Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:6815

2026-05-22 Civiel recht; Verbintenissenrecht 11928515 CV EXPL 25-22065
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-05-22
Publicatiedatum
2026-06-13
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11928515 CV EXPL 25-22065
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst de vordering van eiser tot terugbetaling van een aan gedaagde retourneerde versnellingsbak toe. De rechtbank is namelijk van oordeel dat eiser en gedaagde hebben afgesproken dat eiser de versnellingsbak mocht retourneren en dat gedaagde de versnellingsbak retour heeft ontvangen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.870 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam
zaaknummer: 11928515 CV EXPL 25-22065



datum uitspraak: 22 mei 2026




Vonnis van de kantonrechter




in de zaak van





[eiseres] B.V.,
vestigingsplaats: [plaats] (België),
eiseres,
gemachtigde: mr. drs. P.J.W. Vermunt,



tegen





[gedaagde] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. T.P. Monteiro Mendonça.



De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.





1De procedure


1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


- de dagvaarding van 8 oktober 2025, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de aanvullende bijlage van [eiseres] ,
- de aanvullende bijlage van [gedaagde] .




1.2.
Op 14 april 2026 is de zaak tijdens een zitting met partijen besproken. Daarbij waren partijen en hun gemachtigden aanwezig.





2De beoordeling



Waar gaat de zaak over?




2.1.

[eiseres] heeft op 25 oktober 2024 een versnellingsbak van [gedaagde] gekocht voor een bedrag van € 3.000,-. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] vervolgens een verkeerde versnellingsbak aan haar geleverd. [eiseres] heeft daarom met [gedaagde] afgesproken dat [gedaagde] de versnellingsbak weer zou terugnemen en het aankoopbedrag aan [eiseres] zou terugbetalen.



2.2.

[eiseres] eist in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van het aankoopbedrag met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.



2.3.

[gedaagde] is het niet eens met de eis. Zij betoogt dat zij het aankoopbedrag niet hoeft terug te betalen, omdat zij de versnellingsbak nooit retour heeft ontvangen. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat zij op grond van haar algemene voorwaarden maximaal een bedrag van € 2.850,- hoeft terug te betalen.



2.4.
De kantonrechter wijst de eis van [eiseres] toe. Hieronder wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.



De Nederlandse kantonrechter is bevoegd en Nederlands recht is van toepassing





2.5.

[eiseres] is in België gevestigd. Dit betekent dat de kantonrechter allereerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is in deze procedure. Ook moet de kantonrechter beoordelen of Nederlands recht van toepassing is.



2.6.
De hoofdregel is dat de rechter van het land waar de gedaagde partij is gevestigd bevoegd is (dat bepaalt artikel 4 van de Brussel I bis-Verordening). De gedaagde in deze procedure is [gedaagde] . Zij is gevestigd in Nederland en dus is de Nederlandse kantonrechter in deze zaak bevoegd (artikel 93 Rv).



2.7.
Voor het bepalen van het toepasselijke recht is van belang dat het in deze procedure gaat over een overeenkomst voor de verkoop van een roerende zaak. Voor zulke procedures is de hoofdregel dat het recht van toepassing is van het land waar de verkopende partij is gevestigd (dat bepaalt artikel 4 van de Rome I-verordening). Dat betekent in deze procedure dat Nederlands recht van toepassing is, omdat [gedaagde] in Nederland is gevestigd. Omdat de koopovereenkomst tussen [gedaagde] en [eiseres] bedrijfsmatig is gesloten is ook het Weens Koopverdrag van toepassing. Zowel Nederland als België hebben zich namelijk gebonden aan het Weens Koopverdrag.




[gedaagde] moet het aankoopbedrag aan [eiseres] terugbetalen





2.8.

