Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:2804

2026-03-18 Civiel recht C/10/711198 / HA ZA 25-1049
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-03-18
Publicatiedatum
2026-03-18
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/10/711198 / HA ZA 25-1049
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vonnis in incident. Verwijzing naar kamer voor kantonzaken.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.902 tekens)
RECHTBANK Rotterdam


Team handel en haven



Zaaknummer: C/10/711198 / HA ZA 25-1049




Vonnis in incident van 18 maart 2026




in de zaak van





[eiser]
,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.J.H. Anker te Rotterdam,



tegen





[gedaagde] , handelend onder de naam [gedaagde] Montage,
wonende en zaakdoende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. T.K.A.B. Eskes te [woonplaats] .






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 19 november 2025, met producties 1 tot en met 10;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van [gedaagde] van 21 januari 2026;
- de conclusie van antwoord in het incident van [eiser] van 4 februari 2026.



1.2.
Vervolgens is vonnis in het incident bepaald.






2Het gevorderde in de hoofdzaak


2.1.


[eiser] vordert de rechtbank om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen:
I. tot betaling aan [eiser] van € 17.225,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding;
II. tot betaling aan [eiser] van € 1.778,70 aan deskundigenkosten;
III. tot betaling aan [eiser] van € 1.146,17 aan buitengerechtelijke incassokosten;
IV. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de zesde dag na betekening van het vonnis.




2.2.

[gedaagde] heeft nog niet voor antwoord geconcludeerd in de hoofdzaak.






3Het geschil in het incident


3.1.

[gedaagde] vordert de rechtbank de zaak te verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank en om hem uitstel te verlenen voor het indienen van een conclusie van antwoord.



3.2.

[eiser] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. [eiser] vermeldt daarbij dat zij zich er geheel in kan vinden dat de zaak wordt verwezen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.






4De beoordeling in het incident

4.1.
De rechtbank stelt vast dat de waarde van de vordering van [eiser] in totaal € 20.419,87 bedraagt. Dit overschrijdt niet de competentiegrens van € 25.000,00, waardoor de zaak behoort tot de competentie van de kantonrechter (artikel 93 sub a Rv).



4.2.
Op grond van artikel 71 lid 2 Rv moet de rechtbank de zaak verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank. Zodoende is de vordering van [gedaagde] in het incident toewijsbaar. In de hoofdzaak zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank.



4.3.
Gelet op voorgaande behoeft de vordering tot het verlenen van uitstel voor het indienen van een conclusie van antwoord geen verdere behandeling.






5De beslissing
De rechtbank



in het incident




5.1.
wijst de gevorderde verwijzing toe;



5.2.
wijst het meer of anders gevorderde af;



in de hoofdzaak





5.3.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Dordrecht;



5.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van donderdag 26 maart 2026 om 10.00 uur;



5.5.
wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;



5.6.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;



5.7.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.



Dit vonnis is gewezen door mr. P.D. Olden. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.3719/3660