Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12921
2026-09-23
Civiel recht
C/10/726534 / KG ZA 26-975
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Executiegeschil.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2019:2026 Hoge Raad 20-12-2019
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.272 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/726534 / KG ZA 26-975
Vonnis in kort geding van 23 september 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
te [plaats] ,
eisers,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. J-M.F. Honders,
tegen
STICHTING WOONPLUS SCHIEDAM,
te Schiedam,
gedaagde,
hierna te noemen: Woonplus,
advocaat: mr. M. Dibbets.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 september 2026- de producties 1 tot en met 10 van [eiser 1] en [eiser 2]- de producties 1 tot en met 14 van Woonplus- de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de pleitnota van Woonplus.
2De feiten
2.1.
Woonplus is een toegelaten instelling (woningcorporatie).
2.2.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben de sociale huurwoning aan de [adres] te [postcode] Schiedam (de woning) in onderhuur gehuurd van de (toen) hoofdhuurder van de woning, mevrouw [persoon A] . [persoon A] had de woning gehuurd van Woonplus, de eigenaar van de woning. De onderhuurovereenkomst is aangegaan op 1 oktober 2025.
2.3.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de kantonrechter van 28 augustus 2026 is de huurovereenkomst met de hoofdhuurder ontbonden op vordering van Woonplus. [eiser 1] en [eiser 2] zijn in dezelfde procedure als bewoners gedagvaard. Ten aanzien van [eiser 1] en [eiser 2] is bepaald dat de (onder)huurovereenkomst op grond van artikel 7:269 lid 1 BW wordt voortgezet door Woonplus en dat die (onder)huurovereenkomst eindigt op 15 september 2026. Tevens zijn [eiser 1] en [eiser 2] veroordeeld om de woning binnen vijf dagen na 15 september 2026 te ontruimen en de sleutels van de woning ter beschikking van Woonplus te stellen. De mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026. Tijdens de mondelinge behandeling was namens [eiser 1] en [eiser 2] verzocht om in ieder geval een redelijke ontruimingstermijn.
Het vonnis van de kantonrechter van 28 augustus 2026 is namens Woonplus aan [eiser 1] en [eiser 2] op 10 september 2026 (niet in persoon) betekend, evenals de aanzegging om te ontruimen op 24 september 2026 te 08:00 uur. [eiser 1] en [eiser 2] beschikten niet over de sleutels van de brievenbus maar hebben op 10 september 2026 toch kennis weten te nemen van het betekeningsexploot houdende het vonnis en de aanzegging.
2.4.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben de woning niet binnen vijf dagen na 15 september 2026 vrijwillig verlaten.
2.5.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn voornemens hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 28 augustus 2026.
3Het geschil
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen (zakelijk weergegeven) om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 augustus 2026, in het bijzonder de onderdelen 3.4 en 3.5 van het dictum, te schorsen totdat in het door [eiser 1] en [eiser 2] ingestelde [opm. voorzieningenrechter: nog in te stellen] hoger beroep onherroepelijk zal zijn beslist, althans Woonplus te verbieden dat vonnis jegens [eiser 1] en [eiser 2] ten uitvoer te leggen zolang op dat hoger beroep niet is beslist, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per (gedeelte van een) dag dat Woonplus daarmee in strijd handelt, met een eventueel juist te achten maximum;
subsidiair
2. de tenuitvoerlegging van (in het bijzonder onderdeel 3.5 van) het vonnis te schorsen, althans Woonplus te verbieden tot ontruiming over te gaan, tot 1 december 2026, althans tot een zodanige latere datum als de voorzieningenrechter in goede justitie bepaalt, op straffe van een dwangsom als onder 1 bedoeld;
meer subsidiair
3. Woonplus te gebieden [eiser 1] en [eiser 2] na de datum van dit vonnis een redelijke ontruimingstermijn van ten minste twaalf weken te gunnen en de aangezegde ontruiming van 24 september 2026 geen doorgang te doen vinden, op straffe van een dwangsom als onder 1 bedoeld;
in alle gevallen
4. Woonplus te veroordelen in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen, althans de proceskosten te compenseren;
5. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht.
3.2.
