Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12806
2026-08-28
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/724223 / JE RK 26-1527
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.738 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/724223 / JE RK 26-1527
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam - Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,
het ongeboren kind [naam],
hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. I.K. Oosterveen, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. M. Nentjes, kantoorhoudende in Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 30 juli 2026 met bijlagen, ontvangen op 31 juli 2026;
- het rapport van de Raad van 14 augustus 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
1.3.
Aangezien de vader en de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de taal Tigrinya, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van S.B. Aniania, tolk in de taal Tigrinya. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder, tezamen de ouders, zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij hun ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juni 2026 [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 9 september 2026.
3Het verzoek van de Raad
3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en het ongeboren kind onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Er zijn zorgen over de veiligheid binnen het gezin, maar ook over de opvoedvaardigheden van ouders, en over de zelfredzaamheid en de emotionele belasting van moeder. De kans op nieuwe onveiligheid is aanwezig nu ouders ervoor hebben gekozen samen verder te gaan en de komst van de baby op korte termijn. De Raad ziet dat ouders wel open staan voor de hulpverlening, maar verwacht niet dat hulpverlening goed van de grond komt in het vrijwillig kader. De ernst en de complexiteit van de problematiek rechtvaardigt bovendien inzet vanuit het gedwongen kader.
4De standpunten
4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. De GI wijst erop dat de afgelopen periode heel onrustig is geweest voor de kinderen. Zij zijn (mogelijk) getuige geweest van huiselijk geweld, en hebben bovendien op verschillende plekken verbleven. Dit alles kort nadat zij naar Nederland zijn gekomen vanuit Ethiopië. De kinderen hebben daar veel last van gehad en zij hebben op termijn mogelijk ondersteuning voor nodig voor het verwerken daarvan. Daarnaast speelt dat de ouders hun relatie weer een kans willen geven, dat brengt weer nieuwe veiligheidsrisico's met zich mee. Ook de komst van de baby kan mogelijk extra spanningen met zich meebrengen. De GI ziet dat de vader veel doet voor de kinderen en dat er tijdens de begeleide bezoeken weinig zorgen waren over de vader. De voornaamste zorg blijft dat de vader het geweld ontkent en dat daarmee ook de intrinsieke motivatie bij vader ontbreekt om hulpverlening op dit gebied te accepteren. De GI wil de ontwikkelingen gaan volgen in het belang van de kinderen.
4.2.
De moeder stemt in met het verzoek van de Raad en vindt dat hulpverlening nodig is. Zij verwacht weliswaar dat dit ook zonder een ondertoezichtstelling kan, maar zij begrijpt dat, gelet op de hoeveelheid hulpverlening die nodig is, het goed is als dit via een ondertoezichtstelling kan verlopen. De huidige ontwikkelingen zijn ingewikkeld en het is van belang dat de kinderen veilig en stabiel kunnen opgroeien. Moeder geeft verder aan dat het weer goed gaat tussen haar en de vader en dat zij weer samenwonen. De moeder heeft de afgelopen maanden een verdrietige en onrustige periode gehad, omdat zij veel heeft meegemaakt, waaronder huiselijk geweld. Nu gaat het beter.
4.3.
