, namelijk: productiemedewerkerindustrie (samenstellen van producten), lader/losser, textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel), medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) en telefonisch verkoper (outbound). Het loon dat eiser met de mediaanfunctie (de middelste van de drie eerstgenoemde functies) kan verdienen, ligt 0% lager dan het maatmaninkomen van eiser. Het UWV heeft vervolgens, met inachtneming van de conclusies van de primaire arts en de arbeidsdeskundige, de aanvraag om een WIA-uitkering afgewezen en de voorschotverlening beëindigd.
2.2.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 15 april 2025 eiser opnieuw medisch onderzocht en in de rapportage van
16 april 2025 geconcludeerd dat de belastbaarheid van eiser ten aanzien van één punt, namelijk het staan, in de FML moet worden aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft zich in de rapportage van 22 april 2025 op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van de conclusie van de arbeidsdeskundige. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser wordt opnieuw op 0% vastgesteld. Het UWV heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.
Het toetsingskader
3. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatman-inkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
3.1.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.
De zorgvuldigheid en de medische beoordeling
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het medisch onderzoek is onzorgvuldig, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector en een summiere anamnese heeft afgenomen. Eiser stelt verder dat zijn klachten ten opzichte van de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWB) zijn toegenomen, maar dat niet is gemotiveerd waarom dit geen gevolg heeft voor zijn belastbaarheid. Volgens eiser is de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep innerlijk tegenstrijdig, omdat de FML vanuit de EZWB wordt gehandhaafd, terwijl aan de herniadiagnose wordt getwijfeld en deconditionering wordt gesteld. Daarbij komt dat de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistent zijn, omdat ze niet overeenkomen met de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens eiser ook in strijd met de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ geen urenbeperking (van twintig uur per week) aangenomen, terwijl sprake is van chronische pijn, slaapstoornissen en opioïdengebruik. Ondanks het Tramadol-gebruik van eiser heeft de verzekeringsarts ook geen veiligheidsbeperkingen geconstateerd. Eiser acht de prognose van de verzekeringsarts bezwaar en beroep speculatief, omdat zonder behandeling of een objectieve basis binnen zes tot twaalf maanden verbetering wordt verwacht, terwijl zijn klachten sinds 2022 structureel zijn.
De zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek
5. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, de hoorzitting van 15 april 2024 bijgewoond en een medisch onderzoek uitgevoerd. Het gegeven dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector maakt dit niet anders. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) mag een verzekeringsarts in beginsel varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin een behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene of indien de betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerde afwijkende opvatting heeft over zijn beperkingen.De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 16 april 2025 gemotiveerd toegelicht dat voldoende gegevens van de behandelend sector in het dossier aanwezig waren. Daarnaast is volgens de rechtbank niet duidelijk geworden welke informatie de verzekeringsarts bezwaar en beroep precies had moeten opvragen. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser ten tijde van de datum in geding een behandeling onderging of dat de behandelend sector een afwijkende opvatting had. Uit het dossier blijkt dat de laatste afspraak van eiser met de fysiotherapeut in 2022 was. En eiser is weliswaar doorverwezen naar een neuroloog, waar ook een eerste afspraak heeft plaatsgevonden, toch blijkt niet dat hij daar vervolgens onder behandeling was.
5.1.
Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat uit de rapportage van 16 april 2025 kan worden opgemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een uitgebreide anamnese heeft afgenomen. Zowel uit het bezwaarschrift, als uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt niet dat eiser melding heeft gedaan van toegenomen klachten ten opzichte van de EZWB. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook geen toename in klachten geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank bestond daarom voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook geen aanleiding om bij de heroverweging in bezwaar uit te gaan van toegenomen klachten.
5.2.