Woonplus voert verweer. Woonplus concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
4.1.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben aangekondigd tijdig in hoger beroep te gaan van het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 28 augustus 2026. Zoals bij de feiten al weergegeven zijn [eiser 1] en [eiser 2] in dat vonnis veroordeeld om de woning binnen vijf dagen na de datum van beëindiging van de (onder)huurovereenkomst op 15 september 2026 te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hen bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Woonplus te stellen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de woning niet binnen gemelde termijn verlaten. Bij betekeningsexploot van 10 september 2026 heeft Woonplus het vonnis van 28 augustus 2026 doen betekenen en de ontruiming van de woning tegen 24 september 2026 te 08:00 uur aan [eiser 1] en [eiser 2] aangezegd. Gelet op de datum van de aangezegde ontruiming is het spoedeisend belang in dit kort geding gegeven.
4.2.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen thans (kort gezegd) om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 augustus 2026 te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist, althans tot 1 december 2026, althans een gebod aan Woonplus op te leggen om hen een redelijke ontruimingstermijn van ten minste twaalf weken te gunnen.
4.3.
Uitgangspunt in een executiegeschil is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een daartegen ingesteld rechtsmiddel, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vastgestelde feiten en oordelen. De kans van slagen van het ingestelde of nog in te stellen rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, tenzij sprake is van een kennelijke misslag. Van een kennelijke misslag is slechts sprake indien deze evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die zich na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
4.4.
Toepassing van deze maatstaf leidt tot de volgende overwegingen.
Indien en voor zover [eiser 1] en [eiser 2] inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis van 28 augustus 2026 hebben aangevoerd, geldt dat een executiegeschil niet kan dienen als een verkapt hoger beroep.
Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een kennelijke (juridische of feitelijke) misslag in het vonnis van 28 augustus 2026, waardoor tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
Niet gebleken is dat zich na het uitspreken van het vonnis van 28 augustus 2026 feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die een afwijking van de beslissing (over de uitvoerbaar bij voorraadverklaring) rechtvaardigen. [eiser 1] en [eiser 2] stellen weliswaar dat bij hen een noodtoestand zal ontstaan, maar daarvan is onvoldoende gebleken, waarover hierna nader.
4.5.
In de visie van [eiser 1] en [eiser 2] zal bij hen een noodtoestand ontstaan doordat:
de termijn tussen kennisname van het vonnis en 20 september 2026 (vijf dagen na 15 september 2026) te kort was om vrijwillig te kunnen ontruimen;
het huwelijk van [eiser 1] met [eiser 2] plaatsvond op 17 september 2026 en vervolgens een huwelijksreis was gepland;
bij [eiser 2] sprake is van adres gebonden elektronisch reclasseringstoezicht.
4.6.
De kantonrechter heeft deze feiten en omstandigheden in het vonnis van 28 augustus 2026 deels meegewogen in een overweging ten overvloede (rov. 2.25) en bij de belangenweging in het kader van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring (rov. 2.31).
Allereerst merkt de voorzieningenrechter op dat het risico van dakloosheid (in een krappe woningmarkt) al is verdisconteerd in een vonnis waarbij de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming is uitgesproken.
Ten aanzien van het ad 1) gestelde geldt dat [eiser 1] en [eiser 2] in elk geval vanaf 10 september 2026 op de hoogte waren van de ontruimingstermijn. Hoewel die termijn kort is, is deze niet té kort, omdat [eiser 1] en [eiser 2] , zoals blijkt uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting, reeds op 4 december 2025, onder aankondiging van de bodemprocedure, door Woonplus waren verzocht de woning te verlaten. Dat de procedure bij de kantonrechter vervolgens in het nadeel van [eiser 1] en [eiser 2] kon uitvallen was iets waarmee zij sinds de zitting van 22 juni 2026 redelijkerwijs rekening mee moesten houden.
Ten aanzien van het ad 2) gestelde geldt dat dit wordt aangemerkt als een onvoldoende zwaarwegende omstandigheid, afgezet tegen het belang van Woonplus, terwijl ook niet met verifieerbare bescheiden is onderbouwd dat de huwelijksreis tijdens de aangezegde ontruiming zou plaatsvinden. Voor zover dat toch het geval was, konden partijen tevoren, in elk geval direct na 10 september 2026, maatregelen treffen teneinde hun huwelijksreis te verplaatsen.
