Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12785

2026-08-28 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/710030 / FA RK 25-8681
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-28
Publicatiedatum
2026-09-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/710030 / FA RK 25-8681
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wijziging zorgregeling: gedeeltelijke overeenstemming over verdere opbouw van de zorgregeling. Vervangende toestemming voor medische behandeling: toewijzing. Wijziging onderhoudsbijdrage: alimentatieplichtige heeft wisselend inkomen. Rechtbank houdt geen rekening met werkelijke woonlasten vanwege inkomen op bijstandsniveau.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (61.276 tekens)
Rechtbank Rotterdam


Team familie



Zaaknummer / rekestnummer: C/10/ 710030 / FA RK 25-8681





Beschikking van 28 augustus 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage




in de zaak van:





[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N. Plaisier te Hendrik-Ido-Ambacht,



t e g e n





[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat mr. A.J. Waaijers-de Graaf te Dordrecht.






1De procedure


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 12 november 2025;


het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 5 januari 2026;


het verweerschrift op het zelfstandige verzoek met bijlagen van de vrouw van 9 januari 2026;


het aanvullend verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 29 mei 2026;


het bericht met bijlagen van de vrouw van 19 juni 2026;


het bericht met bijlagen van de man van 29 juni 2026.





1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:


de vrouw met haar advocaat;


de man met zijn advocaat;








2De vaststaande feiten


2.1

Partijen zijn de ouders van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .




2.2
De man heeft de minderjarige erkend.



2.3
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2025 is bepaald dat de ouders het ouderlijk gezag over de minderjarige gezamenlijk uitoefenen.



2.4
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 14 maart 2025 hebben ondertekend. Het ouderschapsplan is opgenomen in bovengenoemde beschikking van 30 mei 2025.



2.5
Partijen zijn in het ouderschapsplan van 14 maart 2025 een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen waarbij partijen – samengevat – opbouwen naar een regeling waarbij de minderjarige uiteindelijk op woensdagmiddag bij de man verblijft en eens in de twee weken van zaterdagmiddag tot zondagmiddag.



2.6
Partijen zijn in het ouderschapsplan van 14 maart 2025 overeengekomen dat de man met ingang van december 2024 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige zal voldoen van € 73,- per maand.






3De beoordeling


3.1

Zorgregeling



3.1.1
De man verzoekt wijziging van de zorgregeling in die zin dat de minderjarige bij de man verblijft als volgt:


Iedere woensdag van 12:00 uur tot 17:00 uur;


Om de week van zaterdag 12:00 uur tot zondag 18:00 uur;


De helft van de feestdagen en schoolvakanties, waarbij partijen in onderling overleg een verdeling maken en waarbij de minderjarige in de zomervakantie drie weken aaneensluitend bij de man zal verblijven.





3.1.2
De vrouw voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek ook wijziging van de zorgregeling. De vrouw verzoekt te bepalen dat de vrouw eens in de veertien dagen, in het kader van het omgangsmoment met de man, de gymles van de minderjarige op woensdag kan bijwonen.



3.1.3
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.



3.1.4
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling grotendeels overeenstemming bereikt over de reguliere zorgregeling. Wat betreft de reguliere zorgregeling zijn partijen overeengekomen dat zij met een opbouw zullen toewerken naar een zorgregeling waarbij de minderjarige de ene week bij de man verblijft van vrijdag uit school tot vrijdagavond en de andere week van vrijdag uit school tot zaterdagavond. De rechtbank zal de tussen partijen overeengekomen regeling, inclusief de overeengekomen opbouwmomenten, opnemen in deze beschikking. Waar partijen het niet over eens zijn geworden is de eindtijd van de omgangsmomenten. De vrouw wil dat de minderjarige om 17:00 uur terug bij haar is om voldoende tijd te hebben om bij te komen voor de minderjarige naar bed gaat. De man wil de omgangsmomenten tot 18:00 uur laten duren zodat hij samen met de minderjarige kan eten. De rechtbank zal op dit punt beslissen dat de omgangsmomenten eindigen om 18:00 uur, zodat de minderjarige nog de gelegenheid heeft om met de man te kunnen eten. De huidige omgangsmomenten duren, zoals blijkt uit de stellingen van partijen tijdens de mondelinge behandeling, ook tot 18:00 uur. De minderjarige is daar dus ook aan gewend.