Ook is geen sprake geweest van een innerlijke tegenstrijdige rapportage. De rechtbank constateert dat zowel de primaire arts, als de arts die de EZWB heeft uitgevoerd, het standpunt heeft ingenomen dat niet kan worden uitgegaan van een diagnose van hernia, omdat deze door een neuroloog moet worden vastgesteld en dat sprake is van deconditionering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft weliswaar de FML gehandhaafd die ten tijde van de EZWB is opgesteld, toch heeft hij daarbij over de herniadiagnose en de deconditionering geen afwijkend standpunt ingenomen ten opzichte van de primaire arts en de arts die de EZWB heeft uitgevoerd. Een diagnose is ook niet doorslaggevend bij de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid, het gaat immers om de te objectiveren beperkingen voor het verrichten van arbeid.
De belastbaarheid van eiser
6. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistent zijn met de beperkingen die zijn vastgesteld in de FML. Eiser heeft de gestelde inconsistentie tussen de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de opgestelde FML niet onderbouwd. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat de prognose van de verzekeringsarts bezwaar en beroep speculatief is. De primaire arts heeft in zijn rapportage van 16 juli 2024 gemotiveerd toegelicht waarom een verbetering van de klachten kan worden verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook voldoende gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor een beperking ten aanzien van beroepsmatig vervoer, omdat uit de anamnese van de primaire arts blijkt dat eiser ten tijde van de datum in geding (nog) geen medicatie gebruikte, waaronder de voorgeschreven Tramadol (omdat hij daar maagklachten van kreeg en het medicijn niet hielp).
7. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat uitgaande van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ geen medische indicatie bestaat voor het aannemen van een beperking van de duurbelastbaarheid. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is geen sprake van een stoornis in de energiehuishouding, een structureel verminderde beschikbaarheid door het moeten ondergaan van een voorgeschreven behandeling of aanleiding voor een urenbeperking op preventieve gronden, wanneer rekening wordt gehouden met zijn beperkingen zoals opgenomen in de FML.
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat eiser meer beperkt te achten dan zoals is vastgesteld in de FML. Eiser heeft verder geen medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist moet worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de functionele mogelijkheden van eiser per datum in geding dan ook op correcte wijze vastgesteld.
De arbeidskundige beoordeling
9. Eiser voert aan dat de arbeidsdeskundige met indexcijfers van april 2024 heeft gerekend, terwijl de arbeidsdeskundige rapportage op 22 juli 2024 is opgemaakt. Het beleid van het UWV om bij de arbeidsdeskundige beoordeling de datum in geding te hanteren, is volgens eiser in strijd met het Schattingsbesluit, waaruit volgt dat bij de schatting een zo recent en nauwkeurig mogelijk loon- en functiegegeven moet worden gebruikt. Een onjuiste berekening van de restverdiencapaciteit levert strijd op met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Ten aanzien van de geselecteerde functies stelt eiser zich op het standpunt dat bij een juiste FML de functies geheel wegvallen, wat resulteert in onvoldoende passende arbeid en een arbeidsongeschiktheidspercentage van meer dan 35%.
Het maatmanloon
10. Nu het arbeidsdeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden op 24 juli 2024 gaat het in dit geval om het indexcijfer van juni 2024. Het standpunt van het UWV dat de datum in geding leidend is voor het te hanteren indexcijfer, volgt de rechtbank niet. Uit artikel 8, eerste lid, van het Schattingsbesluit volgt dat de eerst gepubliceerde cijfers van de index van de CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, zoals die uiterlijk ten tijde van het arbeidsdeskundig onderzoek door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd, worden gehanteerd. De arbeidsdeskundige heeft het loonindexcijfer van april 2024 (117,7) gebruikt, terwijl hij het loonindexcijfer van juni 2024 (118,3) had moeten gebruiken. Dit tast echter het bestreden besluit niet aan, omdat ook met toepassing van het juiste loonindexcijfer het arbeidsongeschiktheidspercentage minder dan 35% blijft. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren.
De geschiktheid van de geduide functies
11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van eiser zouden overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd dat de geselecteerde functies binnen de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid vallen.
