Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:5835
2026-03-31
Civiel recht; Arbeidsrecht
11992399 VZ VERZ 25-7075
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Arbeidszaak. Onterecht gegeven ontslag op staande voet waarin werkneemster berust. Toewijzing billijke vergoeding, transistievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en de wettelijke verhoging.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (9.934 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11992399 VZ VERZ 25-7075
datum uitspraak: 31 maart 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. P.M.A.F. Peutz,
tegen
[verweerder]
, die handelt onder de naam [onderneming] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerder,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘werkneemster’ en ‘werkgever’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van werkneemster, met bijlagen 1 tot en met 14;
het exploot van oproeping van werkgever overgelegd ter zitting.
1.2.
Op 2 maart 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken met
werkneemster, met hulp van H. Abdulla beëdigd tolk in de Engelse taal, en met haar gemachtigde. Werkgever is niet verschenen en heeft niet gereageerd.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Werkneemster werkte sinds 23 mei 2025 bij werkgever als barmedewerkster. Zij is op 30 september 2025 op staande voet ontslagen. Werkneemster is het daar niet mee eens, maar legt zich bij het ontslag neer. Zij vraagt om een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. Omdat werkgever tijdens het dienstverband tevens te laat is geweest met loonbetalingen vraagt zij ook de wettelijke verhoging over de betreffende loonbedragen. Een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente (maar niet over de billijke vergoeding). Ook wil werkneemster loonstroken ontvangen over het gehele dienstverband, binnen veertien dagen na de uitspraak, met een dwangsom van € 100,- per dag oplopend tot maximaal € 5.000,-, als werkgever hieraan niet voldoet. Werkgever voert geen verweer. Daarom wordt dat wat gevraagd wordt grotendeels toegewezen. Dit wordt hierna toegelicht.
Billijke vergoeding
2.2.
Werkneemster heeft recht op een billijke vergoeding. Werkneemster is namelijk niet akkoord gegaan met de opzegging en er is niet voldaan aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Die voorwaarden zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld meedelen van de reden. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat er geen dringende reden is. Volgens werkneemster is mondeling als reden voor het ontslag gegeven dat dat zij niet pro actief genoeg zou zijn en daarom werd ontslagen. Dat is niet weersproken, zodat ervan wordt uitgegaan dat dit als reden gegeven is voor het ontslag. Dit betekent dat werkgever niet tevreden was over het functioneren van werkneemster. Disfunctioneren kan echter alleen een dringende reden opleveren als de werkneemster in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen voor het overeengekomen werk. Nergens blijkt uit dat die situatie zich heeft voorgedaan. Daarom wordt ervan uitgegaan dat er geen dringende reden is geweest om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Door toch om die reden werkneemster op staande voet te ontslaan, heeft werkgever ernstig verwijtbaar gehandeld. Werkgever heeft namelijk in strijd gehandeld met de regels voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarom wordt het verzoek toegewezen om werkgever te veroordelen tot betaling van € 1.944,- bruto aan billijke vergoeding. Het bedrag komt neer op twee maanden loon inclusief vakantiegeld. De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster de hoogte van dit bedrag in het verzoekschrift voldoende heeft onderbouwd. Het bedrag was werkgever wellicht ook kwijt geweest als zij de arbeidsovereenkomst volgens de regels had beëindigd. Het bedrag wordt niet vermeerderd met de wettelijke rente omdat dit niet gevraagd is in het verzoekschrift, maar pas op de zitting, en werkgever niet verschenen is ter zitting.
Transitievergoeding
2.3.
Werkneemster heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan. Op basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de vergoeding van € 115,10 bruto die werkneemster verzoekt toewijsbaar. Dit bedrag moet werkgever betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 november 2025.
Gefixeerde schadevergoeding
2.4.
Werkgever moet een vergoeding voor onregelmatige opzegging aan werkneemster betalen. Werkgever heeft namelijk de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd, zonder rekening te houden met een opzegtermijn. Die vergoeding is – kort gezegd – gelijk aan het loon dat werkneemster zou hebben gekregen als de werkgever bij de opzegging wel rekening zou hebben gehouden met de opzegtermijn. Werkneemster is vier maanden in dienst geweest. Daarom geldt een opzegtermijn van één maand. De arbeidsovereenkomst had dus niet eerder dan per 1 november 2025 kunnen worden beëindigd. Werkneemster heeft daarom recht op een vergoeding gelijk aan het loon tot die datum. Werkneemster heeft uitgerekend dat het gaat om € 1.004,40 bruto. Dit is niet weersproken. Dit bedrag moet werkgever betalen. Hierover is werkgever rente verschuldigd vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 30 september 2025.
Wettelijke verhoging
2.5.
