Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:3605
2026-03-23
Civiel recht
C/10/715018 / KG RK 26-189
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Afgifte van medisch dossier. Niet-ontvankelijkverklaring. Procedure is ingeleid met een verzoekschrift in plaats van met een dagvaarding. Art. 69 Rv. Geen spoorwissel. Eisende partij heeft geen spoedeisend belang (meer) en daarom daar in redelijkheid geen belang bij.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2023:1216 Hoge Raad 15-09-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.815 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/715018 / KG RK 26-189
Beschikking van de voorzieningenrechter van 23 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika),
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
VELTHUIS KLINIEK ROTTERDAM,
te Rotterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Velthuis Kliniek,
advocaat: mr. J.M. de Vries.
1De zaak in het kort
[verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter om Velthuis Kliniek te veroordelen haar medisch dossier af te geven. [verzoeker] had deze procedure moeten inleiden met een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift. Ook is daarvoor een advocaat vereist. Wanneer een procedure op de verkeerde manier wordt begonnen, moet de rechter gelegenheid geven deze fout te herstellen. De voorzieningenrechter geeft die gelegenheid in dit geval niet, omdat [verzoeker] geen spoedeisend belang (meer) heeft en daarom in redelijkheid geen belang heeft bij een dergelijke herstelmogelijkheid. [verzoeker] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 12 januari 2026 met producties 1 tot en met 8,
- het verweerschrift van 2 maart 2026 met producties 1 tot en met 6,
- de aanvulling op het verzoekschrift van 4 maart 2026 met bijlagen,
- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
3Het verzoek
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter – kort samengevat – verzocht om Velthuis Kliniek te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van de te wijzen beschikking een volledig en integraal afschrift van het medisch dossier van [verzoeker] over de periode 13 december 2021 tot en met 27 september 2022 te verstrekken, met inbegrip van alle daarbij behorende ‘logging’-gegevens, versiegeschiedenis(sen) en bronbestanden op straffe van een dwangsom.
4De beoordeling
Uitleg van het verzoek
4.1.
[verzoeker] heeft deze procedure ingeleid met een verzoekschrift. [verzoeker] verzoekt dat de voorzieningenrechter Velthuis Kliniek veroordeelt om haar medisch dossier af te geven. [verzoeker] legt hieraan ten grondslag enerzijds de verplichting voor een hulpverlener om inzage en afschrift van de gegevens in een medisch dossier te verstrekken zoals bedoeld in artikel 7:456 BW en anderzijds baseert zij haar verzoek op het recht om inzage in haar persoonsgegevens te krijgen op de voet van artikel 15 AVG.
4.2.
Op grond van artikel 261 lid 2 Rv kunnen zaken alleen met een verzoekschrift worden ingeleid als dit uit de wet voortvloeit. De rechter is slechts op grond van een concrete wetsbepaling bevoegd — en verplicht — tot het geven van een beschikking op een verzoekschrift. Om te kunnen vaststellen of in dit geval een grondslag bestaat voor een beslissing op basis van een verzoekschrift, moet dat verzoekschrift worden uitgelegd. Bij die uitleg moet niet slechts acht worden geslagen op de bewoordingen daarvan, maar komt ook betekenis toe aan de inhoud van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, de wijze waarop de wederpartij het verzoek heeft opgevat en redelijkerwijs heeft moeten opvatten, en het overige partijdebat.
4.3.
Een hulpverlener is op grond van artikel 7:456 BW in beginsel verplicht om de patiënt desgevraagd inzage en afschrift van de gegevens uit het medische dossier te verstrekken. Indien en voor zover een hulpverlener niet aan de verplichting tot inzage en afschrift voldoet, kan de hulpverlener ingevolge artikel 3:296 BW worden veroordeeld tot nakoming daarvan. Een dergelijke veroordeling kan echter niet worden uitgesproken in een verzoekschriftprocedure. Dat is enkel mogelijk op vordering van de gerechtigde, dus in een dagvaardingsprocedure. Dit geldt ook in spoedeisende gevallen, waarin de vordering bij de voorzieningenrechter kan worden ingesteld. In een dergelijke kortgedingprocedure is overigens de bijstand van een advocaat vereist. Een vordering op grond van artikel 7:456 BW kan dus niet door middel van een verzoekschrift worden ingesteld.
4.4.