11.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat in de functie Productiemedewerker industrie de belastbaarheid van eiser ten aanzien van zitten, staan en lopen niet wordt overschreden. Voor de functie van Lader/losser heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat geen sprake is van traplopen (of klimmen). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij de functie Textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) gemotiveerd toegelicht dat deze functie binnen de gestelde belastbaarheid van eiser blijft. De rechtbank stelt vast dat uit de Resultaat functiebeoordeling blijkt dat voor de geselecteerde functies geen signaleringen zijn gegeven die de belastbaarheid van eiser te buiten gaan.
12. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 0%.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht eisers aanvraag om een WIA-uitkering heeft afgewezen, omdat hij per 5 april 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
13.1.
De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om het UWV te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Daarnaast zal worden bepaald dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 30 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1163 en 30 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1524.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2961.
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4569
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. V.C.D. Klaassen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV, (gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
1.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft met het besluit van 22 juli 2024 (het primaire besluit) de aanvraag om een WIA-uitkering per
5 april 2024 (datum in geding) afgewezen.
1.2.
Met het besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiser heeft op 15 september 2025 een aanvullend beroepschrift ingediend. Het UWV heeft op 30 oktober 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek op 18 mei 2026 gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser was werkzaam als logistiek medewerker toen hij zich op 8 april 2022 ziek heeft gemeld vanwege gezondheidsklachten. Per einde wachttijd heeft eiser bij het UWV een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft per 5 april 2024 een maandelijks voorschot op een WIA-uitkering toegekend.
2.1.
Naar aanleiding van de WIA-aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. De arts, van wie het oordeel is getoetst en akkoord is bevonden door een verzekeringsarts, heeft eiser op 15 mei 2024 op het spreekuur gezien en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld, geldig per 4 april 2024. Hierin zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rubrieken: fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Met inachtneming van de functionele beperkingen van eiser heeft de arbeidsdeskundige een aantal gangbare functies geselecteerd, namelijk: productiemedewerkerindustrie (samenstellen van producten), lader/losser, textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel), medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) en telefonisch verkoper (outbound). Het loon dat eiser met de mediaanfunctie (de middelste van de drie eerstgenoemde functies) kan verdienen, ligt 0% lager dan het maatmaninkomen van eiser. Het UWV heeft vervolgens, met inachtneming van de conclusies van de primaire arts en de arbeidsdeskundige, de aanvraag om een WIA-uitkering afgewezen en de voorschotverlening beëindigd.
2.2.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 15 april 2025 eiser opnieuw medisch onderzocht en in de rapportage van
16 april 2025 geconcludeerd dat de belastbaarheid van eiser ten aanzien van één punt, namelijk het staan, in de FML moet worden aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft zich in de rapportage van 22 april 2025 op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om af te wijken van de conclusie van de arbeidsdeskundige. Het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser wordt opnieuw op 0% vastgesteld. Het UWV heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.
Het toetsingskader
3. Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatman-inkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.
Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.
3.1.
In het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (het Schattingsbesluit) zijn regels gesteld voor de beoordeling van het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen.
De zorgvuldigheid en de medische beoordeling
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het medisch onderzoek is onzorgvuldig, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector en een summiere anamnese heeft afgenomen. Eiser stelt verder dat zijn klachten ten opzichte van de Eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWB) zijn toegenomen, maar dat niet is gemotiveerd waarom dit geen gevolg heeft voor zijn belastbaarheid. Volgens eiser is de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep innerlijk tegenstrijdig, omdat de FML vanuit de EZWB wordt gehandhaafd, terwijl aan de herniadiagnose wordt getwijfeld en deconditionering wordt gesteld. Daarbij komt dat de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistent zijn, omdat ze niet overeenkomen met de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volgens eiser ook in strijd met de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ geen urenbeperking (van twintig uur per week) aangenomen, terwijl sprake is van chronische pijn, slaapstoornissen en opioïdengebruik. Ondanks het Tramadol-gebruik van eiser heeft de verzekeringsarts ook geen veiligheidsbeperkingen geconstateerd. Eiser acht de prognose van de verzekeringsarts bezwaar en beroep speculatief, omdat zonder behandeling of een objectieve basis binnen zes tot twaalf maanden verbetering wordt verwacht, terwijl zijn klachten sinds 2022 structureel zijn.
De zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek
5. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier bestudeerd, de hoorzitting van 15 april 2024 bijgewoond en een medisch onderzoek uitgevoerd. Het gegeven dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische informatie heeft opgevraagd bij de behandelend sector maakt dit niet anders. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) mag een verzekeringsarts in beginsel varen op zijn eigen oordeel. Raadpleging van de behandelend sector is aangewezen in die gevallen waarin een behandeling een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid van de betrokkene of indien de betrokkene stelt dat de behandelende sector een beredeneerde afwijkende opvatting heeft over zijn beperkingen.De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 16 april 2025 gemotiveerd toegelicht dat voldoende gegevens van de behandelend sector in het dossier aanwezig waren. Daarnaast is volgens de rechtbank niet duidelijk geworden welke informatie de verzekeringsarts bezwaar en beroep precies had moeten opvragen. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser ten tijde van de datum in geding een behandeling onderging of dat de behandelend sector een afwijkende opvatting had. Uit het dossier blijkt dat de laatste afspraak van eiser met de fysiotherapeut in 2022 was. En eiser is weliswaar doorverwezen naar een neuroloog, waar ook een eerste afspraak heeft plaatsgevonden, toch blijkt niet dat hij daar vervolgens onder behandeling was.
5.1.
Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat uit de rapportage van 16 april 2025 kan worden opgemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een uitgebreide anamnese heeft afgenomen. Zowel uit het bezwaarschrift, als uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt niet dat eiser melding heeft gedaan van toegenomen klachten ten opzichte van de EZWB. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook geen toename in klachten geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank bestond daarom voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook geen aanleiding om bij de heroverweging in bezwaar uit te gaan van toegenomen klachten.
5.2.
Ook is geen sprake geweest van een innerlijke tegenstrijdige rapportage. De rechtbank constateert dat zowel de primaire arts, als de arts die de EZWB heeft uitgevoerd, het standpunt heeft ingenomen dat niet kan worden uitgegaan van een diagnose van hernia, omdat deze door een neuroloog moet worden vastgesteld en dat sprake is van deconditionering. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft weliswaar de FML gehandhaafd die ten tijde van de EZWB is opgesteld, toch heeft hij daarbij over de herniadiagnose en de deconditionering geen afwijkend standpunt ingenomen ten opzichte van de primaire arts en de arts die de EZWB heeft uitgevoerd. Een diagnose is ook niet doorslaggevend bij de vraag of sprake is van arbeidsongeschiktheid, het gaat immers om de te objectiveren beperkingen voor het verrichten van arbeid.
De belastbaarheid van eiser
6. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep inconsistent zijn met de beperkingen die zijn vastgesteld in de FML. Eiser heeft de gestelde inconsistentie tussen de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de opgestelde FML niet onderbouwd. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat de prognose van de verzekeringsarts bezwaar en beroep speculatief is. De primaire arts heeft in zijn rapportage van 16 juli 2024 gemotiveerd toegelicht waarom een verbetering van de klachten kan worden verwacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook voldoende gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat voor een beperking ten aanzien van beroepsmatig vervoer, omdat uit de anamnese van de primaire arts blijkt dat eiser ten tijde van de datum in geding (nog) geen medicatie gebruikte, waaronder de voorgeschreven Tramadol (omdat hij daar maagklachten van kreeg en het medicijn niet hielp).
7. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en inzichtelijk gemotiveerd dat uitgaande van de standaard ‘Duurbelastbaarheid in Arbeid’ geen medische indicatie bestaat voor het aannemen van een beperking van de duurbelastbaarheid. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is geen sprake van een stoornis in de energiehuishouding, een structureel verminderde beschikbaarheid door het moeten ondergaan van een voorgeschreven behandeling of aanleiding voor een urenbeperking op preventieve gronden, wanneer rekening wordt gehouden met zijn beperkingen zoals opgenomen in de FML.
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep duidelijk en inzichtelijk heeft gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat eiser meer beperkt te achten dan zoals is vastgesteld in de FML. Eiser heeft verder geen medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist moet worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de functionele mogelijkheden van eiser per datum in geding dan ook op correcte wijze vastgesteld.
De arbeidskundige beoordeling
9. Eiser voert aan dat de arbeidsdeskundige met indexcijfers van april 2024 heeft gerekend, terwijl de arbeidsdeskundige rapportage op 22 juli 2024 is opgemaakt. Het beleid van het UWV om bij de arbeidsdeskundige beoordeling de datum in geding te hanteren, is volgens eiser in strijd met het Schattingsbesluit, waaruit volgt dat bij de schatting een zo recent en nauwkeurig mogelijk loon- en functiegegeven moet worden gebruikt. Een onjuiste berekening van de restverdiencapaciteit levert strijd op met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. Ten aanzien van de geselecteerde functies stelt eiser zich op het standpunt dat bij een juiste FML de functies geheel wegvallen, wat resulteert in onvoldoende passende arbeid en een arbeidsongeschiktheidspercentage van meer dan 35%.
Het maatmanloon
10. Nu het arbeidsdeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden op 24 juli 2024 gaat het in dit geval om het indexcijfer van juni 2024. Het standpunt van het UWV dat de datum in geding leidend is voor het te hanteren indexcijfer, volgt de rechtbank niet. Uit artikel 8, eerste lid, van het Schattingsbesluit volgt dat de eerst gepubliceerde cijfers van de index van de CAO-lonen per uur inclusief bijzondere beloningen, zoals die uiterlijk ten tijde van het arbeidsdeskundig onderzoek door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gepubliceerd, worden gehanteerd. De arbeidsdeskundige heeft het loonindexcijfer van april 2024 (117,7) gebruikt, terwijl hij het loonindexcijfer van juni 2024 (118,3) had moeten gebruiken. Dit tast echter het bestreden besluit niet aan, omdat ook met toepassing van het juiste loonindexcijfer het arbeidsongeschiktheidspercentage minder dan 35% blijft. De rechtbank ziet daarom aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb te passeren.
De geschiktheid van de geduide functies
11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de belasting van de geselecteerde functies de mogelijkheden van eiser zouden overschrijden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd dat de geselecteerde functies binnen de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde belastbaarheid vallen.
11.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft afdoende gemotiveerd dat in de functie Productiemedewerker industrie de belastbaarheid van eiser ten aanzien van zitten, staan en lopen niet wordt overschreden. Voor de functie van Lader/losser heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht dat geen sprake is van traplopen (of klimmen). De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bij de functie Textielproductenmaker (excl. vervaardigen textiel) gemotiveerd toegelicht dat deze functie binnen de gestelde belastbaarheid van eiser blijft. De rechtbank stelt vast dat uit de Resultaat functiebeoordeling blijkt dat voor de geselecteerde functies geen signaleringen zijn gegeven die de belastbaarheid van eiser te buiten gaan.
12. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 0%.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht eisers aanvraag om een WIA-uitkering heeft afgewezen, omdat hij per 5 april 2024 minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
13.1.
De rechtbank ziet in de toepassing van artikel 6:22 van de Awb aanleiding om het UWV te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Daarnaast zal worden bepaald dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat het UWV het door eiser betaalde griffierecht van € 53,- vergoedt;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Zoethout, rechter, in aanwezigheid van E.M. Janssens, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 30 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1163 en 30 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1524.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 11 september 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2961.