[gedaagde] heeft op de zitting ontkend dat zij een verkeerde versnellingsbak aan [eiseres] heeft geleverd. [gedaagde] heeft echter niet ontkend dat zij met [eiseres] heeft afgesproken dat [eiseres] de versnellingsbak mocht retourneren, waarna [gedaagde] de koopprijs aan [eiseres] zou terugbetalen. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [eiseres] [gedaagde] aan die afspraak mag houden. Dit betekent dat in het midden kan blijven of [gedaagde] de verkeerde versnellingsbak heeft geleverd en of [eiseres] de overeenkomst om die reden kon ontbinden.



2.9.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat zij het aankoopbedrag niet aan [eiseres] hoeft terug te betalen, omdat zij de geretourneerde versnellingsbak nooit heeft ontvangen. Dit komt volgens haar voor risico van [eiseres] als verzender van de versnellingsbak.



2.10.
De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dat betoog. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat [eiseres] voldoende gemotiveerd heeft gesteld dat de versnellingsbak bij haar is opgehaald door een transportbedrijf dat [gedaagde] heeft ingeschakeld en dat dat vervoersbedrijf de versnellingsbak ook daadwerkelijk bij [gedaagde] heeft afgeleverd. [eiseres] heeft deze stellingen onderbouwd met een e-mailwisseling tussen partijen en een verzendlabel van het transportbedrijf. Ook heeft [eiseres] een WhatsApp-bericht van 7 februari 2025 ingediend waarin een medewerker van het vervoersbedrijf schrijft: “Mijn collega heeft het pakket inderdaad netjes bij u opgehaald en het werd vervolgens binnen enkele dagen afgeleverd bij [gedaagde] (…)”.



2.11.

[gedaagde] heeft deze stellingen van [eiseres] naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd betwist. In haar antwoord heeft [gedaagde] erkend dat zij het vervoersbedrijf had ingeschakeld, maar op de zitting heeft de heer [gedaagde] aangevoerd dat hij zich niet kan voorstellen dat een medewerker van [gedaagde] akkoord zou zijn gegaan met het laten ophalen van de versnellingsbak, omdat dit afwijkt van de normale werkwijze van [gedaagde] . Normaal gesproken moeten klanten van [gedaagde] goederen namelijk zelf retourneren. Dat de door [eiseres] gestelde afspraak afwijkt van de normale gang van zaken binnen [gedaagde] betekent naar het oordeel van de kantonrechter echter niet dat die afwijkende afspraak niet zou zijn gemaakt. Bovendien lijkt uit het verzendlabel (bijlage 14b bij de dagvaarding) inderdaad te volgen dat [gedaagde] het vervoersbedrijf heeft ingeschakeld. Dat [gedaagde] het vervoersbedrijf in ieder geval in eerste instantie had ingeschakeld blijkt uit de e-mail van [eiseres] , waarin de heer [eiseres] bevestigt dat telefonisch is afgesproken dat de “verkeerde versnellingsbak wordt afgehaald” en de e-mail van [gedaagde] waarin staat “mijn transporteur is geweest” (bijlage 5 en 14b bij de dagvaarding). Dat [gedaagde] de transporteur vervolgens nogmaals heeft ingeschakeld wordt ondersteund door de e-mail van [gedaagde] van 7 januari 2025 waarin [gedaagde] aan [eiseres] schrijft “Mail ons ter bevestiging nogmaals het juiste afhaaladres” (bijlage 14g bij de dagvaarding).



2.12.
Daar komt bij dat het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van [gedaagde] had gelegen om in ieder geval voorafgaand aan de zitting navraag te doen bij de medewerker die de afspraken met [eiseres] heeft gemaakt. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De kantonrechter gaat er, gelet op het voorgaande, dan ook van uit dat [gedaagde] het vervoersbedrijf heeft ingeschakeld.



2.13.
De kantonrechter volgt [gedaagde] ook niet in haar betoog dat uit het WhatsApp-bericht van 7 februari 2025 niet kan worden afgeleid dat zij de versnellingsbak zou hebben ontvangen. In dat bericht staat immers duidelijk dat het pakket bij [gedaagde] is afgeleverd. Dit WhatsApp-bericht heeft [eiseres] bovendien al op 7 februari 2025 aan [gedaagde] toegestuurd. Het had dan ook op de weg van [gedaagde] gelegen om contact op te nemen met het – door haar ingeschakelde – vervoersbedrijf als zij de versnellingsbak niet zou hebben ontvangen. Ook dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat [gedaagde] de versnellingsbak wel degelijk retour heeft ontvangen.



