Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12759

2026-08-27 Civiel recht; Personen- en familierecht C/10/724923 / JE RK 26-1622
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-08-27
Publicatiedatum
2026-09-27
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
C/10/724923 / JE RK 26-1622
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

De kinderrechter wijst het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van de jongste twee kinderen af. Zij kunnen geplaatst worden bij de moeder in de vrouwenopvang, waar ook hulpverlening beschikbaar is. Vader staat achter plaatsing bij de moeder in de vrouwenopvang. De machtiging uithuisplaatsing ten aanzien van het oudste kind wordt wel verlengd.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.801 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


Team Jeugd



Zaaknummer: C/10/724923 / JE RK 26-1622
Datum uitspraak: 27 augustus 2026




Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,



over





[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,





[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2024 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] ,





[minderjarige 3]
,
geboren op [geboortedatum 3] 2025 in [geboorteplaats 2] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] .



De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:





[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. N. Roos, kantoorhoudende in Rotterdam,





[naam (stief)vader] ,

hierna te noemen: de (stief)vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. R.A.A.H. van Leur, kantoorhoudende in Dordrecht,




Ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] :



[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader van [voornaam minderjarige 1] ,
verblijvende op een onbekend adres in het buitenland.





1Het verloop van de procedure


1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 14 augustus 2026, ontvangen op 14 augustus 2026;
- het rapport van de Raad van 25 augustus 2025, ontvangen op 26 augustus 2026;
- de reactie van de (stief)vader op het rapport van de Raad, ontvangen op 26 augustus 2026.



1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:


een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ;


een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] ;




de moeder met haar advocaat;


de (stief)vader (telefonisch) met zijn advocaat.





1.3.
Deze zaak is ter zitting samen met de zaak C/10/724944 / JE RK 26-1625 over [persoon C] behandeld. Aan de moeder van [persoon C] , [persoon D 1] , en haar advocaat mr. C.P. Timmers is bijzondere toegang verleend in de onderhavige zaak. De kinderrechter heeft verder bijzondere toegang verleend aan [persoon D 2] , een medewerker van pleegzorg.



1.4.
De vader van [voornaam minderjarige 1] is niet verschenen en niet juist opgeroepen. De kinderrechter maakt uit de stukken op dat de vader van [voornaam minderjarige 1] momenteel aan het front in Oekraïne vecht en er geen adres noch contactgegevens bekend zijn bij de rechtbank. De zitting wordt in het belang van [voornaam minderjarige 1] voortgezet zonder zijn aanwezigheid.



1.5.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de taal Russisch, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van S. Bos, tolk in die taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.



1.6.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.





2De feiten


2.1.
De vader van [voornaam minderjarige 1] en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] . De (stief)vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] .



2.2.

[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verblijven in een pleeggezin.



2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juni 2026 [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] voorlopig onder toezicht gesteld tot 3 september 2026.



2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 juni 2026 de machtiging verlengd [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 3 september 2026.





3Het verzoek


3.1.

De Raad verzoekt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] onder toezicht te stellen van de GI voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad de GI te machtigen tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van zes maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten




4.1.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] . Ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wijzigt de Raad ter zitting het verzoek in die zin dat een machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht voor de duur van drie maanden. De Raad licht het (gewijzigde) verzoek als volgt toe. Met name [voornaam minderjarige 1] heeft ontzettend veel meegemaakt. [voornaam minderjarige 1] is samen met zijn moeder en neef [persoon C] naar Nederland gekomen, waar zij eerst in een opvang verbleven. Op een gegeven moment zijn zij bij de (stief)vader ingetrokken. De neef van [voornaam minderjarige 1] is ook bij hen komen wonen. In dit gezin zijn [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] geboren. De kinderen hebben veel onveiligheid ervaren in deze opvoedsituatie. Er was sprake van huiselijk geweld tussen de tante en haar ex-partner, middelengebruik en de woning was vervuild. [voornaam minderjarige 1] en [persoon C] waren ook geregeld verantwoordelijk voor de zorg van de jongere kinderen. In juni is besloten om [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen. [voornaam minderjarige 1] verbleef eerst in een netwerkpleeggezin, maar kon daar niet langer blijven. Hierna is [voornaam minderjarige 1] naar een ‘regulier’ pleeggezin gegaan. [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verbleven eerst samen met hun neef [persoon C] bij hun opa en oma vaderszijde. De zorg voor drie kinderen bleek te zwaar voor hen, waarna [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] ook naar een ‘regulier’ pleeggezin zijn overgeplaatst. Zij verblijven niet in hetzelfde pleeggezin als [voornaam minderjarige 1] . Over [voornaam minderjarige 1] vertelt de Raad dat er ernstige zorgen over hem zijn. Hij heeft veel meegemaakt thuis en wilde tot een maand geleden zijn moeder niet zien. Met zijn stiefvader wil hij nog steeds niets te maken hebben. Er werd gezien dat [voornaam minderjarige 1] veel op straat was ’s avonds, waar hij veel contact had met oudere kinderen. Er waren ook signalen dat hij alcohol dronk. [voornaam minderjarige 1] lijkt zich makkelijk aan te passen in de gezinnen waar hij heeft verbleven. Dit is aan de ene kant positief, maar aan de andere kant is dit ook reden voor zorgen over zijn gehechtheid. [voornaam minderjarige 1] heeft ook nachtmerries en hij ervaart moeite om aan te sluiten bij leeftijdsgenoten. Op dit moment zoekt hij wel grenzen op in het huidige pleeggezin, wat een positief signaal is. Over [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] vertelt de Raad dat zij nog heel jong zijn en dat zij daarom volledig afhankelijk zijn van hun verzorgers. De onveiligheid en onvoorspelbaarheid in de thuissituatie zorgen met name bij [voornaam minderjarige 2] voor kindsignalen, waaruit blijkt dat hij onveiligheid heeft gekend. Hij is erg ontregeld na bezoeken van de moeder en slaapt dan ook slecht. Bij het eerste bezoek leken zowel [voornaam minderjarige 2] als [voornaam minderjarige 3] afstandelijk richting de moeder. De Raad is van mening dat op dit moment de rust en veiligheid van alle drie de kinderen het belangrijkste is. Van daaruit kan worden gewerkt aan het vertrouwen tussen [voornaam minderjarige 1] en de moeder. Ondertussen moet ook zoveel mogelijk worden gewerkt aan de hechtingsrelatie tussen [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] en hun ouders. De ouders moeten zelf ook hard aan de slag met individuele hulpverlening. Volgens de Raad is het daarom het beste dat de kinderen voor nu nog langer in de pleeggezinnen blijven en dat van daaruit verder wordt toegewerkt naar thuisplaatsing. Er moet eerst meer zicht komen op de situatie bij de moeder, haar opvoedcapaciteiten en de hechtingsrelatie tussen de moeder en de kinderen. De omgang moet in ieder geval worden uitgebreid.



4.2.
De GI brengt ter zitting het volgende naar voren. Het feit dat er veel wachtlijsten zijn is erg lastig met het regelen van begeleide omgangsmomenten. De GI geeft aan eigenlijk zelf geen omgangsmomenten te mogen begeleiden, maar zij hebben dit wel gedaan om iets van omgang met de moeder te kunnen realiseren in de afgelopen periode. Er is een aanmelding gedaan bij Coachpoint, maar het is nog onbekend wanneer Coachpoint kan worden ingezet. De GI is het met de Raad eens dat er eerst meer zicht moet komen op de situatie bij de moeder voordat een terugplaatsing mogelijk is. De GI is van plan zo snel mogelijk met een plan te komen om toe te werken naar terugplaatsing. De GI heeft geen signalen ontvangen dat het momenteel niet goed gaat met de moeder, dus de GI gaat er vanuit dat die er ook niet zullen zijn. De GI staat ervoor open dat de jongste kinderen eerder worden teruggeplaatst bij de moeder dan [voornaam minderjarige 1] . De GI is momenteel aan het beoordelen in hoeverre de ontregeling bij [voornaam minderjarige 2] na de omgang ‘normaal gedrag’ is. Enige ontregeling is namelijk niet direct een zorgelijk teken. De GI ziet het ontbreken van een duidelijk toekomstplan van de moeder als een punt van zorg. De GI wil voorkomen dat de kinderen steeds opnieuw moeten verhuizen. De GI maakt zich ook zorgen over het contact tussen de (stief)vader en de moeder in de toekomst. De GI weet nog niet hoe dit contact zal zijn en of zij voldoende weerbaar naar elkaar zijn. De GI heeft ook aandacht voor het contact tussen de kinderen onderling. Ook de opa en oma vz missen [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] , hier gaat de GI ook mee aan de slag. De GI is verder bezig met eventuele individuele hulpverlening voor [voornaam minderjarige 1] .