Werkneemster heeft gemotiveerd gesteld dat werkgever gedurende het dienstverband meermaals te laat geweest is met de uitbetaling van haar loon en dat zij daarom aanspraak heeft op verhoging van de betreffende loonbedragen op grond van artikel 7:625 BW. Het brutobedrag weet werkneemster niet, want zij heeft nooit loonstroken gekregen, maar op basis van het netto loon dat aan haar uitbetaald is heeft werkneemster uitgerekend dat het gaat om € 864,20 netto aan wettelijke verhoging, waarop zij recht heeft. Dat is niet weersproken. Daarom wordt werkgever veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan werkneemster, met de rente waarom werkneemster verzoekt vanaf 28 november 2025 (de datum van het verzoekschrift).
Loonstroken
2.6.
Werkneemster verzoekt tevens om werkgever te veroordelen tot verstrekking aan haar van loonstroken. Dat wordt ook toegewezen, met de gevraagde dwangsom.
Proceskosten
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van werkgever, omdat hij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die werkgever aan werkneemster moet betalen op € 226,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 947,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. Er worden geen explootkosten toegewezen, omdat werkneemster met een toevoeging procedeert en daarom deze kosten niet hoeft te betalen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat werkneemster dat heeft gevraagd en werkgever daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt werkgever om aan werkneemster te betalen:
€ 1.944,- bruto aan billijke vergoeding;
€ 115,10 bruto aan transitievergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 1 november 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
€ 1.004,40 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 30 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
€ 864,20 netto aan wettelijke verhoging, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 28 november 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt werkgever om aan werkneemster loonstroken te verstrekken over het dienstverband van 23 mei 2025 tot en met 30 september 2025, binnen veertien dagen na betekening van deze uitspraak, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag dat werkgever hieraan niet voldoet, met een maximum van € 5.000,-;
3.3.
veroordeelt werkgever in de proceskosten, die aan de kant van werkneemster tot vandaag worden vastgesteld op € 947,-;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
465
Artikel 7:681 lid 1 onder a BW gelezen in samenhang met artikel 7:671 lid 1 onder c BW en artikel 7:677 lid 1 BW.
Artikel 7:677 lid 1 BW
Artikel 7:678 lid 1 BW
Artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW
Artikel 7:686a lid 1 BW
artikel 7:672 lid 11 BW
Artikel 40 Wet op de rechtsbijstand
Artikel 288 Rv
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11992399 VZ VERZ 25-7075
datum uitspraak: 31 maart 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
[verzoekster]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde: mr. P.M.A.F. Peutz,
tegen
[verweerder]
, die handelt onder de naam [onderneming] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
verweerder,
die niet is verschenen.
De partijen worden hierna ‘werkneemster’ en ‘werkgever’ genoemd.
1De procedure
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van werkneemster, met bijlagen 1 tot en met 14;
het exploot van oproeping van werkgever overgelegd ter zitting.
1.2.
Op 2 maart 2026 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken met
werkneemster, met hulp van H. Abdulla beëdigd tolk in de Engelse taal, en met haar gemachtigde. Werkgever is niet verschenen en heeft niet gereageerd.
2De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Werkneemster werkte sinds 23 mei 2025 bij werkgever als barmedewerkster. Zij is op 30 september 2025 op staande voet ontslagen. Werkneemster is het daar niet mee eens, maar legt zich bij het ontslag neer. Zij vraagt om een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. Omdat werkgever tijdens het dienstverband tevens te laat is geweest met loonbetalingen vraagt zij ook de wettelijke verhoging over de betreffende loonbedragen. Een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente (maar niet over de billijke vergoeding). Ook wil werkneemster loonstroken ontvangen over het gehele dienstverband, binnen veertien dagen na de uitspraak, met een dwangsom van € 100,- per dag oplopend tot maximaal € 5.000,-, als werkgever hieraan niet voldoet. Werkgever voert geen verweer. Daarom wordt dat wat gevraagd wordt grotendeels toegewezen. Dit wordt hierna toegelicht.
Billijke vergoeding
2.2.