Ten aanzien van het ad 3) gestelde geldt dat [eiser 1] en [eiser 2] ter zitting hebben toegelicht dat aan het reclasseringstoezicht ook een traject bij Fivoor en E25 Zorg en Welzijn verbonden is, waarvoor de intake al is aangevangen en dat deze (behandel-)trajecten gevaar lopen als [eiser 2] voormeld adres als woonadres verliest. De voorzieningenrechter heeft dienaangaande als nieuw stuk - ten opzichte van hetgeen bij de kantonrechter bekend was - nog de beschikking gekregen over de brief van 14 september 2026 van de reclasseringswerker (productie 5 van [eiser 1] en [eiser 2] ). Hoewel de belangen van [eiser 2] bij een stabiele woonruimte uit deze brief blijken, maakt dit niet dat een belangenafweging in het voordeel van [eiser 2] (en [eiser 1] ) uitvalt. Duidelijk is dat voor [eiser 2] een locatieverbod geldt, en niet een gebod te verblijven op het adres van de te ontruimen woning. Woonplus heeft anderzijds als sociale verhuurder er belang bij om de woning aan een woningzoekende op de wachtlijst toe te wijzen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben zich als onderhuurders feitelijk voorrang verschaft bij de verkrijging van een sociale huurwoning waarvoor regulier een huisvestingsvergunning noodzakelijk is (waarover [eiser 1] en [eiser 2] niet beschikken) en waarvoor regulier lang op wachtlijsten wordt gestaan. Zij moeten geacht worden zich daarvan bewust te zijn geweest toen zij het onderhavige (onder-)huurcontract met de hoofdhuurster sloten. Dit geldt ook als, zoals [eiser 2] ter zitting heeft verklaard, partijen zich toen pas voor het eerst op de sociale woningmarkt begaven. De behandelverplichting van [eiser 2] was daarnaast al bekend voorafgaand aan de mondelinge behandeling door de kantonrechter. De omstandigheid dat het toezicht en de behandeltrajecten onder druk zullen komen te staan, rechtvaardigt daarom geen afwijking van de beslissingen in het vonnis van de kantonrechter.
4.7.
Het voorgaande betekent dat de vordering in alle onderdelen wordt afgewezen.
4.8.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonplus worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] in alle onderdelen af,
5.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.3.
verklaart deze uitspraak wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. 1734/638
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/726534 / KG ZA 26-975
Vonnis in kort geding van 23 september 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
te [plaats] ,
eisers,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. J-M.F. Honders,
tegen
STICHTING WOONPLUS SCHIEDAM,
te Schiedam,
gedaagde,
hierna te noemen: Woonplus,
advocaat: mr. M. Dibbets.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 september 2026- de producties 1 tot en met 10 van [eiser 1] en [eiser 2]- de producties 1 tot en met 14 van Woonplus- de mondelinge behandeling van 22 september 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de pleitnota van Woonplus.
2De feiten
2.1.
Woonplus is een toegelaten instelling (woningcorporatie).
2.2.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben de sociale huurwoning aan de [adres] te [postcode] Schiedam (de woning) in onderhuur gehuurd van de (toen) hoofdhuurder van de woning, mevrouw [persoon A] . [persoon A] had de woning gehuurd van Woonplus, de eigenaar van de woning. De onderhuurovereenkomst is aangegaan op 1 oktober 2025.
2.3.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van de kantonrechter van 28 augustus 2026 is de huurovereenkomst met de hoofdhuurder ontbonden op vordering van Woonplus. [eiser 1] en [eiser 2] zijn in dezelfde procedure als bewoners gedagvaard. Ten aanzien van [eiser 1] en [eiser 2] is bepaald dat de (onder)huurovereenkomst op grond van artikel 7:269 lid 1 BW wordt voortgezet door Woonplus en dat die (onder)huurovereenkomst eindigt op 15 september 2026. Tevens zijn [eiser 1] en [eiser 2] veroordeeld om de woning binnen vijf dagen na 15 september 2026 te ontruimen en de sleutels van de woning ter beschikking van Woonplus te stellen. De mondelinge behandeling bij de kantonrechter heeft plaatsgevonden op 22 juni 2026. Tijdens de mondelinge behandeling was namens [eiser 1] en [eiser 2] verzocht om in ieder geval een redelijke ontruimingstermijn.
Het vonnis van de kantonrechter van 28 augustus 2026 is namens Woonplus aan [eiser 1] en [eiser 2] op 10 september 2026 (niet in persoon) betekend, evenals de aanzegging om te ontruimen op 24 september 2026 te 08:00 uur. [eiser 1] en [eiser 2] beschikten niet over de sleutels van de brievenbus maar hebben op 10 september 2026 toch kennis weten te nemen van het betekeningsexploot houdende het vonnis en de aanzegging.