4.3.
De moeder verzet zich tegen de verzoeken tot een machtiging uithuisplaatsing van de kinderen. Door en namens de moeder wordt hiertoe het volgende naar voren gebracht. De moeder kan de komende zes tot negen maanden nog blijven in de opvang waar zij nu verblijft. De kinderen kunnen hier ook terecht. De moeder vertelt dat er twee kamers zijn en nog een aparte douche en toilet. Dan is er nog een gemeenschappelijke ruimte waar een fornuis is en waar de kinderen kunnen spelen. Daar is ook een soort oppasmoeder om te helpen met de kinderen. Bij de opvang krijgt de moeder hulp van de sociaal medewerkers. De sociaal werker die de moeder helpt werkt ook met moeders met kinderen. Er is vierentwintig uur per dag begeleiding. Na de periode in de opvang hoopt de moeder met urgentie door te kunnen stromen naar een eigen woning. Hier wordt al aan gewerkt. De moeder geeft ook aan dat de informatie uit de rapporten veelal verouderde informatie is, die inmiddels niet meer relevant is. De zorgen die er waren over de opvoedsituatie zijn inmiddels weggenomen. De moeder en (stief)vader zijn uit elkaar en zijn ook niet van plan weer bij elkaar te wonen. Er zijn op dit moment geen redenen meer zijn waarom de kinderen nog langer uit huis moeten worden geplaatst. De moeder wil graag dat de kinderen bij haar in de opvang kunnen wonen. In de afgelopen twee maanden is de moeder hard aan de slag gegaan met de sociaal werkers in de opvang en zij hebben kunnen vaststellen dat de moeder geen psychische stoornis heeft en ook niet verslaafd is aan verdovende middelen of alcohol. De moeder drinkt helemaal niet meer. De moeder werkt ook aan haar trauma’s aan de hand van psycho-educatie. Er is in de afgelopen maanden slechts anderhalf uur omgang geweest. Dit kan op korte termijn niet uitgebreid worden, waardoor er weinig gezegd kan worden over de opvoedcapaciteiten van de moeder. Er zijn geen concrete punten waaruit zorgen over de opvoedcapaciteiten van de moeder blijken. Bovendien verblijft de moeder in een opvang waar meer moeders met kinderen verblijven. Dit is bij uitstek een plek waar de situatie heel goed in de gaten wordt gehouden en is daarmee ook veilig voor de kinderen. Alleen de ondertoezichtstelling is daarom in dit geval voldoende. De punten die de Raad en de GI noemen kunnen vanuit dat kader in de gaten worden gehouden. Primair verzoekt de moeder daarom afwijzing van de verzoeken tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. Subsidiair verzoekt de moeder in ieder geval de verzoeken tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] af te wijzen. Meer subsidiair verzoekt de moeder om voor een kortere duur te verlengen dan er is verzocht door de Raad.



