Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:7144
2026-06-17
Civiel recht; Verbintenissenrecht
C/10/700401 / HA ZA 25-437
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Een aannemer maakt maatwerkmeubelen voor een cosmetische kliniek en verbouwt die. De kliniek consteert oplevergebreken. Twee partijdeskundigen hebben het bestaan van gebreken bevestigd. De kliniek maakt aanspraak op kosten van herstel conform impressietekeningen die voor het aangaan van de aannemingsovereenkomst zijn verstrekt. Die vordering wordt afgewezen. De rechtbank schat de herstelkosten en wijst vervangende schadevergoeding toe. De aannemer vordert in reconventie betaling van openstaande facturen. Die vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.763 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/700401 / HA ZA 25-437
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[bedrijf A]
,
gevestigd te [vestigingsplaats A] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf A] ,
advocaat: mr. Ö. Kenç,
tegen
[bedrijf B]
,
gevestigd te [vestigingsplaats B] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf B] ,
advocaat: mr. C.J.H. Anker.
1De zaak in het kort
[bedrijf B] heeft voor [bedrijf A] maatwerkmeubelen gemaakt en een cosmetische kliniek verbouwd. [bedrijf A] meent dat zij niet heeft gekregen wat zij op grond van impressietekeningen mocht verwachten en ook dat het werk gebreken vertoont. [bedrijf A] vordert vervangende schadevergoeding. [bedrijf B] vordert op haar beurt betaling van de slotfactuur voor de door haar verrichte werkzaamheden. De rechtbank veroordeelt [bedrijf B] tot het betalen van vervangende schadevergoeding en [bedrijf A] tot het betalen van een deel van de slotfactuur.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 25 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte houdende een wijziging en vermeerdering van de eis van [bedrijf A] van 7 april 2026;
- de akte overlegging producties van [bedrijf A] van 13 mei 2026 met producties 41-50;
- de spreekaantekeningen van [bedrijf A] en [bedrijf B] voor de mondelinge behandeling van 3 juni 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[bedrijf A] drijft een onderneming die zich bezig houdt met het uitvoeren van cosmetische behandelingen, zoals botox- en fillerbehandelingen.
3.2.
[bedrijf B] drijft een aannemingsbedrijf dat zich bezig houdt met onder meer interieurbouw. [naam] is indirect, via [bedrijf C] , bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf B] .
3.3.
Op 26 april 2023 heeft [bedrijf B] na een intakegesprek een eerste offerte uitgebracht voor de bouw van maatmeubelen voor en de verbouwing van een cosmetische kliniek van [bedrijf A] in Rotterdam. Bij deze offerte heeft [bedrijf B] impressietekeningen (“3D Artist Impressions”) verstrekt waarop te zien is hoe de kliniek er na de verbouwing uit zal zien.
3.4.
Op 29 juni 2023 heeft [bedrijf B] een aangepaste offerte uitgebracht. [bedrijf A] heeft die offerte op dezelfde datum aanvaard. Hierdoor is tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen, waarin onder meer staat dat de aanneemsom wordt berekend op € 88.774,00 (exclusief btw), dat oplevering plaatsvindt op 1 oktober 2023 en ook dat de algemene voorwaarden van [bedrijf B] van toepassing zijn.
3.5.
Artikel 13 lid 3 van de algemene voorwaarden van [bedrijf B] luidt:
“13.3. Niet voor vergoeding in aanmerking komt:
a. indirecte schade, waaronder maar niet beperkt tot bedrijfsschade waaronder bijvoorbeeld stagnatieschade en gederfde winst;
(…)”
3.6.
Op 4 juli 2023 heeft [bedrijf A] een bedrag van € 53.708,27 (inclusief btw) aanbetaald.
3.7.
Op 5 september 2023 is [bedrijf B] met de werkzaamheden begonnen. Op 12 september 2023 heeft [bedrijf B] technische tekeningen aan [bedrijf A] verstrekt.
3.8.
Op 3 oktober 2023 hebben partijen het pand waarin de kliniek van [bedrijf A] is gevestigd bezocht met het oog op de oplevering.
3.9.
Op 4 oktober 2023 heeft [bedrijf B] [bedrijf A] een lijst met opleverpunten gestuurd. [bedrijf A] heeft op die lijst gereageerd.
3.10.
Op 12 oktober 2023 heeft [bedrijf B] [bedrijf A] een nacalculatie gestuurd. De aanneemsom bedroeg volgens die nacalculatie € 93.423,00 exclusief btw. Dat is € 113.041,83 inclusief btw. [bedrijf B] heeft € 107.416,56 inclusief btw gefactureerd. Zij maakt aanspraak op een bedrag van € 5.625,29 inclusief btw op grond van de nacalculatie dat zij nog niet heeft gefactureerd.
3.11.
[bedrijf A] heeft op de facturen van [bedrijf B] in totaal een bedrag van € 93.989,48 inclusief btw betaald. De slotfactuur van € 13.427,07 heeft [bedrijf A] onbetaald gelaten. [bedrijf A] heeft ook het bedrag van de nacalculatie betwist.
3.12.
Op 15 oktober 2023 heeft [bedrijf A] aan [bedrijf B] een eigen lijst van oplevergebreken met foto’s gestuurd. Het betreft een PDF van 90 pagina’s.
3.13.
Bij brief van 6 november 2023 heeft een jurist van de VvAA namens [bedrijf A] [bedrijf B] gesommeerd om de gebreken in de lijst van [bedrijf A] te herstellen binnen 14 dagen bij gebreke waarvan [bedrijf A] de verbintenis om de gebreken te herstellen zal omzetten in een verbintenis om vervangende schadevergoeding te betalen. De lijst van gebreken van [bedrijf A] van 15 oktober 2023 is als bijlage bij de brief gevoegd.
3.14.
Op 10 december 2023 heeft [bedrijf B] geschreven dat zij de opleverpunten waarover geen discussie bestaat wil herstellen.
3.15.
Bij email van 20 december 2023 heeft de VvAA [bedrijf B] geschreven dat [bedrijf A] instemt met herstel van de erkende opleverpunten, mits er een plan van aanpak komt opdat de bedrijfsvoering van [bedrijf A] zo min mogelijk wordt gehinderd.
3.16.
Bij email van 17 januari 2024 heeft [bedrijf B] aan het herstel van de erkende opleverpunten de voorwaarde verbonden dat na dat herstel de slottermijn van € 13.427,07 betaald moet worden en dat [bedrijf A] voor “meerwerk” (bedoeld is: de extra aanneemsom als gevolg van de nacalculatie) zal betalen. [bedrijf A] is hiermee niet akkoord gegaan.
3.17.
Op 22 mei 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden in de kliniek van [bedrijf A] . [naam] nam deel aan die bespreking samen met een jurist van DAS Rechtsbijstand. [bedrijf A] had bijstand van een jurist van de VvAA. Het doel van de bespreking was om een minnelijke regeling te beproeven. [naam] is tijdens die bespreking boos weggelopen.
3.18.
Op 29 mei 2024 heeft de VvAA namens [bedrijf A] een brief gestuurd met de strekking dat zij de verbintenis van [bedrijf B] omzet in een verbintenis tot het betalen van vervangende schadevergoeding. [bedrijf A] heeft aangekondigd een deskundige opdracht te zullen geven om de gebreken en de herstelkosten vast te stellen.
3.19.
[bedrijf A] heeft Dekra opdracht verleend om het werk van [bedrijf B] te onderzoeken. Op 15 augustus en op 16 september 2024 heeft de deskundige van Dekra de kliniek van [bedrijf A] bezocht. [naam] is namens [bedrijf B] bij het eerste bezoek van Dekra aanwezig geweest.
3.20.