De vader stemt ter zitting in met het verzoek van de Raad. Hij erkent dat de kinderen veel hebben meegemaakt en dat zij daar last van hebben. Daarom is hij het ermee eens dat toezicht en hulpverlening vanuit de jeugdbescherming nodig zijn. De vader wijst er wel op dat de Raad vanaf het begin uitgaat van de beweringen van de moeder en niet naar zijn kant van het verhaal luistert. Het rapport van de Raad, waarin de vader wordt beschreven als een typische Eritrese vader, doet geen recht aan de werkelijke gezinssituatie. De realiteit is dat hij de kinderen iedere dag naar school brengt en haalt, iedere week in de klas gaat kijken, de koelkast gevuld houdt en de kinderen verzorgt. Ten aanzien van de uitspraken van [voornaam minderjarige 1] erkent de vader dat die niet passen bij haar leeftijd, maar ook die uitspraken zijn alleen door de moeder gehoord. De vader wil graag dat de Raad en de GI met een open vizier naar de situatie kijken en de ouders op hun eigen opvoedvaardigheden beoordelen. Hij staat open voor hulpverlening en heeft zelf een doorverwijzing geregeld voor relatietherapie. Hij heeft zich ook aangemeld bij de Waag voor emotieregulatie-therapie en wil aantonen dat hij geen agressie problemen heeft. Gelet op het voorgaande verzoekt de vader de ondertoezichtstelling voor zes maanden te verlenen en het overige aan te houden. Er is veel gebeurd en er zal de komende periode veel gebeuren. Gelet hier op is het passend om over zes maanden te kijken of een overgang naar het vrijwillig kader mogelijk is.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter kan een ongeboren kind als geboren beschouwen als dit in zijn belang is. De kinderrechter is op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben in korte tijd veel meegemaakt: de verhuizing van Ethiopië naar Nederland, de tijdelijke uithuisplaatsing en een periode van scheiding van de vader. Er zijn daarbij concrete zorgen over het huiselijk geweld van de vader richting de moeder, maar ook over de opvoedvaardigheden van ouders, en over de zelfredzaamheid en de emotionele belasting van de moeder. Daarbij komt dat de ouders weer samenwonen en het nog onduidelijk is hoe de relatie zich zal ontwikkelen en of de veiligheidsafspraken nageleefd gaan worden. De GI heeft ter zitting toegelicht dat zij het risico op herhaling van huiselijk geweld als hoog inschatten. Het nog ongeboren kind zal te midden van deze onrustige thuissituatie en de spanningen tussen de ouders geboren gaan worden. De kinderrechter is daarom van oordeel dat op dit moment een stabiele en veilige omgeving voor het ongeboren kind niet gewaarborgd is. Het ongeboren kind wordt voor de toepassing van de ondertoezichtstelling als geboren aangemerkt. Gelet op al het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de (ongeboren) kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders staan wel open voor hulpverlening, maar de omstandigheden waarin zij verkeren maken het onzeker of zij zelfstandig hulp kunnen organiseren en benutten. De problematiek is ernstig en complex en beide ouders spreken beperkt Nederlands waardoor sprake is van een taalbarrière. Er is bovendien geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling.
5.4.
De vader heeft wel verweer gevoerd tegen de verzochte duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter deelt de twijfel of een ondertoezichtstelling voor twaalf maanden nodig is. Enerzijds is de moeder op dit moment nog geen jaar met de kinderen in Nederland en is er in deze periode al veel gebeurd. Daarbij is er op dit moment ook nog veel onduidelijkheid over de relatie tussen de ouders. Anderzijds is er al veel hulpverlening geregeld, zoals de Waag, relatietherapie, specialistische ambulante jeugdhulp (SPAM) en Moeders van Rotterdam. Ook zullen de kinderen binnenkort starten op school. De komende periode kan er dus goed zicht worden verkregen op de ouderdynamiek, de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen binnen het gezin. De kinderrechter acht het daarom wenselijk om over zes maanden de ontwikkelingen te bespreken en te beoordelen of een overgang naar het vrijwillig kader mogelijk is. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlenen voor de duur van zes maanden. Anders dan tijdens de mondelinge uitspraak genoemd, geldt de ondertoezichtstelling dus tot 28 februari 2027. De beslissing op het overig verzochte zal worden aangehouden.
5.5.
De Raad wordt verzocht om één week voor de hierna vermelde pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de GI, de belanghebbenden en de advocaten) te overleggen over de dan huidige stand van zaken.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
6.2.
stelt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en het ongeboren kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, met ingang van 28 augustus 2026 tot 28 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 januari 2027 pro forma;
6.5.
bepaalt dat de Raad, de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.6.
verzoekt de Raad uiterlijk één week voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de belanghebbenden en advocaten) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 door mr. J. Groot, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 8 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:2 BW.
Artikel 1:255 BW.
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/724223 / JE RK 26-1527
Datum uitspraak: 28 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam - Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2022 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,
het ongeboren kind [naam],
hierna te noemen het ongeboren kind.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. I.K. Oosterveen, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats] ,
bijgestaan door advocaat mr. M. Nentjes, kantoorhoudende in Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift van de Raad van 30 juli 2026 met bijlagen, ontvangen op 31 juli 2026;
- het rapport van de Raad van 14 augustus 2026 met bijlagen, ingekomen op diezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
1.3.
