Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:6796

2026-03-03 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/714128 / FA RK 26-796
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-03-03
Publicatiedatum
2026-06-12
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/714128 / FA RK 26-796
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Beschikking van de meervoudige kamer over gezagsbeëindiging. De rechtbank ziet dat het voor de minderjarige en de gezinshuisouder ingewikkeld is om praktische zaken (zoals een paspoort of bankpas) voor de minderjarige te regelen en dat (gezags)beslissingen niet voortvarend worden genomen, omdat het niet, of niet gelijk, lukt om toestemming van de moeder te krijgen. Ook lukt het niet om de nodige hulpverlening voor de minderjarige in te zetten omdat de moeder daar niet achter staat. Sinds enkele maanden is er helemaal geen contact tussen de moeder en de minderjarige. Hierdoor heeft de moeder geen goed beeld van hoe het met de minderjarige gaat, hoe zij zich ontwikkelt en wat in haar belang is. Daardoor is de moeder niet goed in staat om (gezags)beslissingen te nemen die in het belang zijn van de minderjarige.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.909 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Team Jeugd



Zaaknummer: C/10/714128 / FA RK 26-796
Datum uitspraak: 3 maart 2026




Beschikking van de meervoudige kamer over gezagsbeëindiging




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,



over





[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2010 op [geboorteland] , hierna te noemen: [minderjarige 1] .



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:





[moeder]
,
wonende in [woonplaats 1] , hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.A.F. Jansen, kantoorhoudende in Rotterdam,





[gezinhuisouder]
,
wonende in [woonplaats 2] , hierna te noemen: de gezinshuisouder,




de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd in Amsterdam, hierna te noemen: de GI.






1Het verloop van de procedure


1.1.
Op 29 januari 2026 is ontvangen het verzoekschrift (met bijlagen) van de Raad van dezelfde datum.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 maart 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad, te weten [vertegenwoordiger 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] ;
- de gezinshuisouder.



1.3.
Omdat het verzoek gelijktijdig is behandeld met het verzoek van de Raad over [minderjarige 2] , het zusje van [minderjarige 1] , waren bij de behandeling van het verzoek over [minderjarige 1] als toehoorder aanwezig de pleegmoeder van [minderjarige 2] , [persoon A] , de ex-partner van de pleegmoeder van [minderjarige 2] , [persoon B] , en de pleegzorgwerker van William Schrikker Gezinsvormen, [persoon C] . Om diezelfde reden was er ook een derde vertegenwoordiger van de GI aanwezig, te weten [persoon D] .



1.4.
De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen.



1.5.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.





2De feiten


2.1.
De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .



2.2.

[minderjarige 1] woont sinds 2018 niet meer bij de moeder. Sinds 2020 verblijft zij in het gezinshuis van de gezinshuisouder.



2.3.
De GI heeft zich, in reactie op de vraag van de Raad, bij brief van 4 februari 2026 bereid verklaard om de voogdij over [minderjarige 1] te aanvaarden.





3Het verzoek


3.1.
De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen en de GI tot voogd over [minderjarige 1] te benoemen. Als de rechtbank het verzoek afwijst, verzoekt de Raad [minderjarige 1] onder toezicht te stellen van de GI en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (het huidige gezinshuis) te verlenen voor de duur van een jaar. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.



3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht het – onder verwijzing naar het raadsrapport – als volgt toe. De moeder kampt met persoonlijke problematiek. Hierdoor is zij onvoldoende in staat om haar kinderen een veilige opvoedomgeving te bieden. Dat heeft niet te maken met onwil, maar met onvermogen. [minderjarige 1] woont sinds 2018 niet meer bij de moeder. Na bij meerdere pleeggezinnen en een tante te hebben verbleven, is [minderjarige 1] in 2020 in het gezinshuis geplaatst waar zij nu nog verblijft. In het begin lukte het de moeder redelijk om contact te houden met [minderjarige 1] en haar verzorger(s), maar in het afgelopen jaar hebben de moeder en [minderjarige 1] elkaar slechts een paar keer gezien. De moeder is hierdoor niet in staat om het gezag uit te oefenen. De moeder werkt beslissingen rondom [minderjarige 1] ook tegen door geen toestemming te verlenen of op een later moment terug te komen op een beslissing. Dat maakt het lastig voor het gezinshuis om zaken voor [minderjarige 1] te regelen én brengt voor [minderjarige 1] veel onzekerheid met zich mee. In het belang van [minderjarige 1] moet het gezag van de moeder worden beëindigd en de voogdij over [minderjarige 1] bij de GI worden belegd.





4De standpunten


4.1.
De advocaat van de moeder geeft ter zitting aan dat hij geen standpunt namens de moeder naar voren kan brengen, omdat hij het verzoek niet met haar heeft kunnen bespreken en hij bovendien niet door haar is gemachtigd om het woord te voeren.