Op 28 oktober 2024 heeft Dekra gerapporteerd. Dekra heeft gebreken geconstateerd aan onder meer stucwerk, de tegelvloer en de PVC-vloer op de eerste verdieping. In totaal rapporteerde Dekra 26 gebreken die het gevolg zijn van ondeugdelijk werk van [bedrijf B] . Dekra begroot de herstel- en vervangingskosten op een bedrag van € 51.350,00 inclusief btw. Dekra heeft ook gerapporteerd dat het geoffreerde lichtplan niet is geleverd, dat betwijfeld wordt of bouwbegeleiding heeft plaatsgevonden en ook dat wat [bedrijf B] tot stand heeft gebracht qua uitstraling, esthetische kwaliteit en omvang van de inrichting niet is wat [bedrijf A] mocht verwachten op basis van de impressietekeningen.
3.21.
Bij brief van 21 november 2024 heeft de VvAA namens [bedrijf A] het rapport van Dekra aan DAS gestuurd en heeft zij [bedrijf B] gesommeerd om te bevestigen dat de schade van [bedrijf A] zal worden vergoed en ook om het bedrag van € 51.350,00 vermeerderd met de kosten van Dekra bij wijze van voorschot te betalen.
3.22.
[bedrijf B] heeft een eigen deskundige opdracht gegeven om het werk te onderzoeken. Uit het rapport van 2 juli 2025 van ZNEB volgt dat ZNEB de meeste gebreken bevestigt. ZNEB begroot de herstelkosten op een bedrag van € 32.524,00.
4Het geschil
in conventie
4.1.
[bedrijf A] vordert - samengevat en na vermeerdering van de eis - om [bedrijf B] te veroordelen om € 126.368,80, althans € 51.350,00 te betalen als (vervangende) schadevergoeding en een bedrag van € 28.883,00 voor ten onrechte gefactureerde bedragen, alsmede verklaringen voor recht, kosten voor het vaststellen van de schade, incassokosten, rente, beslag- en proceskosten. De eis omvat acht primair gevorderde onderdelen, genummerd van I tot en met VIII en elf subsidiair gevorderde onderdelen, genummerd van I tot en met XI. Bij de bespreking van de hoofdvorderingen houdt de rechtbank die nummering aan.
4.2.
[bedrijf B] voert verweer. [bedrijf B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf A] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[bedrijf B] vordert - samengevat – om [bedrijf A] te veroordelen tot het betalen van € 19.052,36 (de resterende aanneemsom) en – na vermeerdering van haar eis - € 1.459,62 (als vergoeding voor de kosten van een bankgarantie) met rente en kosten.
4.5.
[bedrijf A] voert verweer. [bedrijf A] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf B] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in conventie
[bedrijf A] heeft geen recht op een werk dat geheel aan de impressietekeningen beantwoordt
5.1.
De primaire vordering in conventie onder I strekt ertoe dat [bedrijf B] wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 126.368,80. De subsidiaire vordering van [bedrijf A] onder V strekt ertoe dat de rechtbank voor recht verklaart dat [bedrijf B] aansprakelijk is voor schade gelijk aan het bedrag dat nodig is om de kliniek van [bedrijf A] in overeenstemming te brengen met de impressietekeningen van [bedrijf B] .
5.2.
[bedrijf A] heeft hiertoe het volgende gesteld. [bedrijf A] is tot het aanvaarden van de offerte van 29 juni 2023 bewogen door de impressietekeningen. Die tekeningen maken daarom deel uit van de aannemingsovereenkomst. [bedrijf A] mocht verwachten dat de kliniek er na de verbouwing uit zou zien als op die tekeningen, althans dat [bedrijf B] een “totaalconcept zou [leveren]: een boutique kliniek waarin ontwerp, uitstraling, afwerking en functionaliteit samenkomen”. De impressietekeningen zijn “het overeengekomen eindbeeld”. [bedrijf B] heeft dat overeengekomen eindbeeld niet geleverd en zij is daardoor tekortgekomen in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Volgens de offerte van The Renovation kost het € 126.368,80 om dat eindbeeld tot stand te brengen en dat bedrag is haar schade, aldus [bedrijf A] .
5.3.
[bedrijf B] heeft betwist dat de impressietekeningen onderdeel zijn van de aannemingsovereenkomst. Die tekeningen zijn aan [bedrijf A] zijn verstrekt, opdat zij weet wat zij ongeveer kan verwachten. De technische tekeningen en niet de impressietekeningen zijn de basis voor het uitvoeren van de opdracht. Bovendien heeft [bedrijf A] de opdracht ten opzichte van de impressietekeningen ingrijpend gewijzigd, aldus [bedrijf B] .
5.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. De inhoud van de aannemingsovereenkomst tussen [bedrijf A] en [bedrijf B] volgt niet alleen uit wat er is opgeschreven. Het komt er ook op aan hoe partijen die overeenkomst mochten begrijpen en wat zij redelijkerwijs van elkaar konden verwachten. Daarbij kan ook van belang zijn wat de achtergrond is van partijen en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. In de aannemingsovereenkomst staat niets over de impressietekeningen, dus een taalkundige uitleg biedt geen aanknopingspunt. Naar het oordeel van de rechtbank maken de impressietekeningen wel deel uit van de aannemingsovereenkomst, omdat zij samen met de offerte zijn verstrekt en ook volgens [bedrijf B] invulling geven aan wat [bedrijf A] van het werk mocht verwachten. Het gaat echter, zoals het woord al zegt, om een “impressie”. Dat betekent dat [bedrijf A] wel mocht verwachten dat de uitstraling en het niveau van afwerking van het werk globaal met de impressietekening overeenkomen, maar niet dat de werkelijkheid na afronding van het werk tot in detail met de impressietekening overeenstemt. [bedrijf A] heeft onvoldoende concreet gesteld dat het herstel van de gebreken die door Dekra en ZNEB zijn vastgesteld (zie hierna) onvoldoende is om de kliniek voor wat betreft uitstaling en afwerking in overeenstemming te brengen met wat [bedrijf A] mocht verwachten. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de offerte van The Renovation werkzaamheden omvat die geen onderdeel waren van de opdracht aan [bedrijf B] , zoals het aanbrengen van een tochtportaal. Dat tochtportaal staat weliswaar op de impressietekeningen, maar de bouw ervan maakt geen deel uit van de offerte. [bedrijf B] heeft gesteld dat de opdracht ten opzichte van de impressietekeningen ingrijpend is gewijzigd. [bedrijf A] heeft dat niet betwist. De impressietekeningen zijn daarom achterhaald en aan de details ervan komt daarom geen betekenis meer toe.
5.5.
De slotsom is dat de rechtbank de vorderingen van [bedrijf A] onder Primair I en Subsidiair V zal afwijzen.
[bedrijf B] is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst
5.6.
De subsidiaire vordering in conventie onder I strekt ertoe dat [bedrijf B] wordt veroordeeld tot het betalen van een (vervangende) schadevergoeding van € 51.350,00. [bedrijf A] heeft hiertoe het volgende gesteld. Het werk van [bedrijf B] vertoont gebreken. [bedrijf A] heeft [bedrijf B] gesommeerd om die gebreken te herstellen en zij heeft [bedrijf B] hiertoe in gebreke gesteld. [bedrijf B] heeft de gebreken niet hersteld. [bedrijf B] is ten aanzien van alle gebreken in verzuim. Omdat [bedrijf B] de gebreken niet heeft hersteld, mocht [bedrijf A] de verbintenis van [bedrijf B] omzetten in een verbintenis tot het vergoeden van vervangende schadevergoeding. Dat heeft [bedrijf A] bij brief van 29 mei 2024 gedaan. De gevorderde schadevergoeding van € 51.350,00 is het bedrag van de herstelkosten volgens het rapport van Dekra.
