Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:8117
2026-03-12
Civiel recht; Verbintenissenrecht
11717914 CV EXPL 25-194
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Geld via verschillende overboekingen per bank overgemaakt. Geldlening ex artikel 7:129 lid 1 BW? Aangaan van een terugbetalingsverbintenis wordt aangenomen. Geld moet worden terugbetaald.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2013:BZ4104 Hoge Raad 14-06-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.737 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11717914 CV EXPL 25-194
datum uitspraak: 12 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. W.J. Oomkes,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. W. Suttorp.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 20 mei 2025, met bijlagen;
het antwoord;
de brief van [eiseres] van 23 januari 2026, met bijlage.
1.2.
Op 5 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiseres] en haar gemachtigde en [gedaagde] en zijn gemachtigde. Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen kennen elkaar via het uitgaan in Spijkenisse en hadden sinds 2022 ook contact via Snapchat.
2.2.
In de periode van 3 augustus 2022 tot en met 31 maart 2023 heeft [eiseres] per bank via acht verschillende overboekingen in totaal € 11.400,00 aan [gedaagde] overgemaakt. Bij de eerste overboeking op 3 augustus 2022 en de laatste overboeking op 31 maart 2023 is als omschrijving vermeld “Lening”.
2.3.
Op 4 december 2023 heeft [eiseres] € 0,01 per bank aan [gedaagde] overgemaakt met in de omschrijving de volgende tekst:
“Beter ga je me weer voegen .. want ik ga dit niet laten dat je t ff weet”
2.4.
[eiseres] heeft naar het Snapchataccount van [gedaagde] een bericht gestuurd met de tekst:
“Waarom heb je me verwijderd????
Ik ga me geld niet meer zien he ?
Ik hoop echt dat dit niks betekend dit kan je me gwn niet aandoen”
2.5.
Vanaf het Snapchataccount van [gedaagde] is op het bericht van [eiseres] onder 2.4. gereageerd als volgt:
“ [roepnaam gedaagde] is er zelf niet ik ben zijn vriendin dat is
Perongeluk gegaan
Hij zou je deze week
Bellen
Hij had je vorige week ook gebeld
Hij zegt tegen mij dat alles goed komt”
3Het geschil
3.1.
[eiseres] eist – na eisvermindering – samengevat:
[gedaagde] te veroordelen aan haar € 12.341,47 te betalen, met rente;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 11.400,00, rente van € 52,47 (berekend tot 16 mei 2025) en buitengerechtelijke kosten van € 889,00.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. In 2022 heeft [eiseres] met [gedaagde] een overeenkomst van geldlening gesloten. [gedaagde] zou het bedrag terugbetalen. Over het moment waarop zou worden terugbetaald zijn geen afspraken gemaakt. In de periode van 3 augustus 2022 tot en met 31 maart 2023 heeft [eiseres] via verschillende overboekingen een totaalbedrag van € 11.400,00 per bank aan [gedaagde] overgemaakt. [eiseres] heeft [gedaagde] aangemaand tot terugbetaling van het aan hem uitgeleende geld, maar zij heeft geen reactie of betaling ontvangen.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering. Hij betwist dat er tussen partijen een geldleningsovereenkomst is gesloten. Partijen hadden een meer dan vriendschappelijke relatie. Van begin 2022 tot de zomer van 2022 gingen [eiseres] en [gedaagde] samen uit. [eiseres] had geen geld en [gedaagde] betaalde voor hen beide tijdens het uitgaan. Toen [eiseres] wel geld had, heeft zij haar deel van de kosten aan [gedaagde] terugbetaald. De betalingen van [eiseres] aan [gedaagde] met de omschrijving ‘lening’ zien op terugbetaling van een door [gedaagde] verstrekte lening aan [eiseres] .
4De beoordeling
Er is sprake van een overeenkomst van geldlening en [gedaagde] moet € 11.400,00 terugbetalen
4.1.
Op grond van artikel 7:129 BW lid 1 BW is een overeenkomst van geldlening de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat [eiseres] een totaalbedrag van € 11.400,00 aan [gedaagde] heeft overgemaakt. Partijen twisten over de vraag of [gedaagde] een terugbetalingsverbintenis is aangegaan voor het geld dat [eiseres] naar hem heeft overgemaakt. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit wel het geval is en baseert dat oordeel op het volgende:
1) [eiseres] heeft het geld in betrekkelijk korte tijd overgemaakt (naar eigen zeggen omdat [gedaagde] had gezegd dit nodig te hebben voor een investering en kosten voor een advocaat). Zij heeft op de zitting concreet toegelicht hoe de gesprekken tussen haar en [gedaagde] zijn verlopen. [gedaagde] heeft daarentegen nauwelijks uitgelegd waar het ‘uitgaansgeld’ aan is uitgegeven ondanks dat het om een fors bedrag in zeer korte tijd ging.