4.4.
De (stief)vader verzet zich ook tegen de verzoeken tot een machtiging uithuisplaatsing van de kinderen. Door en namens de (stief)vader wordt hiertoe het volgende naar voren gebracht. De (stief)vader geeft aan dat hij momenteel in een kliniek zit om van zijn verslaving af te komen. Dit duurt tot 18 september 2026, waarna er een ambulant vervolgtraject volgt. De (stief)vader heeft eerder trajecten gevolgd voor zijn alcoholverslaving. Het feit dat de (stief)vader nu kinderen heeft is voor hem een grote motivatie om aan zichzelf te werken. De (stief)vader voelt zich erg verantwoordelijk voor alle problemen die er zijn ontstaan. De (stief)vader geeft aan dat hij de tante in deze problemen heeft meegetrokken en dat de tante een hele goede en lieve moeder is. De (stief)vader vindt het van groot belang dat de kinderen, met name [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] , weer naar de moeder gaan. De (stief)vader vindt het heel belangrijk dat de kinderen opgroeien bij hun moeder. De (stief)vader geeft wel aan dat hij graag meer betrokken wordt bij de keuzes die er worden gemaakt. De (stief)vader begrijpt dat hij ontzettend veel kapot heeft gemaakt, maar het voelt voor de (stief)vader nu alsof hij al een soort van afgeschreven is als vader. Dit raakt hem enorm. De (stief)vader heeft het idee dat momenteel bij de GI de urgentie van de situatie onvoldoende wordt begrepen. Er wordt gesproken over wachtlijsten en vakanties, maar ondertussen hebben twee kleine kinderen in drie maanden tijd slechts anderhalf uur omgang gehad met hun ouders. De kinderen kunnen gewoon naar de moeder en bij de opvang kan ook hulp worden geboden. Vanuit de ondertoezichtstelling kan er eventueel nog meer hulp worden geboden. De gehechtheid van de kinderen moet echt in stand worden gehouden. Primair verzoekt de (stief)vader daarom afwijzing van de verzoeken tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] , subsidiair verzoekt de (stief)vader die machtigingen te verlengen voor slechts tien dagen. Dan is er in ieder geval voldoende tijd om alles te regelen om [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] bij de moeder te plaatsen. Ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] begrijpt de (stief)vader dat er begrip moet zijn voor de pijn die hij heeft ervaren. Met [voornaam minderjarige 1] zal de omgang, hoe spijtig ook, echt meer opgebouwd moeten worden voor een thuisplaatsing bij de moeder mogelijk is.





5De beoordeling



Ten aanzien van de procespositie van de (stief)vader ten aanzien van [voornaam minderjarige 1]



5.1.
De (stief)vader heeft [voornaam minderjarige 1] meer dan een jaar opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin. Vanuit die gezinssituatie is hij met spoed uit huis geplaatst op 3 juni 2026. Hierna hebben de moeder en (stief)vader besloten hun relatie te beëindigen.



5.2.
Gelet op het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat de (stief)vader rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt door een rechterlijke beslissing op de verzoeken ten aanzien van [voornaam minderjarige 1] . Dit betekent dat hij in de onderhavige procedure belanghebbende is in de zin van artikel 798, eerste lid, volzin, Wetboek van Rechtsvordering.



Ten aanzien van de ondertoezichtstelling van de [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3]




5.3.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.



5.4.
De ontwikkeling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt ernstig bedreigd. De opvoedsituatie van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] bij de moeder en de (stief)vader was onveilig en instabiel. Er was sprake van huiselijk geweld tussen de moeder en de (stief)vader, fors middelengebruik en een vervuilde woning. [voornaam minderjarige 1] werd, samen met zijn neef [persoon C] , regelmatig verantwoordelijk gemaakt voor de opvoeding en verzorging van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] . [voornaam minderjarige 1] heeft verder veel meegemaakt in de afgelopen jaren, waaronder het moeten vluchten voor de oorlog in Oekraïne waarbij zijn vader in Oekraïne is gebleven. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] laten ook signalen zien waaruit blijkt dat zij onveiligheid hebben ervaren. Inmiddels zijn de moeder en de (stief)vader uit elkaar en verblijft de tante bij een vrouwenopvang. Hier maakt de tante een positieve ontwikkeling door en de situatie is daar rustig en stabiel. De (stief)vader) is momenteel opgenomen in een kliniek om van zijn middelengebruik af te komen. Ook dit is een positieve ontwikkeling. Dit is echter een zeer recente ontwikkeling waarvan onduidelijk is hoe die zich verder gaat ontwikkelen. De ouders zijn eerder niet in staat gebleken om voor een veilige en stabiele opvoedsituatie te zorgen waardoor de kinderrechter van oordeel is dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is.


5.5.
De ondertoezichtstelling is daarom nodig. De kinderrechter verleent de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] voor de duur van een jaar.