2.4.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben de woning niet binnen vijf dagen na 15 september 2026 vrijwillig verlaten.
2.5.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn voornemens hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van 28 augustus 2026.
3Het geschil
3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen (zakelijk weergegeven) om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
1. de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 augustus 2026, in het bijzonder de onderdelen 3.4 en 3.5 van het dictum, te schorsen totdat in het door [eiser 1] en [eiser 2] ingestelde [opm. voorzieningenrechter: nog in te stellen] hoger beroep onherroepelijk zal zijn beslist, althans Woonplus te verbieden dat vonnis jegens [eiser 1] en [eiser 2] ten uitvoer te leggen zolang op dat hoger beroep niet is beslist, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per (gedeelte van een) dag dat Woonplus daarmee in strijd handelt, met een eventueel juist te achten maximum;
subsidiair
2. de tenuitvoerlegging van (in het bijzonder onderdeel 3.5 van) het vonnis te schorsen, althans Woonplus te verbieden tot ontruiming over te gaan, tot 1 december 2026, althans tot een zodanige latere datum als de voorzieningenrechter in goede justitie bepaalt, op straffe van een dwangsom als onder 1 bedoeld;
meer subsidiair
3. Woonplus te gebieden [eiser 1] en [eiser 2] na de datum van dit vonnis een redelijke ontruimingstermijn van ten minste twaalf weken te gunnen en de aangezegde ontruiming van 24 september 2026 geen doorgang te doen vinden, op straffe van een dwangsom als onder 1 bedoeld;
in alle gevallen
4. Woonplus te veroordelen in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen, althans de proceskosten te compenseren;
5. althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie geraden acht.
3.2.
Woonplus voert verweer. Woonplus concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de kosten van deze procedure.
4De beoordeling
4.1.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben aangekondigd tijdig in hoger beroep te gaan van het vonnis van de kantonrechter van deze rechtbank van 28 augustus 2026. Zoals bij de feiten al weergegeven zijn [eiser 1] en [eiser 2] in dat vonnis veroordeeld om de woning binnen vijf dagen na de datum van beëindiging van de (onder)huurovereenkomst op 15 september 2026 te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege hen bevinden en de woning met alle sleutels ter beschikking van Woonplus te stellen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben de woning niet binnen gemelde termijn verlaten. Bij betekeningsexploot van 10 september 2026 heeft Woonplus het vonnis van 28 augustus 2026 doen betekenen en de ontruiming van de woning tegen 24 september 2026 te 08:00 uur aan [eiser 1] en [eiser 2] aangezegd. Gelet op de datum van de aangezegde ontruiming is het spoedeisend belang in dit kort geding gegeven.
4.2.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen thans (kort gezegd) om de tenuitvoerlegging van het vonnis van 28 augustus 2026 te schorsen totdat op het hoger beroep is beslist, althans tot 1 december 2026, althans een gebod aan Woonplus op te leggen om hen een redelijke ontruimingstermijn van ten minste twaalf weken te gunnen.
4.3.
Uitgangspunt in een executiegeschil is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een daartegen ingesteld rechtsmiddel, uitvoerbaar dient te zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand, zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Daarbij moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vastgestelde feiten en oordelen. De kans van slagen van het ingestelde of nog in te stellen rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, tenzij sprake is van een kennelijke misslag. Van een kennelijke misslag is slechts sprake indien deze evident, direct duidelijk en redelijkerwijs niet voor discussie vatbaar is. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd, moet de eiser aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die zich na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan en die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken (HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026).
4.4.
Toepassing van deze maatstaf leidt tot de volgende overwegingen.
Indien en voor zover [eiser 1] en [eiser 2] inhoudelijke bezwaren tegen het vonnis van 28 augustus 2026 hebben aangevoerd, geldt dat een executiegeschil niet kan dienen als een verkapt hoger beroep.
Niet gesteld of gebleken is dat sprake is van een kennelijke (juridische of feitelijke) misslag in het vonnis van 28 augustus 2026, waardoor tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.
Niet gebleken is dat zich na het uitspreken van het vonnis van 28 augustus 2026 feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die een afwijking van de beslissing (over de uitvoerbaar bij voorraadverklaring) rechtvaardigen. [eiser 1] en [eiser 2] stellen weliswaar dat bij hen een noodtoestand zal ontstaan, maar daarvan is onvoldoende gebleken, waarover hierna nader.
4.5.