5.7.
[bedrijf B] heeft een deel van de gebreken betwist en heeft een deel van de gebreken erkend. [bedrijf B] heeft betwist dat zij met betrekking tot de erkende gebreken schadeplichtig is. Zij heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Voor zover [bedrijf B] in gebreke is gesteld, is dat niet gebeurd ten aanzien van alle gebreken die in het rapport van Dekra staan. [bedrijf B] is bovendien steeds bereid geweest om de (oplever)gebreken die zij heeft erkend te herstellen. [bedrijf A] heeft het herstel onmogelijk gemaakt. Daardoor is het verzuim van [bedrijf B] niet ingetreden en kon [bedrijf A] de verbintenis tot herstel niet omzetten.
5.8.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het werk is op 3 oktober 2023 opgeleverd. Dat sprake is van (oplever)gebreken is niet in geschil. Over het bestaan van gebreken in het aangenomen werk zijn ook de deskundigen, Dekra en ZNEB, het goeddeels eens. Beide deskundigen hebben gebreken geconstateerd aan stucwerk, schilderwerk, maatwerkmeubelen, plinten, tegelvloer, verlichting, Sonos-speakers, wegwerken van leidingen, PVC-vloer, leidingwerk en kitwerk. Dekra en ZNEB verschillen van inzicht op ondergeschikte punten, die meer te maken hebben met de inhoud van de aannemingsovereenkomst dan met de kwaliteit van het werk: mocht [bedrijf A] inbouwwandcontactdozen verwachten of moest zij genoegen nemen met opbouwdozen; mocht [bedrijf A] een tochtportaal verwachten; was het leggen van een droogloopmat overeengekomen. De gebreken in het rapport van Dekra (productie 18 van [bedrijf A] ) genoemd op pagina 3 onder de letters a, b, c, d, e, g, h, j, l, m, o, p, q, r, s, t, u, v, w, x, y en z staan op grond van de twee deskundigenrapporten voldoende vast. Dit betekent dat [bedrijf B] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. Op grond van artikel 7:759 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) kon [bedrijf A] verlangen dat [bedrijf B] de gebreken zou wegnemen. [bedrijf B] heeft de gebreken niet hersteld.
5.9.
[bedrijf B] is ten aanzien van haar verplichting tot het herstellen van deze vaststaande gebreken in verzuim geraakt en schadeplichtig geworden. De ingebrekestelling van [bedrijf A] van 6 november 2023 ging vergezeld van foto’s en een opsomming van gebreken die nadien zijn aangevuld met de bevindingen van Dekra. In zoverre heeft [bedrijf B] gelijk dat zij niet ten aanzien van alle vaststaande gebreken in gebreke is gesteld. Dat kan haar echter niet baten. Nadat [bedrijf B] het rapport van Dekra had ontvangen heeft [bedrijf A] haar opnieuw gelegenheid geboden om de gebreken te herstellen. [bedrijf B] heeft daaraan voorwaarden verbonden die [bedrijf A] niet hoefde te accepteren, zoals het betalen van een meerprijs die volgens [bedrijf A] niet was overeengekomen. Tijdens de bespreking op 22 mei 2024, waarin besproken zou worden wat [bedrijf B] zou herstellen en wanneer, is [naam] boos weggelopen. Uit deze mededelingen en gedragingen van [bedrijf B] mocht [bedrijf A] afleiden dat [bedrijf B] niet tot herstel zou overgaan. [bedrijf B] was daardoor in ieder geval vanaf 22 mei 2024 in verzuim. [bedrijf A] mocht de verbintenis van [bedrijf B] tot herstel bij brief van 29 mei 2024 omzetten in een verbintenis tot het betalen van vervangende schadevergoeding.
5.10.
De schade bestaat uit de kosten die [bedrijf A] zal moeten maken om de gebreken door een of meer derden te laten herstellen. Dekra raamt de kosten van herstel op € 51.350,00. ZNEB raamt die kosten op € 32.524,00. Het verschil wordt voor een deel verklaard doordat ZNEB niet alle gebreken die Dekra heeft vastgesteld onderschrijft. Voor een ander deel is geen verklaring gegeven. De rechtbank kan de omvang van de schade daardoor niet nauwkeurig vaststellen en zij zal de schade daarom schatten op een bedrag van € 45.000,00. [bedrijf B] wordt veroordeeld om dit bedrag aan [bedrijf A] te betalen.
Geen vergoeding voor winst- en omzetschade
5.11.
Met haar primaire vordering in conventie onder III en subsidiaire vordering in conventie onder VI beoogt [bedrijf A] voor recht te laten verklaren dat [bedrijf B] aansprakelijk is voor alle winst- en omzetderving van [bedrijf A] als gevolg van de herstelwerkzaamheden. [bedrijf B] heeft die vordering met een beroep op artikel 13 lid 3 van haar algemene voorwaarden bestreden.
5.12.
De rechtbank wijst deze vorderingen van [bedrijf A] af. Het gaat om indirecte schade die op grond van de algemene voorwaarden van [bedrijf B] van vergoeding is uitgesloten. [bedrijf A] heeft niet betwist dat deze voorwaarden onderdeel zijn van de aannemingsovereenkomst. [bedrijf A] heeft wel een beroep gedaan op (de reflexwerking van) artikel 6:233 lid 1 BW. Anders dan [bedrijf A] heeft betoogd, is zij geen consument en dient zij ook niet aan een consument gelijk gesteld te worden, omdat haar onderneming klein is en zij zwaar door de herstelwerkzaamheden wordt geraakt. Een beperking van de aansprakelijkheid zoals hier aan de orde is niet ongebruikelijk. [bedrijf A] heeft desgevraagd bevestigd dat ook zij gebruik maakt van algemene voorwaarden waarin een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen. Dat een aannemer indirecte schade niet mag uitsluiten, vindt in het recht geen steun. Het beding is al met al niet onredelijk bezwarend. Het is ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [bedrijf B] op deze bepaling een beroep doet. De stelling dat [bedrijf B] opzettelijk of bewust roekeloos schade heeft veroorzaakt, heeft [bedrijf A] op geen enkele manier onderbouwd. Van omstandigheden die het beroep op de aansprakelijkheidsbeperking onaanvaardbaar maken, is niet gebleken.
[bedrijf B] hoeft de aanneemsom niet gedeeltelijk aan [bedrijf A] terug te betalen
5.13.
[bedrijf A] vordert dat [bedrijf B] € 28.883,00 exclusief btw terugbetaalt (primair en subsidiair in conventie onder II). Zij heeft hiertoe het volgende gesteld. De aanneemsom bedroeg volgens de offerte van 29 juni 2023 € 88.774,00 exclusief btw. De offerte had betrekking op maatwerkmeubelen, een lichtplan, bouwwerkzaamheden en projectkosten. Voor de maatwerkmeubelen heeft [bedrijf B] € 5.883,00 teveel in rekening gebracht; het lichtplan van € 8.500,00 heeft [bedrijf A] niet gekregen en ook dat bedrag is ten onrechte in rekening gebracht; voor de bouwwerkzaamheden rekende [bedrijf B] € 14.500,00 teveel. Die bedragen tellen op tot € 28.883,00 exclusief btw. [bedrijf B] heeft dit bedrag teveel gefactureerd, aldus [bedrijf A] .
5.14.