4.2.
De gezinshuisouder staat achter het verzoek van de Raad. Zij verwacht dat het [minderjarige 1] rust zal geven als het gezag van de moeder wordt beëindigd. [minderjarige 1] moet vaak lang wachten op toestemming voor bijvoorbeeld een schoolreisje of een vakantie. Ook heeft het drie jaar geduurd voordat een bankpas voor [minderjarige 1] was geregeld. Dit alles zorgt voor onrust bij [minderjarige 1] en levert ook spanningen op in het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder. Daarnaast is er al langere tijd een ophoging van de indicatie nodig, omdat [minderjarige 1] aanvullende begeleiding en aansturing nodig heeft, maar dat kan niet geregeld worden door een gebrek aan samenwerking met de moeder. Bij noodsituaties is de moeder niet bereikbaar. Verder is het lastig dat de moeder niet positief staat tegenover psychische hulp voor [minderjarige 1] , waardoor [minderjarige 1] het gesprek daarover niet wil aangaan, terwijl wordt gezien dat [minderjarige 1] baat zou hebben bij extra ondersteuning. Sinds enkele maanden is er geen enkel contact meer tussen [minderjarige 1] en haar moeder. [minderjarige 1] zoekt nog wel contact met haar moeder, maar de moeder wijst haar af. [minderjarige 1] hoopt dat zij haar moeder weer één keer per maand ongedwongen kan zien, dus zonder dat de moeder van alles moet regelen. [minderjarige 1] ziet haar broertje [minderjarige 3] en haar zusje [minderjarige 2] af en toe. De gezinshuisouder, de pleegmoeder van [minderjarige 2] en de vader van [minderjarige 3] willen ervoor zorgen dat de kinderen elkaar regelmatig zien.



4.3.
De GI staat achter het verzoek van de Raad. Belangrijk is dat de belangen van [minderjarige 1] worden behartigd en dat wordt ingezet op contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 1] .





5De beoordeling


5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.



Het wettelijk kader





5.2.
De rechtbank kan het gezag van een ouder beëindigen als:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek) te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.



5.3.
Het doel van een kinderbeschermingsmaatregel, zoals beëindiging van het gezag, is de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige weg te nemen als de ouder daartoe niet in staat is. Het gevolg van het beëindigen van het gezag moet in een redelijke verhouding staan tot dat doel. Als de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige kan worden weggenomen met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging, dan beëindigt de rechtbank het gezag niet. Omdat beëindiging van het gezag ingrijpt in het privé- en gezinsleven van de ouder en de minderjarige beoordeelt de rechtbank ook of de maatregel niet onnodig ingrijpend is. De belangen van de minderjarige staan voor de rechtbank bij haar beslissing voorop. De rechtbank weegt deze belangen zorgvuldig af tegen de belangen van de ouder.



Beoordeling van het verzoek





5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige 1] ernstig bedreigd doordat de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] niet kan dragen. Niet te verwachten valt dat de moeder die verantwoordelijkheid binnen een voor [minderjarige 1] aanvaardbare termijn alsnog kan dragen. Bij de moeder is al jarenlang sprake van forse persoonlijke problematiek. Het lukt haar daardoor al jaren niet om [minderjarige 1] een stabiele opvoedomgeving te bieden. De moeder woont in een voorziening voor begeleid wonen en heeft, naast begeleiding, ook zorg nodig. Zij ontloopt de begeleiding en zorg echter. Hierdoor gaat zij verder achteruit.



5.5.
In de afgelopen periode heeft de moeder herhaaldelijk – bij haar advocaat, de betrokken hulpverlening en de Raad – aangegeven dat zij het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] niet langer wenst te dragen. Beëindiging van het gezag van de moeder is naar het oordeel van de rechtbank ook noodzakelijk. De rechtbank ziet dat het voor [minderjarige 1] en de gezinshuisouder ingewikkeld is om praktische zaken (zoals een paspoort of bankpas) voor [minderjarige 1] te regelen en dat (gezags)beslissingen niet voortvarend worden genomen, omdat het niet, of niet gelijk, lukt om toestemming van de moeder te krijgen. Ook lukt het niet om de nodige hulpverlening voor [minderjarige 1] in te zetten omdat de moeder daar niet achter staat. Vorig jaar was er slechts af en toe contact tussen de moeder en [minderjarige 1] . Sinds enkele maanden is er helemaal geen contact tussen hen. Hierdoor heeft de moeder geen goed beeld van hoe het met [minderjarige 1] gaat, hoe zij zich ontwikkelt en wat in haar belang is. Daardoor is de moeder niet goed in staat om (gezags)beslissingen te nemen die in het belang zijn van [minderjarige 1] .



Benoeming tot voogd





5.6.
Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige 1] die voortaan de gezagsbeslissingen neemt. De GI heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen.



5.7.
Belangrijk is dat de GI zich, als voogd, inspant voor contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 1] , daarbij rekening houdend met zowel het belang van [minderjarige 1] als de gezondheid van de moeder. De moeder zal namelijk altijd een belangrijke rol vervullen in het leven van [minderjarige 1] . Belangrijk is ook dat de GI zich inspant dat [minderjarige 1] contact kan hebben met haar broertje [minderjarige 3] en zusje [minderjarige 2] .



5.8.
De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de GI, die tot voogd wordt benoemd, rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige 1] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige 1] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige 1] de geldzaken kan regelen.



Uitvoerbaarverklaring bij voorraad





5.9.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.





6De beslissing


De rechtbank:



6.1.
beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder], geboren op [geboortedatum 2] 1991 in [geboorteplaats] , over [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2010 op [geboorteland] ;



6.2.
benoemt de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, tot voogd over genoemde minderjarige;



6.3.
bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van genoemde minderjarige;


6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



6.5.
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregister een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 door mr. S. Riege, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. H. Biemond en mr. D.G.J. Roset, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op
23 maart 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:266 BW


Artikel 8 EVRM en artikel 3 IVRK.


Artikel 1:266, eerste lid, onder a, BW.


Artikel 1:275, eerste lid, BW.


Artikel 1:276, eerste lid, BW.