Aangezien de vader en de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, maar wel de taal Tigrinya, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van S.B. Aniania, tolk in de taal Tigrinya. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.
2De feiten
2.1.
De vader en de moeder, tezamen de ouders, zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij hun ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 9 juni 2026 [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld tot 9 september 2026.
3Het verzoek van de Raad
3.1.
De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en het ongeboren kind onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De Raad handhaaft het verzoek ter zitting en licht dit als volgt toe. Er zijn zorgen over de veiligheid binnen het gezin, maar ook over de opvoedvaardigheden van ouders, en over de zelfredzaamheid en de emotionele belasting van moeder. De kans op nieuwe onveiligheid is aanwezig nu ouders ervoor hebben gekozen samen verder te gaan en de komst van de baby op korte termijn. De Raad ziet dat ouders wel open staan voor de hulpverlening, maar verwacht niet dat hulpverlening goed van de grond komt in het vrijwillig kader. De ernst en de complexiteit van de problematiek rechtvaardigt bovendien inzet vanuit het gedwongen kader.
4De standpunten
4.1.
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. De GI wijst erop dat de afgelopen periode heel onrustig is geweest voor de kinderen. Zij zijn (mogelijk) getuige geweest van huiselijk geweld, en hebben bovendien op verschillende plekken verbleven. Dit alles kort nadat zij naar Nederland zijn gekomen vanuit Ethiopië. De kinderen hebben daar veel last van gehad en zij hebben op termijn mogelijk ondersteuning voor nodig voor het verwerken daarvan. Daarnaast speelt dat de ouders hun relatie weer een kans willen geven, dat brengt weer nieuwe veiligheidsrisico's met zich mee. Ook de komst van de baby kan mogelijk extra spanningen met zich meebrengen. De GI ziet dat de vader veel doet voor de kinderen en dat er tijdens de begeleide bezoeken weinig zorgen waren over de vader. De voornaamste zorg blijft dat de vader het geweld ontkent en dat daarmee ook de intrinsieke motivatie bij vader ontbreekt om hulpverlening op dit gebied te accepteren. De GI wil de ontwikkelingen gaan volgen in het belang van de kinderen.
4.2.
De moeder stemt in met het verzoek van de Raad en vindt dat hulpverlening nodig is. Zij verwacht weliswaar dat dit ook zonder een ondertoezichtstelling kan, maar zij begrijpt dat, gelet op de hoeveelheid hulpverlening die nodig is, het goed is als dit via een ondertoezichtstelling kan verlopen. De huidige ontwikkelingen zijn ingewikkeld en het is van belang dat de kinderen veilig en stabiel kunnen opgroeien. Moeder geeft verder aan dat het weer goed gaat tussen haar en de vader en dat zij weer samenwonen. De moeder heeft de afgelopen maanden een verdrietige en onrustige periode gehad, omdat zij veel heeft meegemaakt, waaronder huiselijk geweld. Nu gaat het beter.
4.3.
De vader stemt ter zitting in met het verzoek van de Raad. Hij erkent dat de kinderen veel hebben meegemaakt en dat zij daar last van hebben. Daarom is hij het ermee eens dat toezicht en hulpverlening vanuit de jeugdbescherming nodig zijn. De vader wijst er wel op dat de Raad vanaf het begin uitgaat van de beweringen van de moeder en niet naar zijn kant van het verhaal luistert. Het rapport van de Raad, waarin de vader wordt beschreven als een typische Eritrese vader, doet geen recht aan de werkelijke gezinssituatie. De realiteit is dat hij de kinderen iedere dag naar school brengt en haalt, iedere week in de klas gaat kijken, de koelkast gevuld houdt en de kinderen verzorgt. Ten aanzien van de uitspraken van [voornaam minderjarige 1] erkent de vader dat die niet passen bij haar leeftijd, maar ook die uitspraken zijn alleen door de moeder gehoord. De vader wil graag dat de Raad en de GI met een open vizier naar de situatie kijken en de ouders op hun eigen opvoedvaardigheden beoordelen. Hij staat open voor hulpverlening en heeft zelf een doorverwijzing geregeld voor relatietherapie. Hij heeft zich ook aangemeld bij de Waag voor emotieregulatie-therapie en wil aantonen dat hij geen agressie problemen heeft. Gelet op het voorgaande verzoekt de vader de ondertoezichtstelling voor zes maanden te verlenen en het overige aan te houden. Er is veel gebeurd en er zal de komende periode veel gebeuren. Gelet hier op is het passend om over zes maanden te kijken of een overgang naar het vrijwillig kader mogelijk is.