[bedrijf B] betwist dat zij teveel heeft gerekend. De offerte omvatte diverse stelposten. De bouwkosten zijn hoger uitgevallen, omdat de staat van het pand waarin de kliniek van [bedrijf A] is gevestigd slechter bleek dan waarvan [bedrijf B] uitging bij het uitbrengen van haar offerte. Juist daarom worden stelposten gehanteerd. Op grond van artikel 7.1 van de algemene voorwaarden is [bedrijf B] gerechtigd om de prijs te wijzigen. Bovendien heeft [bedrijf A] de facturen van [bedrijf B] niet volledig betaald, zodat terugbetaling niet aan de orde is.
5.15.
De rechtbank oordeelt als volgt. De offerte van 29 juni 2023 omschrijft de verschillende werken en werkzaamheden en noemt daarvoor steeds een prijs. Bij vijf werken heeft [bedrijf B] een bedrag genoemd onder vermelding “stelpost” (bar/balie, loungehoek, roomdivider, bespreektafel en lichtplan). Bij de overige werken en werkzaamheden staat alleen een prijs. Voor de bouwwerkzaamheden heeft [bedrijf B] geen stelposten opgenomen. De offerte telt op tot een bedrag van € 88.774,00 exclusief btw.
5.16.
[bedrijf B] heeft bij email van 29 juni 2023 aan [bedrijf A] geschreven:
“De bouwbedragen die in mijn offerte staan zijn extreem laag en ik neem het risico het daarvoor te kunnen doen. (…)”
5.17.
Op grond van een redelijke uitleg van de aannemingsovereenkomst en de email van 29 juni 2023 mocht [bedrijf A] verwachten dat uitsluitend de prijs die zij moest betalen voor de werkzaamheden die als stelpost zijn aangemerkt nog kon wijzigen. Voor de werkzaamheden die niet als stelpost waren aangemerkt, heeft [bedrijf B] een vaste aanneemsom geoffreerd. Alle werkzaamheden die [bedrijf B] als stelposten heeft aangemerkt, zijn na nacalculatie (iets) lager uitgevallen dan geoffreerd (productie 18.7 van [bedrijf B] ). Dat geldt ook voor het lichtplan. Weliswaar heeft [bedrijf A] geen plan gekregen (in de zin van lichtontwerp), maar onder de noemer “lichtplan” heeft [bedrijf A] wel verlichtingsarmaturen voor een bedrag van € 6.930,00 ontvangen. Indien de stelposten worden herberekend op het lagere bedrag na nacalculatie en de overige posten worden gehandhaafd op het geoffreerde bedrag dan is de prijs die [bedrijf A] voor de werkzaamheden moet betalen € 84.922,00 exclusief btw. Dat is weergegeven in de tabel hieronder (alles exclusief btw).
Werk
Offerte
Nacalculatie
Maatwerk meubelen
€ 28.154,00
€ 25.872,00
Lichtplan
€ 8.500,00
€ 6.930,00
Bouwwerk
€ 43.290,00
€ 43.290,00
Projectkosten
€ 8.830,00
€ 8.830,00
Totaal
€ 88.774,00
€ 84.922,00
Betaald
€ 77.677,26
Saldo (nog aan [bedrijf B] te betalen)
€ 7.244,74
5.18.
Bij het begroten van haar vordering van € 28.883,00 is [bedrijf A] er kennelijk vanuit gegaan dat zij het gehele bedrag van de factuur van € 88.774,00 exclusief btw/ € 107.416,56 inclusief btw daadwerkelijk heeft betaald. Dat is niet het geval. [bedrijf A] heeft in totaal een bedrag van € 77.677,26 exclusief btw/ € 93.989,48 inclusief btw betaald. De slotfactuur van € 13.427,07 heeft [bedrijf A] onbetaald gelaten. Per saldo moet [bedrijf A] dus nog € 7.244,74 exclusief btw/ € 8.766,14 inclusief btw aan [bedrijf B] betalen. De vordering van [bedrijf A] tot terugbetaling wordt daarom afgewezen.
Overige verklaringen voor recht worden afgewezen
5.19.
[bedrijf A] heeft tegenover de betwisting door [bedrijf B] van het belang van [bedrijf A] bij de subsidiair onder III en IV gevorderde verklaringen voor recht onvoldoende onderbouwd waarin haar belang gelegen is. De vorderingen worden afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
5.20.
[bedrijf A] vordert dat [bedrijf B] wordt veroordeeld in de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor een bedrag van € 3.429,75 inclusief btw. Dat is het bedrag van de twee facturen van Dekra. [bedrijf B] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank om redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt en zij komen op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking. De factuur voor een bedrag van € 2.435,13 is vervallen op 18 december 2024. De factuur voor een bedrag van € 994,62 is vervallen op 5 april 2026. De gevorderde wettelijke rente over deze bedragen wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.
5.21.
De rechtbank wijst de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toe voor een bedrag van € 1.225,00. De rechtbank zoekt aansluiting bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten uitgaande van een hoofdsom van € 45.000,00. De hoofdsom waartoe [bedrijf B] wordt veroordeeld wordt met dit bedrag verhoogd. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.
Rente
5.22.
De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de toewijsbare hoofdsom van € 45.000,00 zal worden toegewezen vanaf 22 mei 2024 tot de dag van betaling. Dat was de dag waarop het verzuim is ingetreden.
Proceskosten in conventie en in reconventie en kosten van het beslag
5.23.
[bedrijf B] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [bedrijf A] vordert een bedrag van € 8.290,77 aan beslagkosten. In dat bedrag begrepen is een bedrag van € 7.223,00 aan advocaatkosten. De daadwerkelijke advocaatkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor wordt een forfaitaire vergoeding toegekend. De overige beslagkosten (griffierecht € 714,00 en explootkosten € 353,77) zijn toewijsbaar.
5.24.
De proceskosten van [bedrijf A] in conventie en in reconventie en de kosten van het beslag worden begroot op:
- dagvaarding
€
119,40
- griffierecht bodemprocedure
€
2.281,00
- griffierecht beslag
€
714,00
- explootkosten beslag
€
353,77
- salaris advocaat
€
5.805,00
(4,5 punt x tarief IV)
- nakosten
€
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
9.569,17
5.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.26.
Uit wat hiervoor onder 5.18 is overwogen volgt dat [bedrijf A] nog een bedrag van € 8.766,14 inclusief btw aan [bedrijf B] moet betalen. [bedrijf A] zal hiertoe worden veroordeeld. [bedrijf A] heeft betaling van de slottermijn van [bedrijf B] opgeschort. Zij mocht dat doen, omdat [bedrijf B] ten aanzien van haar herstelverplichtingen in verzuim was geraakt. De gevorderde handelsrente over het onbetaald gebleven gedeelte van de aanneemsom komt [bedrijf B] daarom niet toe. Het beslag dat [bedrijf A] heeft gelegd is niet onrechtmatig gebleken, omdat haar vordering gedeeltelijk is toegewezen. [bedrijf B] heeft daarom geen recht op vergoeding van de kosten van de bankgarantie die zij heeft gesteld om het beslag opgeheven te krijgen.
in conventie en in reconventie
5.27.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat partijen dat hebben gevorderd. Daartegen is geen afzonderlijk verweer gevoerd.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [bedrijf A] te betalen een bedrag van € 46.225,00 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 22 mei 2024 tot de dag van betaling,
6.2.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [bedrijf A] te betalen een bedrag van € 2.435,13 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 december 2024 tot de dag van betaling,
6.3.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [bedrijf A] te betalen een bedrag van € 994,62 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 5 april 2026 tot de dag van betaling,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.6.
veroordeelt [bedrijf A] om aan [bedrijf B] te betalen een bedrag van € 8.766,14,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
6.9.