3.1.5
Wat betreft de overeengekomen opbouw in de omgangsmomenten deze zomer wil de rechtbank, zoals tijdens de mondelinge behandeling besproken, partijen nog meegeven dat het belangrijk is dat de vrouw er op kan vertrouwen dat het goed gaat met de minderjarige als hij bij de man verblijft. De man kan de vrouw daarbij helpen door haar de eerste paar keren dat de minderjarige bij hem zal overnachten te informeren met korte updates over hoe het gaat.



3.1.6
Wat betreft de vakantieregeling verzoekt de man te bepalen dat de vakanties en feestdagen bij helft worden gedeeld in onderling overleg, waarbij de minderjarige in de zomervakantie drie aaneengesloten weken bij de man zal verblijven. De vrouw staat er achter dat in stappen wordt toegewerkt naar het bij helfte verdelen van de vakanties. Zij vindt het echter een te grote stap om nu vast te leggen dat de minderjarige de volgende zomervakantie drie weken aaneengesloten bij de man zal verblijven. De rechtbank is van oordeel dat het passend en in het belang van de minderjarige is om de vakanties en feestdagen bij helfte tussen de ouders te verdelen. Zeker nu partijen een zorgregeling overeengekomen zijn waarbij de man de minderjarige wekelijks ziet en ook gestart gaat worden met overnachten. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen onderling een verdeling van de vakanties en feestdagen kunnen afstemmen, waarbij zij rekening houden met wat de minderjarige aankan. Of dat in de zomer van 2027 drie aaneengesloten weken kan zijn, laat de rechtbank aan partijen over. Nu partijen afspraken hebben gemaakt over de zomervakantie van 2026, hebben zij nog een jaar de tijd om toe te werken naar een gelijke verdeling van de zomervakantie vanaf 2027. De komende vakanties geven partijen de gelegenheid om met de minderjarige te oefenen met een langer verblijf bij de man. Op het moment dat partijen de zomervakantie voor 2027 met elkaar gaan verdelen, zullen partijen dus ook een beter idee hebben van wat de minderjarige op dat moment aan kan, en een daarbij passende verdeling kunnen maken.




3.2

Vervangende toestemming



3.2.1
De vrouw verzoekt vervangende toestemming om de minderjarige in te schrijven bij Yulius (Yulius Poli Jonge Kind) voor diagnostiek en begeleiding.



3.2.2
De man heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen het verzoek.



3.2.3
Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij een dergelijke beslissing moeten alle omstandigheden van het geval in acht worden genomen, wat er soms ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde moet zijn bij de afweging van belangen.



3.2.4
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de man geen inhoudelijke bezwaren heeft tegen de inschrijving van de minderjarige bij Yulius. De reden dat hij geen toestemming heeft gegeven is dat hij door de vrouw niet geïnformeerd wordt over de hulpverlening die zij voor de minderjarige wenst in te schakelen en dat hij daar niet bij betrokken wordt. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de man, toen zij de minderjarige een tijd geleden op de wachtlijst heeft laten plaatsen, niet zo betrokken was als op dit moment. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling toegezegd dat zij de man voortaan meer zal betrekken in situaties als deze. De rechtbank acht het hoe dan ook in het belang van de minderjarige dat hij de hulpverlening kan krijgen die hij nodig heeft en zal het verzoek van de vrouw dan ook toewijzen.




3.3

Onderhoudsbijdrage



3.3.1
De vrouw verzoekt wijziging van het in de hiervoor genoemde beschikking van 30 mei 2025 opgenomen ouderschapsplan van 14 maart 2025 in die zin, dat de in dat ouderschapsplan overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 1 april 2025 wordt bepaald een bedrag van € 200,- per maand.



3.3.2
De man voert gemotiveerd verweer.



3.3.3

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst over levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Deze wettelijke maatstaven zijn de behoeften van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige (artikel 1:397 lid 1 BW). Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.
Volgens vaste jurisprudentie moet in geval van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden een volledige herbeoordeling plaats vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.




3.3.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.



De wijziging van omstandigheden





3.3.5
Tussen partijen is niet in geschil dat de geldende overeengekomen kinderbijdrage gebaseerd is op de situaties dat partijen beiden geen inkomen hadden. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat de man inmiddels werkt, waardoor hij wel een inkomen ontvangt. Anders dan de man stelt, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een rechtens relevante wijziging op grond waarvan een herbeoordeling van de kinderbijdrage gerechtvaardigd is.