2.14.
Gelet op het voorgaande, komt de kantonrechter tot het oordeel dat [gedaagde] het aankoopbedrag van de versnellingsbak aan [eiseres] moet terugbetalen.



De algemene voorwaarden van [gedaagde] zijn niet van toepassing





2.15.

[gedaagde] betoogt dat € 150,- van het door [eiseres] voor de versnellingsbak betaalde bedrag zag op verzendkosten. Die kosten komen op grond van de algemene voorwaarden van [gedaagde] altijd voor rekening van de koper. Daarom vindt zij dat zij dit bedrag niet aan [eiseres] hoeft terug te betalen. De kantonrechter volgt [gedaagde] hier niet in.



2.16.

[gedaagde] heeft naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat haar algemene voorwaarden op de overeenkomst met [eiseres] van toepassing zijn. Voor het van toepassing zijn van algemene voorwaarden is namelijk vereist dat deze door [eiseres] als koper zijn geaccepteerd als onderdeel van de overeenkomst (artikel 8 van het Weens Koopverdrag). Dit betekent dat de algemene voorwaarden van toepassing moeten worden verklaard voordat de overeenkomst tot stand komt. Het is dus niet voldoende dat op de factuur of de orderbevestiging, die [gedaagde] na de totstandkoming van de overeenkomst verstuurt, naar de algemene voorwaarden wordt verwezen zoals zij heeft aangevoerd. Dit betekent dat de algemene voorwaarden van [gedaagde] niet van toepassing zijn. Er is daarom geen reden dat [gedaagde] slechts een bedrag van € 2.850,- zou hoeven terugbetalen.




[gedaagde] moet incassokosten betalen





2.17.
De incassokosten van € 425,- worden toegewezen, omdat [eiseres] heeft aangetoond dat zij incassohandelingen heeft verricht. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Dit betekent dat is voldaan aan de vereisten om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). Het gevorderde bedrag is bovendien in lijn met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten.




[gedaagde] moet rente betalen





2.18.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De kantonrechter zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW toewijzen. De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW is namelijk alleen van toepassing op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst en dat is de ongedaanmakingsverbintenis die [gedaagde] met [eiseres] heeft afgesproken niet.



2.19.

[eiseres] vordert de rente vanaf 25 oktober 2024. [eiseres] heeft echter niet toegelicht waarom de rente vanaf dat moment verschuldigd zou zijn. Uit de stellingen van partijen leidt de kantonrechter af dat [gedaagde] het aankoopbedrag in ieder geval na ontvangst van de versnellingsbak aan [eiseres] zou terugbetalen. Daarmee hebben partijen dus een termijn afgesproken voor de terugbetalingsverplichting van [gedaagde] . Uit het WhatsApp-bericht van de vervoerder volgt bovendien dat de versnellingsbak in ieder geval op 7 februari 2025 door [gedaagde] is ontvangen. Dit betekent dat [gedaagde] het aankoopbedrag op uiterlijk 7 februari 2025 aan [eiseres] zou terugbetalen. Door dit niet te doen is [gedaagde] in ieder geval vanaf die datum in verzuim (zo bepaalt artikel 6:83 sub a BW). De kantonrechter wijst de wettelijke rente daarom toe vanaf die datum.




[gedaagde] moet de proceskosten betalen





2.20.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 144,47 aan dagvaardingskosten, € 529,- aan griffierecht, € 506 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 253) en € 126,5 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.305,97. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.21.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing


De kantonrechter:



3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 3.000,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 7 februari 2025 tot de dag dat volledig is betaald;



3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.305,97 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;



3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.4.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M.E. Vos en in het openbaar uitgesproken.
66727






Hoge Raad, 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106.