5De beoordeling
5.1.
De kinderrechter kan een ongeboren kind als geboren beschouwen als dit in zijn belang is. De kinderrechter is op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben in korte tijd veel meegemaakt: de verhuizing van Ethiopië naar Nederland, de tijdelijke uithuisplaatsing en een periode van scheiding van de vader. Er zijn daarbij concrete zorgen over het huiselijk geweld van de vader richting de moeder, maar ook over de opvoedvaardigheden van ouders, en over de zelfredzaamheid en de emotionele belasting van de moeder. Daarbij komt dat de ouders weer samenwonen en het nog onduidelijk is hoe de relatie zich zal ontwikkelen en of de veiligheidsafspraken nageleefd gaan worden. De GI heeft ter zitting toegelicht dat zij het risico op herhaling van huiselijk geweld als hoog inschatten. Het nog ongeboren kind zal te midden van deze onrustige thuissituatie en de spanningen tussen de ouders geboren gaan worden. De kinderrechter is daarom van oordeel dat op dit moment een stabiele en veilige omgeving voor het ongeboren kind niet gewaarborgd is. Het ongeboren kind wordt voor de toepassing van de ondertoezichtstelling als geboren aangemerkt. Gelet op al het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat de (ongeboren) kinderen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders staan wel open voor hulpverlening, maar de omstandigheden waarin zij verkeren maken het onzeker of zij zelfstandig hulp kunnen organiseren en benutten. De problematiek is ernstig en complex en beide ouders spreken beperkt Nederlands waardoor sprake is van een taalbarrière. Er is bovendien geen verweer gevoerd tegen de ondertoezichtstelling.
5.4.
De vader heeft wel verweer gevoerd tegen de verzochte duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter deelt de twijfel of een ondertoezichtstelling voor twaalf maanden nodig is. Enerzijds is de moeder op dit moment nog geen jaar met de kinderen in Nederland en is er in deze periode al veel gebeurd. Daarbij is er op dit moment ook nog veel onduidelijkheid over de relatie tussen de ouders. Anderzijds is er al veel hulpverlening geregeld, zoals de Waag, relatietherapie, specialistische ambulante jeugdhulp (SPAM) en Moeders van Rotterdam. Ook zullen de kinderen binnenkort starten op school. De komende periode kan er dus goed zicht worden verkregen op de ouderdynamiek, de veiligheid en de ontwikkeling van de kinderen binnen het gezin. De kinderrechter acht het daarom wenselijk om over zes maanden de ontwikkelingen te bespreken en te beoordelen of een overgang naar het vrijwillig kader mogelijk is. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling verlenen voor de duur van zes maanden. Anders dan tijdens de mondelinge uitspraak genoemd, geldt de ondertoezichtstelling dus tot 28 februari 2027. De beslissing op het overig verzochte zal worden aangehouden.
5.5.
De Raad wordt verzocht om één week voor de hierna vermelde pro forma datum een briefrapportage (met afschrift aan de GI, de belanghebbenden en de advocaten) te overleggen over de dan huidige stand van zaken.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
beschouwt het ongeboren kind als geboren;
6.2.
stelt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en het ongeboren kind onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, met ingang van 28 augustus 2026 tot 28 februari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking tot dusver uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
6.4.
houdt de beslissing voor het overige verzochte aan en bepaalt dat de behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 1 januari 2027 pro forma;
6.5.
bepaalt dat de Raad, de GI en de belanghebbenden op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;
6.6.
verzoekt de Raad uiterlijk één week voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de GI, de belanghebbenden en advocaten) de verzochte rapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 door mr. J. Groot, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 8 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:2 BW.
Artikel 1:255 BW.