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten van € 9.569,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [bedrijf B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [bedrijf B] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.10.
veroordeelt [bedrijf B] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.11.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.[3669/801]
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/700401 / HA ZA 25-437
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[bedrijf A]
,
gevestigd te [vestigingsplaats A] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf A] ,
advocaat: mr. Ö. Kenç,
tegen
[bedrijf B]
,
gevestigd te [vestigingsplaats B] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [bedrijf B] ,
advocaat: mr. C.J.H. Anker.
1De zaak in het kort
[bedrijf B] heeft voor [bedrijf A] maatwerkmeubelen gemaakt en een cosmetische kliniek verbouwd. [bedrijf A] meent dat zij niet heeft gekregen wat zij op grond van impressietekeningen mocht verwachten en ook dat het werk gebreken vertoont. [bedrijf A] vordert vervangende schadevergoeding. [bedrijf B] vordert op haar beurt betaling van de slotfactuur voor de door haar verrichte werkzaamheden. De rechtbank veroordeelt [bedrijf B] tot het betalen van vervangende schadevergoeding en [bedrijf A] tot het betalen van een deel van de slotfactuur.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 25 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;
- de akte houdende een wijziging en vermeerdering van de eis van [bedrijf A] van 7 april 2026;
- de akte overlegging producties van [bedrijf A] van 13 mei 2026 met producties 41-50;
- de spreekaantekeningen van [bedrijf A] en [bedrijf B] voor de mondelinge behandeling van 3 juni 2026.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3De feiten
3.1.
[bedrijf A] drijft een onderneming die zich bezig houdt met het uitvoeren van cosmetische behandelingen, zoals botox- en fillerbehandelingen.
3.2.
[bedrijf B] drijft een aannemingsbedrijf dat zich bezig houdt met onder meer interieurbouw. [naam] is indirect, via [bedrijf C] , bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf B] .
3.3.
Op 26 april 2023 heeft [bedrijf B] na een intakegesprek een eerste offerte uitgebracht voor de bouw van maatmeubelen voor en de verbouwing van een cosmetische kliniek van [bedrijf A] in Rotterdam. Bij deze offerte heeft [bedrijf B] impressietekeningen (“3D Artist Impressions”) verstrekt waarop te zien is hoe de kliniek er na de verbouwing uit zal zien.
3.4.
Op 29 juni 2023 heeft [bedrijf B] een aangepaste offerte uitgebracht. [bedrijf A] heeft die offerte op dezelfde datum aanvaard. Hierdoor is tussen partijen een aannemingsovereenkomst tot stand gekomen, waarin onder meer staat dat de aanneemsom wordt berekend op € 88.774,00 (exclusief btw), dat oplevering plaatsvindt op 1 oktober 2023 en ook dat de algemene voorwaarden van [bedrijf B] van toepassing zijn.
3.5.
Artikel 13 lid 3 van de algemene voorwaarden van [bedrijf B] luidt:
“13.3. Niet voor vergoeding in aanmerking komt:
a. indirecte schade, waaronder maar niet beperkt tot bedrijfsschade waaronder bijvoorbeeld stagnatieschade en gederfde winst;
(…)”
3.6.
Op 4 juli 2023 heeft [bedrijf A] een bedrag van € 53.708,27 (inclusief btw) aanbetaald.
3.7.
Op 5 september 2023 is [bedrijf B] met de werkzaamheden begonnen. Op 12 september 2023 heeft [bedrijf B] technische tekeningen aan [bedrijf A] verstrekt.
3.8.
Op 3 oktober 2023 hebben partijen het pand waarin de kliniek van [bedrijf A] is gevestigd bezocht met het oog op de oplevering.
3.9.
Op 4 oktober 2023 heeft [bedrijf B] [bedrijf A] een lijst met opleverpunten gestuurd. [bedrijf A] heeft op die lijst gereageerd.
3.10.
Op 12 oktober 2023 heeft [bedrijf B] [bedrijf A] een nacalculatie gestuurd. De aanneemsom bedroeg volgens die nacalculatie € 93.423,00 exclusief btw. Dat is € 113.041,83 inclusief btw. [bedrijf B] heeft € 107.416,56 inclusief btw gefactureerd. Zij maakt aanspraak op een bedrag van € 5.625,29 inclusief btw op grond van de nacalculatie dat zij nog niet heeft gefactureerd.
3.11.
[bedrijf A] heeft op de facturen van [bedrijf B] in totaal een bedrag van € 93.989,48 inclusief btw betaald. De slotfactuur van € 13.427,07 heeft [bedrijf A] onbetaald gelaten. [bedrijf A] heeft ook het bedrag van de nacalculatie betwist.
3.12.
Op 15 oktober 2023 heeft [bedrijf A] aan [bedrijf B] een eigen lijst van oplevergebreken met foto’s gestuurd. Het betreft een PDF van 90 pagina’s.
3.13.
Bij brief van 6 november 2023 heeft een jurist van de VvAA namens [bedrijf A] [bedrijf B] gesommeerd om de gebreken in de lijst van [bedrijf A] te herstellen binnen 14 dagen bij gebreke waarvan [bedrijf A] de verbintenis om de gebreken te herstellen zal omzetten in een verbintenis om vervangende schadevergoeding te betalen. De lijst van gebreken van [bedrijf A] van 15 oktober 2023 is als bijlage bij de brief gevoegd.
3.14.
Op 10 december 2023 heeft [bedrijf B] geschreven dat zij de opleverpunten waarover geen discussie bestaat wil herstellen.
3.15.
Bij email van 20 december 2023 heeft de VvAA [bedrijf B] geschreven dat [bedrijf A] instemt met herstel van de erkende opleverpunten, mits er een plan van aanpak komt opdat de bedrijfsvoering van [bedrijf A] zo min mogelijk wordt gehinderd.
3.16.
Bij email van 17 januari 2024 heeft [bedrijf B] aan het herstel van de erkende opleverpunten de voorwaarde verbonden dat na dat herstel de slottermijn van € 13.427,07 betaald moet worden en dat [bedrijf A] voor “meerwerk” (bedoeld is: de extra aanneemsom als gevolg van de nacalculatie) zal betalen. [bedrijf A] is hiermee niet akkoord gegaan.
3.17.
Op 22 mei 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden in de kliniek van [bedrijf A] . [naam] nam deel aan die bespreking samen met een jurist van DAS Rechtsbijstand. [bedrijf A] had bijstand van een jurist van de VvAA. Het doel van de bespreking was om een minnelijke regeling te beproeven. [naam] is tijdens die bespreking boos weggelopen.
3.18.
Op 29 mei 2024 heeft de VvAA namens [bedrijf A] een brief gestuurd met de strekking dat zij de verbintenis van [bedrijf B] omzet in een verbintenis tot het betalen van vervangende schadevergoeding. [bedrijf A] heeft aangekondigd een deskundige opdracht te zullen geven om de gebreken en de herstelkosten vast te stellen.
3.19.
[bedrijf A] heeft Dekra opdracht verleend om het werk van [bedrijf B] te onderzoeken. Op 15 augustus en op 16 september 2024 heeft de deskundige van Dekra de kliniek van [bedrijf A] bezocht. [naam] is namens [bedrijf B] bij het eerste bezoek van Dekra aanwezig geweest.
3.20.
Op 28 oktober 2024 heeft Dekra gerapporteerd. Dekra heeft gebreken geconstateerd aan onder meer stucwerk, de tegelvloer en de PVC-vloer op de eerste verdieping. In totaal rapporteerde Dekra 26 gebreken die het gevolg zijn van ondeugdelijk werk van [bedrijf B] . Dekra begroot de herstel- en vervangingskosten op een bedrag van € 51.350,00 inclusief btw. Dekra heeft ook gerapporteerd dat het geoffreerde lichtplan niet is geleverd, dat betwijfeld wordt of bouwbegeleiding heeft plaatsgevonden en ook dat wat [bedrijf B] tot stand heeft gebracht qua uitstraling, esthetische kwaliteit en omvang van de inrichting niet is wat [bedrijf A] mocht verwachten op basis van de impressietekeningen.