Werkneemster heeft recht op een billijke vergoeding. Werkneemster is namelijk niet akkoord gegaan met de opzegging en er is niet voldaan aan alle voorwaarden voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Die voorwaarden zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld meedelen van de reden. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat er geen dringende reden is. Volgens werkneemster is mondeling als reden voor het ontslag gegeven dat dat zij niet pro actief genoeg zou zijn en daarom werd ontslagen. Dat is niet weersproken, zodat ervan wordt uitgegaan dat dit als reden gegeven is voor het ontslag. Dit betekent dat werkgever niet tevreden was over het functioneren van werkneemster. Disfunctioneren kan echter alleen een dringende reden opleveren als de werkneemster in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen voor het overeengekomen werk. Nergens blijkt uit dat die situatie zich heeft voorgedaan. Daarom wordt ervan uitgegaan dat er geen dringende reden is geweest om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen. Door toch om die reden werkneemster op staande voet te ontslaan, heeft werkgever ernstig verwijtbaar gehandeld. Werkgever heeft namelijk in strijd gehandeld met de regels voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Daarom wordt het verzoek toegewezen om werkgever te veroordelen tot betaling van € 1.944,- bruto aan billijke vergoeding. Het bedrag komt neer op twee maanden loon inclusief vakantiegeld. De kantonrechter is van oordeel dat werkneemster de hoogte van dit bedrag in het verzoekschrift voldoende heeft onderbouwd. Het bedrag was werkgever wellicht ook kwijt geweest als zij de arbeidsovereenkomst volgens de regels had beëindigd. Het bedrag wordt niet vermeerderd met de wettelijke rente omdat dit niet gevraagd is in het verzoekschrift, maar pas op de zitting, en werkgever niet verschenen is ter zitting.
Transitievergoeding
2.3.
Werkneemster heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan. Op basis van het loon en de duur van de arbeidsovereenkomst is de vergoeding van € 115,10 bruto die werkneemster verzoekt toewijsbaar. Dit bedrag moet werkgever betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 november 2025.
Gefixeerde schadevergoeding
2.4.
Werkgever moet een vergoeding voor onregelmatige opzegging aan werkneemster betalen. Werkgever heeft namelijk de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd, zonder rekening te houden met een opzegtermijn. Die vergoeding is – kort gezegd – gelijk aan het loon dat werkneemster zou hebben gekregen als de werkgever bij de opzegging wel rekening zou hebben gehouden met de opzegtermijn. Werkneemster is vier maanden in dienst geweest. Daarom geldt een opzegtermijn van één maand. De arbeidsovereenkomst had dus niet eerder dan per 1 november 2025 kunnen worden beëindigd. Werkneemster heeft daarom recht op een vergoeding gelijk aan het loon tot die datum. Werkneemster heeft uitgerekend dat het gaat om € 1.004,40 bruto. Dit is niet weersproken. Dit bedrag moet werkgever betalen. Hierover is werkgever rente verschuldigd vanaf de datum waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 30 september 2025.
Wettelijke verhoging
2.5.
Werkneemster heeft gemotiveerd gesteld dat werkgever gedurende het dienstverband meermaals te laat geweest is met de uitbetaling van haar loon en dat zij daarom aanspraak heeft op verhoging van de betreffende loonbedragen op grond van artikel 7:625 BW. Het brutobedrag weet werkneemster niet, want zij heeft nooit loonstroken gekregen, maar op basis van het netto loon dat aan haar uitbetaald is heeft werkneemster uitgerekend dat het gaat om € 864,20 netto aan wettelijke verhoging, waarop zij recht heeft. Dat is niet weersproken. Daarom wordt werkgever veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan werkneemster, met de rente waarom werkneemster verzoekt vanaf 28 november 2025 (de datum van het verzoekschrift).
Loonstroken
2.6.
Werkneemster verzoekt tevens om werkgever te veroordelen tot verstrekking aan haar van loonstroken. Dat wordt ook toegewezen, met de gevraagde dwangsom.
Proceskosten
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van werkgever, omdat hij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die werkgever aan werkneemster moet betalen op € 226,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 947,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. Er worden geen explootkosten toegewezen, omdat werkneemster met een toevoeging procedeert en daarom deze kosten niet hoeft te betalen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat werkneemster dat heeft gevraagd en werkgever daartegen geen bezwaar heeft gemaakt. Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3De beslissing
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt werkgever om aan werkneemster te betalen:
€ 1.944,- bruto aan billijke vergoeding;
€ 115,10 bruto aan transitievergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 1 november 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
€ 1.004,40 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 30 september 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
€ 864,20 netto aan wettelijke verhoging, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 28 november 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt werkgever om aan werkneemster loonstroken te verstrekken over het dienstverband van 23 mei 2025 tot en met 30 september 2025, binnen veertien dagen na betekening van deze uitspraak, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag dat werkgever hieraan niet voldoet, met een maximum van € 5.000,-;
3.3.
veroordeelt werkgever in de proceskosten, die aan de kant van werkneemster tot vandaag worden vastgesteld op € 947,-;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. C.J. Frikkee en in het openbaar uitgesproken.
465
Artikel 7:681 lid 1 onder a BW gelezen in samenhang met artikel 7:671 lid 1 onder c BW en artikel 7:677 lid 1 BW.
Artikel 7:677 lid 1 BW
Artikel 7:678 lid 1 BW
Artikel 7:673 lid 1 en lid 7 BW
Artikel 7:686a lid 1 BW
artikel 7:672 lid 11 BW
Artikel 40 Wet op de rechtsbijstand
Artikel 288 Rv