Indien een belanghebbende op de voet van artikel 15 AVG een verzoek tot inzage en afgifte van persoonsgegeven doet bij een niet-bestuursorgaan en dit verzoek wordt afgewezen, biedt artikel 35 UAVG de mogelijkheid aan een belanghebbende om zich tot de rechtbank te wenden met een verzoekschrift om de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen het verzoek zoals bedoeld in artikel 15 AVG alsnog toe of af te wijzen. De indiening van dit verzoekschrift behoeft niet door een advocaat te geschieden (artikel 35 lid 4 UAVG). Een dergelijk verzoekschrift wordt ingediend bij de rechtbank en wordt (dus) behandeld in een bodemprocedure. Artikel 35 UAVG voorziet niet in de mogelijkheid dat een bevel als bedoeld in dat artikel bij verzoekschrift in een afzonderlijk kort geding wordt verzocht. Weliswaar kan de betrokkene die daarbij spoedeisend belang heeft voorafgaand of tijdens de verzoekschriftprocedure in de zin van artikel 35 UAVG de afgifte van persoonsgegevens in een kort geding vorderen, maar dat moet dan gebeuren in een regulier kort geding dat wordt ingeleid door een dagvaarding door tussenkomst van een advocaat.
4.5.
Tegen deze achtergrond geldt het volgende. [verzoeker] heeft in haar verzoekschrift aangevoerd dat zij spoedeisend belang heeft bij haar verzoek en dat een bodemprocedure geen tijdige rechtsbescherming biedt. Zij heeft zich (dus) uitdrukkelijk tot de voorzieningenrechter gewend. Uit het voorgaande volgt echter dat voor een dergelijk verzoek geen rechtsingang bestaat. Zij kan zich wel tot de voorzieningenrechter wenden om daarmee afgifte van haar medisch dossier af te dwingen, maar dat moet in een regulier kort geding en dus door middel van een dagvaarding en met tussenkomst van een advocaat. Dit betekent dat [verzoeker] in beginsel niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
Geen spoorwissel
4.6.
Artikel 69 Rv schrijft voor dat de rechter, indien een zaak bij verzoekschrift aanhangig is gemaakt, waar dat bij dagvaarding had moeten plaatsvinden, of omgekeerd, de zaak naar de juiste procedure dient te verwijzen (de zgn. ‘spoorwissel’). Toepassing van deze regeling zou met zich brengen dat de voorzieningenrechter [verzoeker] beveelt om het stuk waarmee de procedure is ingeleid te verbeteren of aan te vullen. Dit zou feitelijk betekenen dat er alsnog een dagvaarding moet worden uitgebracht en dat [verzoeker] zich zal moeten voorzien van rechtsbijstand door een advocaat.
4.7.
De voorzieningenrechter zal echter in dit geval geen toepassing geven aan artikel 69 Rv, omdat daarmee in redelijkheid geen enkel belang is gemoeid. In een kortgedingprocedure zal een oordeel moeten worden gegeven over de spoedeisendheid van de door [verzoeker] ingestelde vorderingen. Over het spoedeisende belang heeft [verzoeker] al een standpunt ingenomen en daarover heeft ook partijdebat plaatsgevonden. Uit dit debat volgt dat aan het vereiste van voldoende spoedeisend belang niet is voldaan. Hiervoor is het volgende redengevend.
4.8.
[verzoeker] heeft ter onderbouwing van haar spoedeisend belang in haar verzoekschrift aangegeven dat zij het medisch dossier nodig heeft in het kader van de mondelinge behandeling van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg op 26 januari 2026. Deze mondelinge behandeling heeft reeds plaatsgevonden, zodat dit geen spoedeisend belang aan de zijde van [verzoeker] meer oplevert. Velthuis Kliniek heeft bovendien onbetwist aangevoerd dat de onderhavige procedure tijdens de zitting van het Centraal Tuchtcollege aan de orde is gekomen en dat dit college niettemin geen aanleiding heeft gezien om de behandeling van de tuchtprocedure aan te houden. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij desondanks nog steeds een spoedeisend belang heeft, omdat zij in grote mate ongemak ervaart van het voortslepen van het geschil rondom de afgifte van het medisch dossier. Hoewel dit een vervelende situatie betreft voor [verzoeker] , betekent dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat niet van haar kan worden gevergd een bodemprocedure te doorlopen. Daarbij speelt een rol dat [verzoeker] al lange tijd discussie voert met Velthuis Kliniek over de afgifte van haar dossier, dat Velthuis Kliniek al in 2022 naar eigen zeggen het volledige dossier inclusief de logging-gegevens ter beschikking heeft gesteld en dat zowel de Geschillencommissie Zelfstandige klinieken (in 2023) als het Regionaal Tuchtcollege (in 2025) het standpunt van [verzoeker] over de onvolledigheid van het dossier hebben afgewezen. Dit alles brengt met zich dat een spoorwissel niet zal leiden tot toewijzing van de vorderingen, maar enkel tot nadere kosten voor partijen.
4.9.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
Proceskosten
4.10.
[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van Velthuis Kliniek begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat
€
760,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.684,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in haar verzoek,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.684,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
4049 / 1980
HR 15 maart 1991, NJ 1991/397.
HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1216
Team handel en haven
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/715018 / KG RK 26-189
Beschikking van de voorzieningenrechter van 23 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker]
,
te [woonplaats] (Verenigde Staten van Amerika),
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
VELTHUIS KLINIEK ROTTERDAM,
te Rotterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Velthuis Kliniek,
advocaat: mr. J.M. de Vries.
1De zaak in het kort
[verzoeker] verzoekt de voorzieningenrechter om Velthuis Kliniek te veroordelen haar medisch dossier af te geven. [verzoeker] had deze procedure moeten inleiden met een dagvaarding in plaats van een verzoekschrift. Ook is daarvoor een advocaat vereist. Wanneer een procedure op de verkeerde manier wordt begonnen, moet de rechter gelegenheid geven deze fout te herstellen. De voorzieningenrechter geeft die gelegenheid in dit geval niet, omdat [verzoeker] geen spoedeisend belang (meer) heeft en daarom in redelijkheid geen belang heeft bij een dergelijke herstelmogelijkheid. [verzoeker] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 12 januari 2026 met producties 1 tot en met 8,
- het verweerschrift van 2 maart 2026 met producties 1 tot en met 6,
- de aanvulling op het verzoekschrift van 4 maart 2026 met bijlagen,
- de mondelinge behandeling van 23 maart 2026.
2.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
3Het verzoek
[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter – kort samengevat – verzocht om Velthuis Kliniek te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van de te wijzen beschikking een volledig en integraal afschrift van het medisch dossier van [verzoeker] over de periode 13 december 2021 tot en met 27 september 2022 te verstrekken, met inbegrip van alle daarbij behorende ‘logging’-gegevens, versiegeschiedenis(sen) en bronbestanden op straffe van een dwangsom.
4De beoordeling
Uitleg van het verzoek
4.1.
[verzoeker] heeft deze procedure ingeleid met een verzoekschrift. [verzoeker] verzoekt dat de voorzieningenrechter Velthuis Kliniek veroordeelt om haar medisch dossier af te geven. [verzoeker] legt hieraan ten grondslag enerzijds de verplichting voor een hulpverlener om inzage en afschrift van de gegevens in een medisch dossier te verstrekken zoals bedoeld in artikel 7:456 BW en anderzijds baseert zij haar verzoek op het recht om inzage in haar persoonsgegevens te krijgen op de voet van artikel 15 AVG.
4.2.
Op grond van artikel 261 lid 2 Rv kunnen zaken alleen met een verzoekschrift worden ingeleid als dit uit de wet voortvloeit. De rechter is slechts op grond van een concrete wetsbepaling bevoegd — en verplicht — tot het geven van een beschikking op een verzoekschrift. Om te kunnen vaststellen of in dit geval een grondslag bestaat voor een beslissing op basis van een verzoekschrift, moet dat verzoekschrift worden uitgelegd. Bij die uitleg moet niet slechts acht worden geslagen op de bewoordingen daarvan, maar komt ook betekenis toe aan de inhoud van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd, de wijze waarop de wederpartij het verzoek heeft opgevat en redelijkerwijs heeft moeten opvatten, en het overige partijdebat.
4.3.
Een hulpverlener is op grond van artikel 7:456 BW in beginsel verplicht om de patiënt desgevraagd inzage en afschrift van de gegevens uit het medische dossier te verstrekken. Indien en voor zover een hulpverlener niet aan de verplichting tot inzage en afschrift voldoet, kan de hulpverlener ingevolge artikel 3:296 BW worden veroordeeld tot nakoming daarvan. Een dergelijke veroordeling kan echter niet worden uitgesproken in een verzoekschriftprocedure. Dat is enkel mogelijk op vordering van de gerechtigde, dus in een dagvaardingsprocedure. Dit geldt ook in spoedeisende gevallen, waarin de vordering bij de voorzieningenrechter kan worden ingesteld. In een dergelijke kortgedingprocedure is overigens de bijstand van een advocaat vereist. Een vordering op grond van artikel 7:456 BW kan dus niet door middel van een verzoekschrift worden ingesteld.
4.4.
Indien een belanghebbende op de voet van artikel 15 AVG een verzoek tot inzage en afgifte van persoonsgegeven doet bij een niet-bestuursorgaan en dit verzoek wordt afgewezen, biedt artikel 35 UAVG de mogelijkheid aan een belanghebbende om zich tot de rechtbank te wenden met een verzoekschrift om de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen het verzoek zoals bedoeld in artikel 15 AVG alsnog toe of af te wijzen. De indiening van dit verzoekschrift behoeft niet door een advocaat te geschieden (artikel 35 lid 4 UAVG). Een dergelijk verzoekschrift wordt ingediend bij de rechtbank en wordt (dus) behandeld in een bodemprocedure. Artikel 35 UAVG voorziet niet in de mogelijkheid dat een bevel als bedoeld in dat artikel bij verzoekschrift in een afzonderlijk kort geding wordt verzocht. Weliswaar kan de betrokkene die daarbij spoedeisend belang heeft voorafgaand of tijdens de verzoekschriftprocedure in de zin van artikel 35 UAVG de afgifte van persoonsgegevens in een kort geding vorderen, maar dat moet dan gebeuren in een regulier kort geding dat wordt ingeleid door een dagvaarding door tussenkomst van een advocaat.