3.21.
Bij brief van 21 november 2024 heeft de VvAA namens [bedrijf A] het rapport van Dekra aan DAS gestuurd en heeft zij [bedrijf B] gesommeerd om te bevestigen dat de schade van [bedrijf A] zal worden vergoed en ook om het bedrag van € 51.350,00 vermeerderd met de kosten van Dekra bij wijze van voorschot te betalen.
3.22.
[bedrijf B] heeft een eigen deskundige opdracht gegeven om het werk te onderzoeken. Uit het rapport van 2 juli 2025 van ZNEB volgt dat ZNEB de meeste gebreken bevestigt. ZNEB begroot de herstelkosten op een bedrag van € 32.524,00.
4Het geschil
in conventie
4.1.
[bedrijf A] vordert - samengevat en na vermeerdering van de eis - om [bedrijf B] te veroordelen om € 126.368,80, althans € 51.350,00 te betalen als (vervangende) schadevergoeding en een bedrag van € 28.883,00 voor ten onrechte gefactureerde bedragen, alsmede verklaringen voor recht, kosten voor het vaststellen van de schade, incassokosten, rente, beslag- en proceskosten. De eis omvat acht primair gevorderde onderdelen, genummerd van I tot en met VIII en elf subsidiair gevorderde onderdelen, genummerd van I tot en met XI. Bij de bespreking van de hoofdvorderingen houdt de rechtbank die nummering aan.
4.2.
[bedrijf B] voert verweer. [bedrijf B] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [bedrijf A] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf A] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf A] in de kosten van deze procedure.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[bedrijf B] vordert - samengevat – om [bedrijf A] te veroordelen tot het betalen van € 19.052,36 (de resterende aanneemsom) en – na vermeerdering van haar eis - € 1.459,62 (als vergoeding voor de kosten van een bankgarantie) met rente en kosten.
4.5.
[bedrijf A] voert verweer. [bedrijf A] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [bedrijf B] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [bedrijf B] in de kosten van deze procedure.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5De beoordeling
in conventie
[bedrijf A] heeft geen recht op een werk dat geheel aan de impressietekeningen beantwoordt
5.1.
De primaire vordering in conventie onder I strekt ertoe dat [bedrijf B] wordt veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 126.368,80. De subsidiaire vordering van [bedrijf A] onder V strekt ertoe dat de rechtbank voor recht verklaart dat [bedrijf B] aansprakelijk is voor schade gelijk aan het bedrag dat nodig is om de kliniek van [bedrijf A] in overeenstemming te brengen met de impressietekeningen van [bedrijf B] .
5.2.
[bedrijf A] heeft hiertoe het volgende gesteld. [bedrijf A] is tot het aanvaarden van de offerte van 29 juni 2023 bewogen door de impressietekeningen. Die tekeningen maken daarom deel uit van de aannemingsovereenkomst. [bedrijf A] mocht verwachten dat de kliniek er na de verbouwing uit zou zien als op die tekeningen, althans dat [bedrijf B] een “totaalconcept zou [leveren]: een boutique kliniek waarin ontwerp, uitstraling, afwerking en functionaliteit samenkomen”. De impressietekeningen zijn “het overeengekomen eindbeeld”. [bedrijf B] heeft dat overeengekomen eindbeeld niet geleverd en zij is daardoor tekortgekomen in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Volgens de offerte van The Renovation kost het € 126.368,80 om dat eindbeeld tot stand te brengen en dat bedrag is haar schade, aldus [bedrijf A] .
5.3.
[bedrijf B] heeft betwist dat de impressietekeningen onderdeel zijn van de aannemingsovereenkomst. Die tekeningen zijn aan [bedrijf A] zijn verstrekt, opdat zij weet wat zij ongeveer kan verwachten. De technische tekeningen en niet de impressietekeningen zijn de basis voor het uitvoeren van de opdracht. Bovendien heeft [bedrijf A] de opdracht ten opzichte van de impressietekeningen ingrijpend gewijzigd, aldus [bedrijf B] .
5.4.
De rechtbank oordeelt als volgt. De inhoud van de aannemingsovereenkomst tussen [bedrijf A] en [bedrijf B] volgt niet alleen uit wat er is opgeschreven. Het komt er ook op aan hoe partijen die overeenkomst mochten begrijpen en wat zij redelijkerwijs van elkaar konden verwachten. Daarbij kan ook van belang zijn wat de achtergrond is van partijen en welke rechtskennis van hen kan worden verwacht. In de aannemingsovereenkomst staat niets over de impressietekeningen, dus een taalkundige uitleg biedt geen aanknopingspunt. Naar het oordeel van de rechtbank maken de impressietekeningen wel deel uit van de aannemingsovereenkomst, omdat zij samen met de offerte zijn verstrekt en ook volgens [bedrijf B] invulling geven aan wat [bedrijf A] van het werk mocht verwachten. Het gaat echter, zoals het woord al zegt, om een “impressie”. Dat betekent dat [bedrijf A] wel mocht verwachten dat de uitstraling en het niveau van afwerking van het werk globaal met de impressietekening overeenkomen, maar niet dat de werkelijkheid na afronding van het werk tot in detail met de impressietekening overeenstemt. [bedrijf A] heeft onvoldoende concreet gesteld dat het herstel van de gebreken die door Dekra en ZNEB zijn vastgesteld (zie hierna) onvoldoende is om de kliniek voor wat betreft uitstaling en afwerking in overeenstemming te brengen met wat [bedrijf A] mocht verwachten. Daarbij neemt de rechtbank ook in overweging dat de offerte van The Renovation werkzaamheden omvat die geen onderdeel waren van de opdracht aan [bedrijf B] , zoals het aanbrengen van een tochtportaal. Dat tochtportaal staat weliswaar op de impressietekeningen, maar de bouw ervan maakt geen deel uit van de offerte. [bedrijf B] heeft gesteld dat de opdracht ten opzichte van de impressietekeningen ingrijpend is gewijzigd. [bedrijf A] heeft dat niet betwist. De impressietekeningen zijn daarom achterhaald en aan de details ervan komt daarom geen betekenis meer toe.
5.5.
De slotsom is dat de rechtbank de vorderingen van [bedrijf A] onder Primair I en Subsidiair V zal afwijzen.
[bedrijf B] is tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst
5.6.
De subsidiaire vordering in conventie onder I strekt ertoe dat [bedrijf B] wordt veroordeeld tot het betalen van een (vervangende) schadevergoeding van € 51.350,00. [bedrijf A] heeft hiertoe het volgende gesteld. Het werk van [bedrijf B] vertoont gebreken. [bedrijf A] heeft [bedrijf B] gesommeerd om die gebreken te herstellen en zij heeft [bedrijf B] hiertoe in gebreke gesteld. [bedrijf B] heeft de gebreken niet hersteld. [bedrijf B] is ten aanzien van alle gebreken in verzuim. Omdat [bedrijf B] de gebreken niet heeft hersteld, mocht [bedrijf A] de verbintenis van [bedrijf B] omzetten in een verbintenis tot het vergoeden van vervangende schadevergoeding. Dat heeft [bedrijf A] bij brief van 29 mei 2024 gedaan. De gevorderde schadevergoeding van € 51.350,00 is het bedrag van de herstelkosten volgens het rapport van Dekra.
5.7.