3.3.6
Tussen partijen is de hoogte van de vast te stellen kinderbijdrage in geschil. De rechtbank zal de kinderbijdrage berekenen volgens de aanbevelingen opgenomen in het Rapport alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: het rapport).



De ingangsdatum





3.3.7

Tussen partijen is in geschil met ingang van welke datum de kinderbijdrage moet worden gewijzigd. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst over dit geschilpunt een beslissing nemen.
De vrouw verzoekt de kinderbijdrage te wijzigen met ingang van 1 april 2025, omdat de man vanaf dat moment een baan had en op basis van de afspraken in het ouderschapsplan vanaf dat moment rekening kon houden met wijziging van de kinderbijdrage. De man stelt zich op het standpunt dat een wijziging pas in dient te gaan vanaf de datum van de beschikking. De man voert aan dat de kinderbijdrage wordt verrekend met de bijstandsuitkering van de vrouw, en dat zij daarom geen belang heeft bij een eerdere ingangsdatum. Bovendien betaalt hij buiten de kinderbijdrage om ook extra betaalverzoeken van de vrouw voor de minderjarige. De vrouw heeft deze stellingen van de man niet betwist. Gelet op de inkomensposities van partijen acht de rechtbank het niet in het belang van de minderjarige dat er betalingsverplichtingen ontstaan die partijen niet kunnen dragen, zeker nu de kinderbijdrage wordt verrekend met de bijstandsuitkering die de vrouw ontvangt. De rechtbank zal de datum van de beschikking vaststellen als ingangsdatum van de wijziging van de kinderbijdrage.




De behoefte





3.3.8
De rechtbank zal eerst het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarige (hierna: de behoefte van de minderjarige) bepalen.



3.3.9

Partijen hebben nooit met de minderjarige in gezinsverband samengeleefd. De rechtbank neemt in dat geval ter bepaling van de behoefte het gemiddelde van het eigen aandeel berekend op basis van het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man ten tijde van de geboorte van de minderjarige en het eigen aandeel berekend op basis van het NBI van de vrouw ten tijde van de geboorte van de minderjarige.
Bij deze berekening wordt rekening gehouden met de aanspraak op het kindgebonden budget en andere fiscale aanspraken waar de ouder recht op zou hebben gehad (ten tijde van de geboorte van de minderjarige) in de fictieve situatie dat de minderjarige alleen bij die ouder zou zijn opgegroeid. Gelet hierop zal de rechtbank bij de berekening van het NBI van de man en de vrouw voor het bepalen van de behoefte van de minderjarige rekening houden met het kindgebonden budget en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.




3.3.10
Tussen partijen is niet in geschil dat de rechtbank de behoefte van de minderjarige dient te bepalen aan de hand van het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man, omdat vast staat dat dit NBI hoger is dan het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van het feitelijk uiteengaan van partijen. Hierbij zal verder uitgegaan worden van de huidige tarieven en de huidige leeftijd van de minderjarige.



3.3.11

De vrouw gaat uit van een verdiencapaciteit aan de zijde van de man van € 23.000,- op jaarbasis. De man heeft toegelicht dat hij inderdaad werkt, maar dat hij wisselende inkomens heeft omdat hij wisselende banen heeft op uitzendbasis. Er zijn ook periodes dat hij geen inkomen heeft. De baan die hij het meest recent had, bij [bedrijf] , is hij inmiddels ook verloren. De man gaat daarom uit van het gemiddelde van zijn inkomens over 2024 (€ 15.965,-) en 2025 (€ 17.861,-), omdat dit naar zijn mening een realistischer beeld geeft van het inkomen dat voor hem haalbaar is. De vrouw erkent dat de man wisselende inkomsten heeft. Gelet op de stellingen van de man tijdens de mondelinge behandeling acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van zijn jaarinkomen over 2025. Dit geeft naar het oordeel van de rechtbank een beeld van wat de man in 2026 in ieder geval ook zou kunnen verdienen.
De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man aan de hand van de inkomensverklaring over het jaar 2025, waarop een jaarloon staat genoemd van € 17.861,-, op € 1.488,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting
- de inkomensafhankelijke combinatiekorting



3.3.12
Rekening houdend met het kindgebonden budget dat de man zou hebben ontvangen van € 500,- per maand wordt uitgekomen op een totaalbedrag van € 1.988,- per maand.