In de visie van [eiser 1] en [eiser 2] zal bij hen een noodtoestand ontstaan doordat:
de termijn tussen kennisname van het vonnis en 20 september 2026 (vijf dagen na 15 september 2026) te kort was om vrijwillig te kunnen ontruimen;
het huwelijk van [eiser 1] met [eiser 2] plaatsvond op 17 september 2026 en vervolgens een huwelijksreis was gepland;
bij [eiser 2] sprake is van adres gebonden elektronisch reclasseringstoezicht.
4.6.
De kantonrechter heeft deze feiten en omstandigheden in het vonnis van 28 augustus 2026 deels meegewogen in een overweging ten overvloede (rov. 2.25) en bij de belangenweging in het kader van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring (rov. 2.31).
Allereerst merkt de voorzieningenrechter op dat het risico van dakloosheid (in een krappe woningmarkt) al is verdisconteerd in een vonnis waarbij de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming is uitgesproken.
Ten aanzien van het ad 1) gestelde geldt dat [eiser 1] en [eiser 2] in elk geval vanaf 10 september 2026 op de hoogte waren van de ontruimingstermijn. Hoewel die termijn kort is, is deze niet té kort, omdat [eiser 1] en [eiser 2] , zoals blijkt uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting, reeds op 4 december 2025, onder aankondiging van de bodemprocedure, door Woonplus waren verzocht de woning te verlaten. Dat de procedure bij de kantonrechter vervolgens in het nadeel van [eiser 1] en [eiser 2] kon uitvallen was iets waarmee zij sinds de zitting van 22 juni 2026 redelijkerwijs rekening mee moesten houden.
Ten aanzien van het ad 2) gestelde geldt dat dit wordt aangemerkt als een onvoldoende zwaarwegende omstandigheid, afgezet tegen het belang van Woonplus, terwijl ook niet met verifieerbare bescheiden is onderbouwd dat de huwelijksreis tijdens de aangezegde ontruiming zou plaatsvinden. Voor zover dat toch het geval was, konden partijen tevoren, in elk geval direct na 10 september 2026, maatregelen treffen teneinde hun huwelijksreis te verplaatsen.
Ten aanzien van het ad 3) gestelde geldt dat [eiser 1] en [eiser 2] ter zitting hebben toegelicht dat aan het reclasseringstoezicht ook een traject bij Fivoor en E25 Zorg en Welzijn verbonden is, waarvoor de intake al is aangevangen en dat deze (behandel-)trajecten gevaar lopen als [eiser 2] voormeld adres als woonadres verliest. De voorzieningenrechter heeft dienaangaande als nieuw stuk - ten opzichte van hetgeen bij de kantonrechter bekend was - nog de beschikking gekregen over de brief van 14 september 2026 van de reclasseringswerker (productie 5 van [eiser 1] en [eiser 2] ). Hoewel de belangen van [eiser 2] bij een stabiele woonruimte uit deze brief blijken, maakt dit niet dat een belangenafweging in het voordeel van [eiser 2] (en [eiser 1] ) uitvalt. Duidelijk is dat voor [eiser 2] een locatieverbod geldt, en niet een gebod te verblijven op het adres van de te ontruimen woning. Woonplus heeft anderzijds als sociale verhuurder er belang bij om de woning aan een woningzoekende op de wachtlijst toe te wijzen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben zich als onderhuurders feitelijk voorrang verschaft bij de verkrijging van een sociale huurwoning waarvoor regulier een huisvestingsvergunning noodzakelijk is (waarover [eiser 1] en [eiser 2] niet beschikken) en waarvoor regulier lang op wachtlijsten wordt gestaan. Zij moeten geacht worden zich daarvan bewust te zijn geweest toen zij het onderhavige (onder-)huurcontract met de hoofdhuurster sloten. Dit geldt ook als, zoals [eiser 2] ter zitting heeft verklaard, partijen zich toen pas voor het eerst op de sociale woningmarkt begaven. De behandelverplichting van [eiser 2] was daarnaast al bekend voorafgaand aan de mondelinge behandeling door de kantonrechter. De omstandigheid dat het toezicht en de behandeltrajecten onder druk zullen komen te staan, rechtvaardigt daarom geen afwijking van de beslissingen in het vonnis van de kantonrechter.
4.7.
Het voorgaande betekent dat de vordering in alle onderdelen wordt afgewezen.
4.8.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonplus worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.101,00
5De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] in alle onderdelen af,
5.2.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van € 2.101,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.3.
verklaart deze uitspraak wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. 1734/638