[bedrijf B] heeft een deel van de gebreken betwist en heeft een deel van de gebreken erkend. [bedrijf B] heeft betwist dat zij met betrekking tot de erkende gebreken schadeplichtig is. Zij heeft in dit verband het volgende aangevoerd. Voor zover [bedrijf B] in gebreke is gesteld, is dat niet gebeurd ten aanzien van alle gebreken die in het rapport van Dekra staan. [bedrijf B] is bovendien steeds bereid geweest om de (oplever)gebreken die zij heeft erkend te herstellen. [bedrijf A] heeft het herstel onmogelijk gemaakt. Daardoor is het verzuim van [bedrijf B] niet ingetreden en kon [bedrijf A] de verbintenis tot herstel niet omzetten.
5.8.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het werk is op 3 oktober 2023 opgeleverd. Dat sprake is van (oplever)gebreken is niet in geschil. Over het bestaan van gebreken in het aangenomen werk zijn ook de deskundigen, Dekra en ZNEB, het goeddeels eens. Beide deskundigen hebben gebreken geconstateerd aan stucwerk, schilderwerk, maatwerkmeubelen, plinten, tegelvloer, verlichting, Sonos-speakers, wegwerken van leidingen, PVC-vloer, leidingwerk en kitwerk. Dekra en ZNEB verschillen van inzicht op ondergeschikte punten, die meer te maken hebben met de inhoud van de aannemingsovereenkomst dan met de kwaliteit van het werk: mocht [bedrijf A] inbouwwandcontactdozen verwachten of moest zij genoegen nemen met opbouwdozen; mocht [bedrijf A] een tochtportaal verwachten; was het leggen van een droogloopmat overeengekomen. De gebreken in het rapport van Dekra (productie 18 van [bedrijf A] ) genoemd op pagina 3 onder de letters a, b, c, d, e, g, h, j, l, m, o, p, q, r, s, t, u, v, w, x, y en z staan op grond van de twee deskundigenrapporten voldoende vast. Dit betekent dat [bedrijf B] is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. Op grond van artikel 7:759 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) kon [bedrijf A] verlangen dat [bedrijf B] de gebreken zou wegnemen. [bedrijf B] heeft de gebreken niet hersteld.
5.9.
[bedrijf B] is ten aanzien van haar verplichting tot het herstellen van deze vaststaande gebreken in verzuim geraakt en schadeplichtig geworden. De ingebrekestelling van [bedrijf A] van 6 november 2023 ging vergezeld van foto’s en een opsomming van gebreken die nadien zijn aangevuld met de bevindingen van Dekra. In zoverre heeft [bedrijf B] gelijk dat zij niet ten aanzien van alle vaststaande gebreken in gebreke is gesteld. Dat kan haar echter niet baten. Nadat [bedrijf B] het rapport van Dekra had ontvangen heeft [bedrijf A] haar opnieuw gelegenheid geboden om de gebreken te herstellen. [bedrijf B] heeft daaraan voorwaarden verbonden die [bedrijf A] niet hoefde te accepteren, zoals het betalen van een meerprijs die volgens [bedrijf A] niet was overeengekomen. Tijdens de bespreking op 22 mei 2024, waarin besproken zou worden wat [bedrijf B] zou herstellen en wanneer, is [naam] boos weggelopen. Uit deze mededelingen en gedragingen van [bedrijf B] mocht [bedrijf A] afleiden dat [bedrijf B] niet tot herstel zou overgaan. [bedrijf B] was daardoor in ieder geval vanaf 22 mei 2024 in verzuim. [bedrijf A] mocht de verbintenis van [bedrijf B] tot herstel bij brief van 29 mei 2024 omzetten in een verbintenis tot het betalen van vervangende schadevergoeding.
5.10.
De schade bestaat uit de kosten die [bedrijf A] zal moeten maken om de gebreken door een of meer derden te laten herstellen. Dekra raamt de kosten van herstel op € 51.350,00. ZNEB raamt die kosten op € 32.524,00. Het verschil wordt voor een deel verklaard doordat ZNEB niet alle gebreken die Dekra heeft vastgesteld onderschrijft. Voor een ander deel is geen verklaring gegeven. De rechtbank kan de omvang van de schade daardoor niet nauwkeurig vaststellen en zij zal de schade daarom schatten op een bedrag van € 45.000,00. [bedrijf B] wordt veroordeeld om dit bedrag aan [bedrijf A] te betalen.
Geen vergoeding voor winst- en omzetschade
5.11.
Met haar primaire vordering in conventie onder III en subsidiaire vordering in conventie onder VI beoogt [bedrijf A] voor recht te laten verklaren dat [bedrijf B] aansprakelijk is voor alle winst- en omzetderving van [bedrijf A] als gevolg van de herstelwerkzaamheden. [bedrijf B] heeft die vordering met een beroep op artikel 13 lid 3 van haar algemene voorwaarden bestreden.
5.12.
De rechtbank wijst deze vorderingen van [bedrijf A] af. Het gaat om indirecte schade die op grond van de algemene voorwaarden van [bedrijf B] van vergoeding is uitgesloten. [bedrijf A] heeft niet betwist dat deze voorwaarden onderdeel zijn van de aannemingsovereenkomst. [bedrijf A] heeft wel een beroep gedaan op (de reflexwerking van) artikel 6:233 lid 1 BW. Anders dan [bedrijf A] heeft betoogd, is zij geen consument en dient zij ook niet aan een consument gelijk gesteld te worden, omdat haar onderneming klein is en zij zwaar door de herstelwerkzaamheden wordt geraakt. Een beperking van de aansprakelijkheid zoals hier aan de orde is niet ongebruikelijk. [bedrijf A] heeft desgevraagd bevestigd dat ook zij gebruik maakt van algemene voorwaarden waarin een beperking van de aansprakelijkheid is opgenomen. Dat een aannemer indirecte schade niet mag uitsluiten, vindt in het recht geen steun. Het beding is al met al niet onredelijk bezwarend. Het is ook niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [bedrijf B] op deze bepaling een beroep doet. De stelling dat [bedrijf B] opzettelijk of bewust roekeloos schade heeft veroorzaakt, heeft [bedrijf A] op geen enkele manier onderbouwd. Van omstandigheden die het beroep op de aansprakelijkheidsbeperking onaanvaardbaar maken, is niet gebleken.
[bedrijf B] hoeft de aanneemsom niet gedeeltelijk aan [bedrijf A] terug te betalen
5.13.
[bedrijf A] vordert dat [bedrijf B] € 28.883,00 exclusief btw terugbetaalt (primair en subsidiair in conventie onder II). Zij heeft hiertoe het volgende gesteld. De aanneemsom bedroeg volgens de offerte van 29 juni 2023 € 88.774,00 exclusief btw. De offerte had betrekking op maatwerkmeubelen, een lichtplan, bouwwerkzaamheden en projectkosten. Voor de maatwerkmeubelen heeft [bedrijf B] € 5.883,00 teveel in rekening gebracht; het lichtplan van € 8.500,00 heeft [bedrijf A] niet gekregen en ook dat bedrag is ten onrechte in rekening gebracht; voor de bouwwerkzaamheden rekende [bedrijf B] € 14.500,00 teveel. Die bedragen tellen op tot € 28.883,00 exclusief btw. [bedrijf B] heeft dit bedrag teveel gefactureerd, aldus [bedrijf A] .
5.14.
[bedrijf B] betwist dat zij teveel heeft gerekend. De offerte omvatte diverse stelposten. De bouwkosten zijn hoger uitgevallen, omdat de staat van het pand waarin de kliniek van [bedrijf A] is gevestigd slechter bleek dan waarvan [bedrijf B] uitging bij het uitbrengen van haar offerte. Juist daarom worden stelposten gehanteerd. Op grond van artikel 7.1 van de algemene voorwaarden is [bedrijf B] gerechtigd om de prijs te wijzigen. Bovendien heeft [bedrijf A] de facturen van [bedrijf B] niet volledig betaald, zodat terugbetaling niet aan de orde is.