4.5.
Tegen deze achtergrond geldt het volgende. [verzoeker] heeft in haar verzoekschrift aangevoerd dat zij spoedeisend belang heeft bij haar verzoek en dat een bodemprocedure geen tijdige rechtsbescherming biedt. Zij heeft zich (dus) uitdrukkelijk tot de voorzieningenrechter gewend. Uit het voorgaande volgt echter dat voor een dergelijk verzoek geen rechtsingang bestaat. Zij kan zich wel tot de voorzieningenrechter wenden om daarmee afgifte van haar medisch dossier af te dwingen, maar dat moet in een regulier kort geding en dus door middel van een dagvaarding en met tussenkomst van een advocaat. Dit betekent dat [verzoeker] in beginsel niet-ontvankelijk is in haar verzoek.
Geen spoorwissel
4.6.
Artikel 69 Rv schrijft voor dat de rechter, indien een zaak bij verzoekschrift aanhangig is gemaakt, waar dat bij dagvaarding had moeten plaatsvinden, of omgekeerd, de zaak naar de juiste procedure dient te verwijzen (de zgn. ‘spoorwissel’). Toepassing van deze regeling zou met zich brengen dat de voorzieningenrechter [verzoeker] beveelt om het stuk waarmee de procedure is ingeleid te verbeteren of aan te vullen. Dit zou feitelijk betekenen dat er alsnog een dagvaarding moet worden uitgebracht en dat [verzoeker] zich zal moeten voorzien van rechtsbijstand door een advocaat.
4.7.
De voorzieningenrechter zal echter in dit geval geen toepassing geven aan artikel 69 Rv, omdat daarmee in redelijkheid geen enkel belang is gemoeid. In een kortgedingprocedure zal een oordeel moeten worden gegeven over de spoedeisendheid van de door [verzoeker] ingestelde vorderingen. Over het spoedeisende belang heeft [verzoeker] al een standpunt ingenomen en daarover heeft ook partijdebat plaatsgevonden. Uit dit debat volgt dat aan het vereiste van voldoende spoedeisend belang niet is voldaan. Hiervoor is het volgende redengevend.
4.8.
[verzoeker] heeft ter onderbouwing van haar spoedeisend belang in haar verzoekschrift aangegeven dat zij het medisch dossier nodig heeft in het kader van de mondelinge behandeling van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg op 26 januari 2026. Deze mondelinge behandeling heeft reeds plaatsgevonden, zodat dit geen spoedeisend belang aan de zijde van [verzoeker] meer oplevert. Velthuis Kliniek heeft bovendien onbetwist aangevoerd dat de onderhavige procedure tijdens de zitting van het Centraal Tuchtcollege aan de orde is gekomen en dat dit college niettemin geen aanleiding heeft gezien om de behandeling van de tuchtprocedure aan te houden. [verzoeker] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij desondanks nog steeds een spoedeisend belang heeft, omdat zij in grote mate ongemak ervaart van het voortslepen van het geschil rondom de afgifte van het medisch dossier. Hoewel dit een vervelende situatie betreft voor [verzoeker] , betekent dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat niet van haar kan worden gevergd een bodemprocedure te doorlopen. Daarbij speelt een rol dat [verzoeker] al lange tijd discussie voert met Velthuis Kliniek over de afgifte van haar dossier, dat Velthuis Kliniek al in 2022 naar eigen zeggen het volledige dossier inclusief de logging-gegevens ter beschikking heeft gesteld en dat zowel de Geschillencommissie Zelfstandige klinieken (in 2023) als het Regionaal Tuchtcollege (in 2025) het standpunt van [verzoeker] over de onvolledigheid van het dossier hebben afgewezen. Dit alles brengt met zich dat een spoorwissel niet zal leiden tot toewijzing van de vorderingen, maar enkel tot nadere kosten voor partijen.
4.9.
Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.
Proceskosten
4.10.
[verzoeker] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van Velthuis Kliniek begroot op:
- griffierecht € 735,00
- salaris advocaat
€
760,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.684,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in haar verzoek,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 1.684,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2026.
4049 / 1980
HR 15 maart 1991, NJ 1991/397.
HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1216