Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:6249

2026-03-23 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12103901 VV EXPL 26-100
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-03-23
Publicatiedatum
2026-05-29
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Kort geding
Zaaknummer
12103901 VV EXPL 26-100
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Kort geding. Verhuurder vordert ontruiming. Huurder is niet verschenen. Er is een huurachterstand van ruim zeven maanden en er is een beeindigingsovereenkomst gesloten. Vordering toegewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.144 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12103901 VV EXPL 26-100



datum uitspraak: 23 maart 2026




Vonnis in kort geding van de kantonrechter




in de zaak van





[eiser]
, die handelt onder de naam [bedrijf A],
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
gemachtigde: mr. D.W.E. Urbanus,



tegen





1. [gedaagde 1] , en


2. [gedaagde 2] ,

woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagden,
die niet zijn verschenen.



De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde 1] c.s.’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de dagvaarding van 26 februari 2026, met bijlagen 1 tot en met 5.



1.2.
Op 9 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting met [eiser] en mr. Urbanus besproken. [gedaagde 1] c.s. zijn niet verschenen. Tegen hen is verstek verleend.





2De beoordeling

2.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoed heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Rv). Uit de stellingen van [eiser] volgt dat deze spoed aanwezig is. De eis voor wat betreft de ontruiming en de betalingsachterstand worden toegewezen, omdat deze niet onrechtmatig of ongegrond lijken (artikel 139 Rv).



2.2.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de geëiste ontruiming zal worden toegewezen. Er is namelijk, nog los bezien van de betalingsachterstand van zeven maanden, door de partijen een beëindigingsovereenkomst gesloten op grond waarvan de huurovereenkomst ten einde is gekomen op 1 februari 2026. Het is daarom gerechtvaardigd om in deze procedure vooruit te lopen op een gewone procedure en [gedaagde 1] c.s. te veroordelen het gehuurde te ontruimen en de achterstand te betalen.




[gedaagde 1] c.s. moeten een huurachterstand van € 9.800,- betalen





2.3.

[gedaagde 1] c.s. worden veroordeeld om € 9.800,- aan [eiser] te betalen. Dit is de achterstand tot en met de maand maart 2026.




[gedaagde 1] c.s. moeten de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen





2.4.

[gedaagde 1] c.s. moeten de woning met al hun spullen verlaten. Dat moet binnen een maand nadat dit vonnis is betekend. Deze termijn vindt de kantonrechter passend, omdat er een minderjarig kind in de woning woont. Zo hebben [gedaagde 1] c.s. meer tijd om ergens anders onderdak te zoeken.



2.5.
Tot en met de dag van de ontruiming moeten [gedaagde 1] c.s. een gebruiksvergoeding van € 1.400,- per maand betalen (artikel 7:225 BW).




[gedaagde 1] c.s. hoeven geen incassokosten en rente te betalen





2.6.
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In de huurovereenkomst staat hierover een oneerlijke bepaling, namelijk artikel 11.2. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag [eiser] daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde 1] c.s. een boete moeten betalen als zij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoen. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zouden [gedaagde 1] c.s. als zij te laat betalen alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. [eiser] wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.




[gedaagde 1] c.s. moeten de proceskosten betalen





2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde 1] c.s., omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] c.s. aan [eiser] moeten betalen op € 154,09 aan dagvaardingskosten, € 265,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.140,09. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.



Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad





2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiser] te betalen € 9.800,-;



3.2.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om binnen een maand na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [adres] te Rotterdam ( [postcode] ) te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] c.s. bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiser] te stellen;



3.3.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om vanaf 1 april 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt € 1.400,- per maand aan [eiser] te betalen;



3.4.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.140,09;



3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



3.6.
wijst al het andere af.


Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
62574




Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810


Hof van Justitie van de Europese Unie 27 januari 2021 (Dexia)