5.15.
De rechtbank oordeelt als volgt. De offerte van 29 juni 2023 omschrijft de verschillende werken en werkzaamheden en noemt daarvoor steeds een prijs. Bij vijf werken heeft [bedrijf B] een bedrag genoemd onder vermelding “stelpost” (bar/balie, loungehoek, roomdivider, bespreektafel en lichtplan). Bij de overige werken en werkzaamheden staat alleen een prijs. Voor de bouwwerkzaamheden heeft [bedrijf B] geen stelposten opgenomen. De offerte telt op tot een bedrag van € 88.774,00 exclusief btw.
5.16.
[bedrijf B] heeft bij email van 29 juni 2023 aan [bedrijf A] geschreven:
“De bouwbedragen die in mijn offerte staan zijn extreem laag en ik neem het risico het daarvoor te kunnen doen. (…)”
5.17.
Op grond van een redelijke uitleg van de aannemingsovereenkomst en de email van 29 juni 2023 mocht [bedrijf A] verwachten dat uitsluitend de prijs die zij moest betalen voor de werkzaamheden die als stelpost zijn aangemerkt nog kon wijzigen. Voor de werkzaamheden die niet als stelpost waren aangemerkt, heeft [bedrijf B] een vaste aanneemsom geoffreerd. Alle werkzaamheden die [bedrijf B] als stelposten heeft aangemerkt, zijn na nacalculatie (iets) lager uitgevallen dan geoffreerd (productie 18.7 van [bedrijf B] ). Dat geldt ook voor het lichtplan. Weliswaar heeft [bedrijf A] geen plan gekregen (in de zin van lichtontwerp), maar onder de noemer “lichtplan” heeft [bedrijf A] wel verlichtingsarmaturen voor een bedrag van € 6.930,00 ontvangen. Indien de stelposten worden herberekend op het lagere bedrag na nacalculatie en de overige posten worden gehandhaafd op het geoffreerde bedrag dan is de prijs die [bedrijf A] voor de werkzaamheden moet betalen € 84.922,00 exclusief btw. Dat is weergegeven in de tabel hieronder (alles exclusief btw).
Werk
Offerte
Nacalculatie
Maatwerk meubelen
€ 28.154,00
€ 25.872,00
Lichtplan
€ 8.500,00
€ 6.930,00
Bouwwerk
€ 43.290,00
€ 43.290,00
Projectkosten
€ 8.830,00
€ 8.830,00
Totaal
€ 88.774,00
€ 84.922,00
Betaald
€ 77.677,26
Saldo (nog aan [bedrijf B] te betalen)
€ 7.244,74
5.18.
Bij het begroten van haar vordering van € 28.883,00 is [bedrijf A] er kennelijk vanuit gegaan dat zij het gehele bedrag van de factuur van € 88.774,00 exclusief btw/ € 107.416,56 inclusief btw daadwerkelijk heeft betaald. Dat is niet het geval. [bedrijf A] heeft in totaal een bedrag van € 77.677,26 exclusief btw/ € 93.989,48 inclusief btw betaald. De slotfactuur van € 13.427,07 heeft [bedrijf A] onbetaald gelaten. Per saldo moet [bedrijf A] dus nog € 7.244,74 exclusief btw/ € 8.766,14 inclusief btw aan [bedrijf B] betalen. De vordering van [bedrijf A] tot terugbetaling wordt daarom afgewezen.
Overige verklaringen voor recht worden afgewezen
5.19.
[bedrijf A] heeft tegenover de betwisting door [bedrijf B] van het belang van [bedrijf A] bij de subsidiair onder III en IV gevorderde verklaringen voor recht onvoldoende onderbouwd waarin haar belang gelegen is. De vorderingen worden afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
5.20.
[bedrijf A] vordert dat [bedrijf B] wordt veroordeeld in de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor een bedrag van € 3.429,75 inclusief btw. Dat is het bedrag van de twee facturen van Dekra. [bedrijf B] heeft hiertegen geen afzonderlijk verweer gevoerd. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank om redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt en zij komen op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking. De factuur voor een bedrag van € 2.435,13 is vervallen op 18 december 2024. De factuur voor een bedrag van € 994,62 is vervallen op 5 april 2026. De gevorderde wettelijke rente over deze bedragen wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.
5.21.
De rechtbank wijst de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten toe voor een bedrag van € 1.225,00. De rechtbank zoekt aansluiting bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten uitgaande van een hoofdsom van € 45.000,00. De hoofdsom waartoe [bedrijf B] wordt veroordeeld wordt met dit bedrag verhoogd. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing is weergegeven.
Rente
5.22.
De wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de toewijsbare hoofdsom van € 45.000,00 zal worden toegewezen vanaf 22 mei 2024 tot de dag van betaling. Dat was de dag waarop het verzuim is ingetreden.
Proceskosten in conventie en in reconventie en kosten van het beslag
5.23.
[bedrijf B] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [bedrijf A] vordert een bedrag van € 8.290,77 aan beslagkosten. In dat bedrag begrepen is een bedrag van € 7.223,00 aan advocaatkosten. De daadwerkelijke advocaatkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Daarvoor wordt een forfaitaire vergoeding toegekend. De overige beslagkosten (griffierecht € 714,00 en explootkosten € 353,77) zijn toewijsbaar.
5.24.
De proceskosten van [bedrijf A] in conventie en in reconventie en de kosten van het beslag worden begroot op:
- dagvaarding
€
119,40
- griffierecht bodemprocedure
€
2.281,00
- griffierecht beslag
€
714,00
- explootkosten beslag
€
353,77
- salaris advocaat
€
5.805,00
(4,5 punt x tarief IV)
- nakosten
€
296,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
9.569,17
5.25.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
5.26.
Uit wat hiervoor onder 5.18 is overwogen volgt dat [bedrijf A] nog een bedrag van € 8.766,14 inclusief btw aan [bedrijf B] moet betalen. [bedrijf A] zal hiertoe worden veroordeeld. [bedrijf A] heeft betaling van de slottermijn van [bedrijf B] opgeschort. Zij mocht dat doen, omdat [bedrijf B] ten aanzien van haar herstelverplichtingen in verzuim was geraakt. De gevorderde handelsrente over het onbetaald gebleven gedeelte van de aanneemsom komt [bedrijf B] daarom niet toe. Het beslag dat [bedrijf A] heeft gelegd is niet onrechtmatig gebleken, omdat haar vordering gedeeltelijk is toegewezen. [bedrijf B] heeft daarom geen recht op vergoeding van de kosten van de bankgarantie die zij heeft gesteld om het beslag opgeheven te krijgen.
in conventie en in reconventie
5.27.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat partijen dat hebben gevorderd. Daartegen is geen afzonderlijk verweer gevoerd.
6De beslissing
De rechtbank
in conventie
6.1.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [bedrijf A] te betalen een bedrag van € 46.225,00 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 22 mei 2024 tot de dag van betaling,
6.2.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [bedrijf A] te betalen een bedrag van € 2.435,13 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 december 2024 tot de dag van betaling,
6.3.
veroordeelt [bedrijf B] om aan [bedrijf A] te betalen een bedrag van € 994,62 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 5 april 2026 tot de dag van betaling,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.6.
veroordeelt [bedrijf A] om aan [bedrijf B] te betalen een bedrag van € 8.766,14,
6.7.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.8.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in conventie en in reconventie
6.9.
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten van € 9.569,17, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [bedrijf B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [bedrijf B] € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.10.
veroordeelt [bedrijf B] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.11.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.[3669/801]