2) Bij twee overboekingen is als omschrijving het woord “Lening” vermeld. Dit bevestigt de verklaring van [eiseres] . [gedaagde] heeft slechts aangevoerd dat hij zich niet meer kan herinneren waarom en waarvoor hij zelf geld uitgeleend zou hebben aan [eiseres] . Bovendien blijkt uit de bankafschriften van [eiseres] dat zij op dat moment niet om geld verlegen zat (zoals [gedaagde] heeft aangevoerd) maar dat zij juist een aanzienlijke som spaargeld op haar rekening had staan.
3) [eiseres] heeft verklaard dat [gedaagde] steeds heeft gezegd dat zolang hij haar niet blokkeerde of verwijderde, er niets aan de hand was. Op het moment dat [eiseres] door [gedaagde] op Snapchat werd geblokkeerd dacht [eiseres] dat ze het geld niet meer zou terugkrijgen. Zij heeft geprobeerd via de overboeking in contact te komen met [gedaagde] over de terugbetaling. De inhoud van het bericht bij de overgelegde bankoverschrijving van € 0,01 bevestigt dit. [gedaagde] heeft enkel aangevoerd dat hij niet aan het verzoek van [eiseres] , om haar weer toe te voegen op Snapchat, wilde voldoen, maar is niet ingegaan op de inhoud van het bericht.
4) De inhoud van het Snapchat bericht aan het account van [gedaagde] , waarop vanaf datzelfde account is geantwoord met de opmerking: “Hij (ktr: [gedaagde] ) zegt tegen mij dat alles goed komt”. Ook dit bevestigt de verklaring van [eiseres] dat [gedaagde] het geld aan haar zou terugbetalen, terwijl [gedaagde] alleen heeft aangevoerd het bericht aan zijn Snapchataccount nooit te hebben gezien.
Al het voorgaande in samenhang bezien komt de kantonrechter tot het oordeel dat er tussen partijen sprake is van een overeenkomst van geldlening en dat [gedaagde] het ontvangen geld moet terugbetalen.
De vordering tot terugbetaling is op 29 mei 2025 opeisbaar geworden
4.3.
Op grond van artikel 7:129e BW is de lener verplicht het door hem op grond van de overeenkomst verschuldigde terug te geven binnen zes weken nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, tenzij een ander tijdstip voor de terugbetaling uit de overeenkomst voortvloeit. [eiseres] stelt dat er geen afspraken zijn gemaakt over het moment waarop [gedaagde] het geleende geld aan [eiseres] zou terugbetalen. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Vaststaat daarom dat er geen tijdstip is afgesproken voor het terugbetalen van de geldlening. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of, en zo ja wanneer, [eiseres] tot opeising is overgegaan. Dat wordt hierna besproken.
4.4.
Op 16 april 2025 heeft [eiseres] [gedaagde] met een brief aangemaand om het geleende bedrag terug te betalen. [gedaagde] heeft de ontvangst van de brief betwist en hij heeft op zitting gezegd dat het adres waar de brief naartoe is verzonden niet zijn adres is. Daarna heeft hij gezegd dat het ‘misschien’ een oud adres van hem is. In artikel 3:37 lid 3 BW is bepaald dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt.
Een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, heeft ook haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt. Tijdens de zitting is vastgesteld dat de brief naar het adres van [gedaagde] is verstuurd waar hij op dat moment stond ingeschreven bij de gemeente. [eiseres] mocht daarom redelijkerwijs aannemen dat [gedaagde] op het betreffende adres in Alblasserdam kon worden bereikt en dat de verklaring daar is aangekomen. [eiseres] heeft dan ook op 16 april 2025 aan [gedaagde] medegedeeld tot opeising van de geldlening over te gaan, zodat de geldlening zes weken later (op 29 mei 2025) opeisbaar is geworden.
[gedaagde] moet incassokosten van € 889,00 betalen
4.5.
De incassokosten van € 889,00 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
4.6.
De rente is toewijsbaar over de hoofdsom vanaf 29 mei 2025 (zie r.o. 4.4. hiervoor). Voor toewijzing van rente vanaf een eerdere datum is geen grondslag.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op:
€ 145,45 aan dagvaardingskosten;
€ 93,00 aan griffierecht;
€ 792,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 396,00);
€ 135,00 aan nakosten.
Dat is in totaal € 1.165,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 12.289,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 11.400,00 vanaf 29 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.165,45 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.
67379 / 60669
HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391.
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11717914 CV EXPL 25-194
datum uitspraak: 12 maart 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres]
,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. W.J. Oomkes,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. W. Suttorp.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 20 mei 2025, met bijlagen;
het antwoord;
de brief van [eiseres] van 23 januari 2026, met bijlage.