3.3.13
Hiervoor genoemd NBI van de man levert op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen, die is opgenomen als bijlage bij het rapport, een bedrag op van € 200,- per maand, zodat de behoefte van de minderjarige wordt vastgesteld op dit bedrag.



Draagkrachtberekening





3.3.14
Vervolgens moet worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de minderjarige tussen de ouders moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van hun beider draagkracht.



3.3.15

Hiertoe moet eerst het huidige NBI van partijen vastgesteld worden.
Gezien de ingangsdatum van de wijziging van de bijdrage wordt gerekend met de tarieven 2026-2.




Draagkracht van de vrouw





3.3.16
Tussen partijen is niet in geschil dat, hoewel de vrouw nu ook werkt, haar huidige inkomen wordt aangevuld met een uitkering tot bijstandsniveau. Haar draagkracht wordt daarom aan de hand van de draagkrachttabel behorende bij het rapport vastgesteld op het minimumbedrag van € 25,- per maand.



Draagkracht van de man





3.3.17

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het huidige NBI van de man, zoals onder 3.3.11. al overwogen, aan de hand van de inkomensverklaring over het jaar 2025, waarop een jaarloon staat genoemd van € 17.861,-, op € 1.451,- per maand.
De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting
- de arbeidskorting



3.3.18
De man heeft een inkomen op bijstandsniveau. Zijn draagkracht wordt daarom aan de hand van de draagkrachttabel behorende bij het rapport vastgesteld op het minimumbedrag van € 25,- per maand.



Werkelijke woonlasten van de man





3.3.19
Tijdens de mondelinge behandeling is gesproken over de woonlasten van de man. De vrouw stelt dat bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening gehouden dient te worden met het forfaitaire woonbudget of enige werkelijke woonlasten, omdat hij bij zijn ouders woont en geen woonlasten heeft. De man heeft daarover toegelicht dat hij, als hij geen inkomen heeft, inderdaad geen woonlasten betaalt aan zijn ouders. Wanneer hij wel een inkomen heeft betaalt hij € 150,- per maand en vult hij de koelkast. Dit wordt door de vrouw betwist, nu de man dit niet met stukken heeft onderbouwd. Omdat partijen op basis van hun hierboven berekende draagkracht, onvoldoende draagkracht hebben om in de volledige behoefte van de minderjarige te voorzien, had de rechtbank uit kunnen gaan van werkelijke woonlasten van de man, waarbij de door de man gestelde woonlasten van € 150,- per maand voor de rechtbank aannemelijk overkomen. Indien de draagkracht van de man, in afwijking van de draagkrachttabel, berekend zou worden op basis van de formule, zou daar een negatieve draagkrachtruimte uitkomen van [€ 1.451,- – (€ 150,- + € 1.315) = – € 14,-. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de draagkracht op basis van de draagkrachttabel.



Draagkrachtvergelijking





3.3.20
Omdat de gezamenlijke draagkracht van partijen lager is dan de behoefte van de minderjarige kan een draagkrachtvergelijking achterwege blijven. De bijdrage van de man is beperkt tot zijn draagkracht.



Zorgkorting





3.3.21
Gezien de overeengekomen zorgregeling van één dag in de ene week en twee dagen in de andere week en de helft van alle schoolvakanties stelt de rechtbank vast dat de man gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor de minderjarigen. Hierbij hoort een zorgkorting van 25%.



3.3.22
Omdat de behoefte van de minderjarige € 200,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 50,- per maand.



3.3.23
Omdat de draagkracht van beide ouders tezamen onvoldoende is om volledig in de behoefte van de minderjarige te voorzien, wordt het tekort (€ 150,-) aan beide ouders voor de helft toegerekend. Omdat de helft van dit tekort (€ 75,-) hoger is dan de zorgkorting kan de man de zorgkorting niet in mindering brengen op de eerder berekende bijdrage.



Conclusie





3.3.24
Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 25,- per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven.



3.3.25
Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.




3.4

Proceskosten



3.4.1
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.