5.6.
De GI moet de komende tijd bekijken hoe de situatie van de beide ouders zich verder ontwikkelt en wat er voor hen nodig is aan aanvullende hulpverlening om hun positieve ontwikkeling te bestendigen. Nu de ouders hebben aangegeven dat zij hun relatie hebben verbroken, kan ook door de ouders samen met de GI nagedacht gaan worden over een zorgregeling. Verder moet gekeken worden of er aanvullende hulpverlening nodig is voor de kinderen, met name voor [voornaam minderjarige 1] . Er moet gewerkt worden aan uitbreiding van het contact tussen de moeder en [voornaam minderjarige 1] , zodat toegewerkt kan worden naar een plaatsing bij de moeder. De vader moet ook weer contact kunnen opbouwen met [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] . Daartoe dienen veiligheidsafspraken te worden gemaakt gelet op het verleden en de situatie van de moeder. Verder moet er aandacht zijn voor het contact tussen de kinderen onderling, waaronder ook met neef [persoon C] . Ook moet er zicht komen op de rol van de vader van [voornaam minderjarige 1] , die in Oekraïne verblijft. Blijkens het rapport van de Raad is er telefonisch contact met hem geweest en wil hij een rol spelen in het leven van [voornaam minderjarige 1] . De GI moet onderzoeken in hoeverre dat mogelijk is.



Ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3]




5.7.
Ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet noodzakelijk is voor hun verzorging en opvoeding.



5.8.
Er is niet gebleken waarom de situatie bij de moeder in de vrouwenopvang niet veilig zou zijn voor [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] . De moeder verblijft hier reeds drie maanden, waarbij de opvang aangeeft dat er geen zorgen zijn over alcoholgebruik van de moeder en dat zij goed meewerkt met de hulpverlening. Er is aangegeven dat de kinderen daar welkom zijn, er is ruimte voor de kinderen en er is vierentwintig uur per dag begeleiding beschikbaar voor zowel de moeder als de kinderen. Ook verblijven hier andere moeders met kinderen. Op deze plek kunnen de zorgen die er zijn over de kinderen en de moeder-kindrelatie goed in de gaten worden gehouden en indien nodig kan er aanvullende hulpverlening worden ingezet als er zorgen zouden zijn over de opvoedvaardigheden. Het kader van de ondertoezichtstelling is hiervoor voldoende. De kinderrechter acht het daarom niet in het belang van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] dat zij nog langer uit huis worden geplaatst.



5.9.
De kinderrechter wijst daarom het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] af.




Ten aanzien van [voornaam minderjarige 1]




5.10.
Een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] is nog wel noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding.



5.11.

[voornaam minderjarige 1] ervaart weerstand in de omgang met zowel de moeder als de (stief)vader. Met name de weerstand ten aanzien van de moeder is zorgwekkend. [voornaam minderjarige 1] zit nu in een veilig pleeggezin, waar het ook rustig is en hij zich kan ontwikkelen. Hij heeft zich daar goed aangepast en doet goed mee in het gezin. De kinderrechter acht het op dit moment te vroeg voor [voornaam minderjarige 1] om weer bij de moeder te gaan wonen. Er is de afgelopen maanden slechts zeer beperkte omgang geweest tussen [voornaam minderjarige 1] en de moeder. Dit zal gelet op de weerstand die [voornaam minderjarige 1] ervaart en zijn leeftijd eerst opgebouwd moeten worden voordat een plaatsing bij de moeder kan worden overwogen. [voornaam minderjarige 1] moet weer leren te kunnen vertrouwen op de moeder. Dit kan de nodige tijd kosten. Verder moet worden bekeken in hoeverre de woonplek van de moeder bij de vrouwenopvang ook een passende plek voor [voornaam minderjarige 1] is. [voornaam minderjarige 1] is een negenjarige jongen met een andere zorgbehoefte dan [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] . De kinderrechter wijst daarom het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] toe. Daarbij merkt de kinderrechter nadrukkelijk op dat dit niet hoeft te betekenen dat de volledige duur van de machtiging gebruikt wordt, als blijkt dat een plaatsing bij de moeder op een eerder moment mogelijk is.



5.12.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.






6De beslissing


De kinderrechter:



6.1.
stelt [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west met ingang van 27 augustus 2026 tot 27 augustus 2027;



6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 27 augustus 2026 tot 27 februari 2027;



6.3.
wijst het verzoek voor het overige af;


6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.









Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Korshuize als griffier, en op schrift gesteld op 10 september 2026.













































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 1:255 BW.


Artikel 1:258 BW


Artikel 1:265c, tweede lid, BW.