1.2.
Op 5 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [eiseres] en haar gemachtigde en [gedaagde] en zijn gemachtigde. Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Partijen kennen elkaar via het uitgaan in Spijkenisse en hadden sinds 2022 ook contact via Snapchat.
2.2.
In de periode van 3 augustus 2022 tot en met 31 maart 2023 heeft [eiseres] per bank via acht verschillende overboekingen in totaal € 11.400,00 aan [gedaagde] overgemaakt. Bij de eerste overboeking op 3 augustus 2022 en de laatste overboeking op 31 maart 2023 is als omschrijving vermeld “Lening”.
2.3.
Op 4 december 2023 heeft [eiseres] € 0,01 per bank aan [gedaagde] overgemaakt met in de omschrijving de volgende tekst:
“Beter ga je me weer voegen .. want ik ga dit niet laten dat je t ff weet”
2.4.
[eiseres] heeft naar het Snapchataccount van [gedaagde] een bericht gestuurd met de tekst:
“Waarom heb je me verwijderd????
Ik ga me geld niet meer zien he ?
Ik hoop echt dat dit niks betekend dit kan je me gwn niet aandoen”
2.5.
Vanaf het Snapchataccount van [gedaagde] is op het bericht van [eiseres] onder 2.4. gereageerd als volgt:
“ [roepnaam gedaagde] is er zelf niet ik ben zijn vriendin dat is
Perongeluk gegaan
Hij zou je deze week
Bellen
Hij had je vorige week ook gebeld
Hij zegt tegen mij dat alles goed komt”
3Het geschil
3.1.
[eiseres] eist – na eisvermindering – samengevat:
[gedaagde] te veroordelen aan haar € 12.341,47 te betalen, met rente;
[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente;
het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Het bedrag dat wordt geëist, bestaat uit de hoofdsom van € 11.400,00, rente van € 52,47 (berekend tot 16 mei 2025) en buitengerechtelijke kosten van € 889,00.
3.2.
[eiseres] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. In 2022 heeft [eiseres] met [gedaagde] een overeenkomst van geldlening gesloten. [gedaagde] zou het bedrag terugbetalen. Over het moment waarop zou worden terugbetaald zijn geen afspraken gemaakt. In de periode van 3 augustus 2022 tot en met 31 maart 2023 heeft [eiseres] via verschillende overboekingen een totaalbedrag van € 11.400,00 per bank aan [gedaagde] overgemaakt. [eiseres] heeft [gedaagde] aangemaand tot terugbetaling van het aan hem uitgeleende geld, maar zij heeft geen reactie of betaling ontvangen.
3.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering. Hij betwist dat er tussen partijen een geldleningsovereenkomst is gesloten. Partijen hadden een meer dan vriendschappelijke relatie. Van begin 2022 tot de zomer van 2022 gingen [eiseres] en [gedaagde] samen uit. [eiseres] had geen geld en [gedaagde] betaalde voor hen beide tijdens het uitgaan. Toen [eiseres] wel geld had, heeft zij haar deel van de kosten aan [gedaagde] terugbetaald. De betalingen van [eiseres] aan [gedaagde] met de omschrijving ‘lening’ zien op terugbetaling van een door [gedaagde] verstrekte lening aan [eiseres] .
4De beoordeling
Er is sprake van een overeenkomst van geldlening en [gedaagde] moet € 11.400,00 terugbetalen
4.1.
Op grond van artikel 7:129 BW lid 1 BW is een overeenkomst van geldlening de kredietovereenkomst waarbij de ene partij, de uitlener, zich verbindt aan de andere partij, de lener, een som geld te verstrekken en de lener zich verbindt aan de uitlener een overeenkomstige som geld terug te betalen.
4.2.
Tussen partijen staat vast dat [eiseres] een totaalbedrag van € 11.400,00 aan [gedaagde] heeft overgemaakt. Partijen twisten over de vraag of [gedaagde] een terugbetalingsverbintenis is aangegaan voor het geld dat [eiseres] naar hem heeft overgemaakt. De kantonrechter gaat ervan uit dat dit wel het geval is en baseert dat oordeel op het volgende:
1) [eiseres] heeft het geld in betrekkelijk korte tijd overgemaakt (naar eigen zeggen omdat [gedaagde] had gezegd dit nodig te hebben voor een investering en kosten voor een advocaat). Zij heeft op de zitting concreet toegelicht hoe de gesprekken tussen haar en [gedaagde] zijn verlopen. [gedaagde] heeft daarentegen nauwelijks uitgelegd waar het ‘uitgaansgeld’ aan is uitgegeven ondanks dat het om een fors bedrag in zeer korte tijd ging.