4De beslissing


De rechtbank:



4.1
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2025 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 14 maart 2025 in die zin dat de tussen partijen overeengekomen regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt gewijzigd naar de volgende onderlinge regeling die partijen hebben getroffen, waarbij de minderjarige in de zomervakantie 2026 bij de man verblijft als volgt:


op zaterdag 11 juli 2026 van 12:00 uur tot 18:00 uur;


op vrijdag 17 juli 2026 van 12:00 uur tot 18:00 uur en op zaterdag 18 juli 2026 van 12:00 uur tot 18:00 uur;


van vrijdag 24 juli 2026 12:00 uur tot zaterdag 25 juli 2026 12:00 uur, inclusief overnachting;


van vrijdag 21 augustus 2026 12:00 uur tot zaterdag 22 augustus 12:00 uur, inclusief overnachting;


van vrijdag 28 augustus 2026 12:00 uur tot zaterdag 29 augustus 2026 12:00 uur, inclusief overnachting;


vanaf september 2026 zal de minderjarige bij de man verblijven als volgt:


de ene week op vrijdag uit school tot 18:00 uur;


de andere week van vrijdag uit school tot zaterdag 18:00 uur;


de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld;



4.2
verleent de vrouw vervangende toestemming om de minderjarige in te schrijven bij Yulius (Yulius Poli Jonge Kind) voor diagnostiek en begeleiding;



4.3
bepaalt dat de onder 4.2. verleende toestemming strekt ter vervanging van de toestemming van de man;


wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 14 maart 2025 in die zin dat de tussen partijen overeengekomen regeling over de




4.4
wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 mei 2025 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 14 maart 2025 in die zin dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van de datum van deze beschikking wordt bepaald op € 25,- per maand;



4.5
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



4.6
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;



4.7
wijst af het meer of anders verzochte.










Deze beschikking is gegeven door mr. L.E.D. Tjeertes, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. L.C.M. van Gils, griffier, op 28 augustus 2026.















































Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.









Partij


Alimentatieplichtige




Zaak


Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde ( 710030 )




Berekening


behoefte




Tarieven


2026-2





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon volgens jaaropgaaf











(60)





60


Loon volgens jaaropgaaf








€


17.861




































Op het bruto loon ingehouden





59


Inkomsten (transport)








€


17.861




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







17.861




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







17.861







- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)








€


6.385









95







Inkomensheffing box 1





















€







6.385




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


17.861









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


6.385







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


7.271



















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







17.861


































Specificaties voor post: 115/116














Algemene Heffingskorting





€


3.115


jaar










Arbeidskorting





€


2.825


jaar










Combinatiekorting





€


1.331


jaar













































Totale inkomsten





















€







17.861









120







Besteedbaar inkomen





















€







17.861




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







17.861




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


1.488















































Eigen aandeel kosten kinderen











Eigen aandeel kosten kinderen








Ouders hebben in gezinsverband geleefd











nee




































Alimentatieplichtige








NBI voor scheiding








€


1.488







Bij: Kindgebonden budget inclusief AOK








€


500







NBI totaal








€


1.988







Tabel aantal kinderen








1










Eigen aandeel in de kosten kinderen volgens tabel








€


200








































Partij


Alimentatieplichtige




Zaak


Alimentatieplichtige / Alimentatiegerechtigde ( 710030 )




Berekening


draagkracht




Tarieven


2026-2





























Box 1 Inkomen uit werk en woning











Loon volgens jaaropgaaf











(60)





60


Loon volgens jaaropgaaf








€


17.861




































Op het bruto loon ingehouden





59


Inkomsten (transport)








€


17.861




































Belastbaar loon (61-64)










64







Belastbaar loon





















€







17.861




































Heffing box 1 (94-95)










94







Belastbaar inkomen uit werk en woning





















€







17.861







- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)








€


6.385









95







Inkomensheffing box 1





















€







6.385




































Besteedbaar inkomen (113-120)





113


Inkomen voor aftrek inkomensheffing








€


17.861









114


Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3





€


6.385







115/116


Heffingskorting en standaard heffingskorting


-


€


5.940







117


Verschuldigde inkomensheffing





-


€


445
















Inkomen na aftrek inkomensheffing





















€







17.416


































Specificaties voor post: 115/116














Algemene Heffingskorting





€


3.115


jaar










Arbeidskorting





€


2.825


jaar






































120







Besteedbaar inkomen





















€







17.416




































120a

















Netto besteedbaar inkomen (per jaar)





















€







17.416




120a


Netto besteedbaar inkomen (per maand)








€


1.451