2) Bij twee overboekingen is als omschrijving het woord “Lening” vermeld. Dit bevestigt de verklaring van [eiseres] . [gedaagde] heeft slechts aangevoerd dat hij zich niet meer kan herinneren waarom en waarvoor hij zelf geld uitgeleend zou hebben aan [eiseres] . Bovendien blijkt uit de bankafschriften van [eiseres] dat zij op dat moment niet om geld verlegen zat (zoals [gedaagde] heeft aangevoerd) maar dat zij juist een aanzienlijke som spaargeld op haar rekening had staan.
3) [eiseres] heeft verklaard dat [gedaagde] steeds heeft gezegd dat zolang hij haar niet blokkeerde of verwijderde, er niets aan de hand was. Op het moment dat [eiseres] door [gedaagde] op Snapchat werd geblokkeerd dacht [eiseres] dat ze het geld niet meer zou terugkrijgen. Zij heeft geprobeerd via de overboeking in contact te komen met [gedaagde] over de terugbetaling. De inhoud van het bericht bij de overgelegde bankoverschrijving van € 0,01 bevestigt dit. [gedaagde] heeft enkel aangevoerd dat hij niet aan het verzoek van [eiseres] , om haar weer toe te voegen op Snapchat, wilde voldoen, maar is niet ingegaan op de inhoud van het bericht.
4) De inhoud van het Snapchat bericht aan het account van [gedaagde] , waarop vanaf datzelfde account is geantwoord met de opmerking: “Hij (ktr: [gedaagde] ) zegt tegen mij dat alles goed komt”. Ook dit bevestigt de verklaring van [eiseres] dat [gedaagde] het geld aan haar zou terugbetalen, terwijl [gedaagde] alleen heeft aangevoerd het bericht aan zijn Snapchataccount nooit te hebben gezien.
Al het voorgaande in samenhang bezien komt de kantonrechter tot het oordeel dat er tussen partijen sprake is van een overeenkomst van geldlening en dat [gedaagde] het ontvangen geld moet terugbetalen.
De vordering tot terugbetaling is op 29 mei 2025 opeisbaar geworden
4.3.
Op grond van artikel 7:129e BW is de lener verplicht het door hem op grond van de overeenkomst verschuldigde terug te geven binnen zes weken nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan, tenzij een ander tijdstip voor de terugbetaling uit de overeenkomst voortvloeit. [eiseres] stelt dat er geen afspraken zijn gemaakt over het moment waarop [gedaagde] het geleende geld aan [eiseres] zou terugbetalen. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. Vaststaat daarom dat er geen tijdstip is afgesproken voor het terugbetalen van de geldlening. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of, en zo ja wanneer, [eiseres] tot opeising is overgegaan. Dat wordt hierna besproken.
4.4.
Op 16 april 2025 heeft [eiseres] [gedaagde] met een brief aangemaand om het geleende bedrag terug te betalen. [gedaagde] heeft de ontvangst van de brief betwist en hij heeft op zitting gezegd dat het adres waar de brief naartoe is verzonden niet zijn adres is. Daarna heeft hij gezegd dat het ‘misschien’ een oud adres van hem is. In artikel 3:37 lid 3 BW is bepaald dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt.
Een verklaring die hem tot wie zij was gericht, niet of niet tijdig heeft bereikt, heeft ook haar werking, indien dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling, van de handeling van personen voor wie hij aansprakelijk is, of van andere omstandigheden die zijn persoon betreffen en rechtvaardigen dat hij het nadeel draagt. Tijdens de zitting is vastgesteld dat de brief naar het adres van [gedaagde] is verstuurd waar hij op dat moment stond ingeschreven bij de gemeente. [eiseres] mocht daarom redelijkerwijs aannemen dat [gedaagde] op het betreffende adres in Alblasserdam kon worden bereikt en dat de verklaring daar is aangekomen. [eiseres] heeft dan ook op 16 april 2025 aan [gedaagde] medegedeeld tot opeising van de geldlening over te gaan, zodat de geldlening zes weken later (op 29 mei 2025) opeisbaar is geworden.
[gedaagde] moet incassokosten van € 889,00 betalen
4.5.
De incassokosten van € 889,00 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] moet rente betalen
4.6.
De rente is toewijsbaar over de hoofdsom vanaf 29 mei 2025 (zie r.o. 4.4. hiervoor). Voor toewijzing van rente vanaf een eerdere datum is geen grondslag.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op:
€ 145,45 aan dagvaardingskosten;
€ 93,00 aan griffierecht;
€ 792,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 396,00);
€ 135,00 aan nakosten.
Dat is in totaal € 1.165,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
4.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
5De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 12.289,00 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 11.400,00 vanaf 29 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.165,45 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.
67379 / 60669
HR 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104, NJ 2013/391.