Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12580
2026-09-09
Civiel recht
C/10/710640 / HA ZA 25-1018
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Voor het geval in zaak C/10/703740 komt vast te staan dat Fidus (BSR) aansprakelijk is voor de door Ismaiel in die zaak geleden schade, vordert Fidus (BSR) in deze zaak te verklaren voor recht dat VDM tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht jegens Ismaiel en te verklaren voor recht dat VDM op basis van hoofdelijkheid gehouden is tot vergoeding van (een deel van) deze schade aan Fidus (BSR). De rechtbank komt tot afwijzing van de vorderingen. In zaak C/10/703740 en deze zaak is op dezelfde dag eindvonnis gewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (14.325 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710640 / HA ZA 25-1018
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
FIDUS.NL B.V., t.h.o.d.n. BSR ASSURANTIËN B.V., t.h.o.d.n. D + F ASSURANTIËN,
gevestigd te Heinenoord,
eisende partij,
advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam,
tegen
VDM VASTGOED GROEP B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mr. V. Kortenbach.
Eiser wordt hierna genoemd Fidus (BSR). Gedaagde wordt hierna genoemd VDM.
De zaak in het kort
[naam] (hierna: [naam]) heeft Fidus (BSR) bij dagvaarding van 9 juli 2025 in een procedure bij de rechtbank Rotterdam betrokken, bekend onder zaaknummer C/10/703740. Fidus (BSR) heeft een incident ingesteld waarin zij heeft gevorderd dat het haar wordt toegestaan VDM in vrijwaring op te roepen. De rechtbank Rotterdam heeft de vordering afgewezen bij vonnis van 29 oktober 2025. Vanwege de afwijzing van die incidentele vordering, is Fidus (BSR) de onderhavige procedure gestart tegen VDM. Voor het geval in de procedure met zaaknummer C/10/703740 komt vast te staan dat Fidus (BSR) aansprakelijk is voor de door [naam] geleden schade, vordert Fidus in deze procedure te verklaren voor recht dat VDM tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht jegens [naam] en te verklaren voor recht dat VDM op basis van hoofdelijkheid gehouden is tot vergoeding van (een deel van) deze schade aan Fidus (BSR). De rechtbank komt tot afwijzing van de vorderingen.
In beide zaken is op dezelfde dag eindvonnis gewezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 november 2025 met producties 1 tot en met 12;- de conclusie van antwoord van 7 januari 2026;
- de akte overlegging producties van 7 januari 2026 van Fidus (BSR) met productie 13;
- de brief van de rechtbank van 23 februari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte indienen productie van 11 juni 2026 van VDM met productie 1;
- de akte indiening aanvullende productie van 11 juni 2026 van Fidus (BSR) met productie 14;
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026 ter gelegenheid waarvan door mr. K.M. Roos namens Fidus (BSR) pleitaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Fidus (BSR) is de assurantietussenpersoon van [naam].
2.2.
VDM is de vastgoedbeheerder van [naam].
2.3.
[naam] is samen met 2 anderen eigenaar van een bedrijfspand, staande en gelegen aan de [adres] (hierna: het bedrijfspand), ieder voor 1/3 deel. Dat bedrijfspand is in 2017 gekocht voor € 220.000,- en wordt sinds de aankoop verhuurd. [naam] bezit meerdere panden.
2.4.
VDM heeft ten behoeve van het afsluiten van de opstalverzekering voor het bedrijfspand voor [naam] een aanvraagformulier ingevuld.
2.5.
Op het aanvraagformulier is door VDM een verzekerde som van € 300.000,- ingevuld. Op de vraag of de waarde van het bedrijfspand door een deskundige moest worden vastgesteld is “nee” geantwoord. Het formulier is ondertekend door [naam] en door VDM opgestuurd naar Fidus (BSR).
2.6.
Fidus (BSR) heeft vervolgens het bedrijfspand met ingang van 23 januari 2020 bij ASR Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ASR) verzekerd tegen brand op basis van herbouw(waarde) voor een bedrag van € 300.000,-.
2.7.
Op de avond van 25 januari 2023 is het bedrijfspand door brand verloren gegaan.
2.8.
ASR heeft de totale opstalschade berekend op € 495.851,-. Op basis van de verzekeringspolis heeft ASR vastgesteld dat sprake is van onderverzekering.
2.9.
[naam] heeft Fidus (BSR) op 4 oktober 2023 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de onderverzekering.
2.10.
Op 3 november 2023 heeft HDI Global Specialty SE (hierna: HDI), de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van BSR, gereageerd op de aansprakelijkstelling. In die reactie schrijft HDI dat Fidus (BSR), [naam] en VDM alle drie een even grote verantwoordelijkheid hebben in het ontstaan van de onderverzekering. De verzekeraar heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet gehouden is om meer dan 1/3 van de door [naam] geleden schade te vergoeden.
2.11.
Op 25 oktober 2024 heeft Fidus (BSR), nadat [naam] Fidus (BSR) in kort geding had gedagvaard, aan [naam] een voorschot van € 35.960,82 betaald.
2.12.
Fidus (BSR) heeft VDM op 11 november 2024 (mede) aansprakelijk gesteld.
2.13.
Op 16 december 2024 heeft VDM aansprakelijkheid van de hand gewezen.
2.14.
[naam] heeft Fidus (BSR) bij dagvaarding van 9 juli 2025 in een procedure bij de rechtbank Rotterdam betrokken, bekend onder zaaknummer C/10/703740.
2.15.
Fidus (BSR) heeft een incident ingesteld in de procedure met zaaknummer C/10/703740 waarin zij heeft gevorderd dat het haar wordt toegestaan VDM in vrijwaring op te roepen. De rechtbank Rotterdam heeft de vordering afgewezen bij vonnis van29 oktober 2025, omdat de rechtbank van oordeel was dat door Fidus (BSR) niet genoegzaam was gesteld dat tussen Fidus (BSR) en VDM een rechtsverhouding bestaat die voor VDM een verplichting tot vrijwaring meebrengt.
2.16.
Vanwege de afwijzing van het incident in vrijwaring is Fidus (BSR) de onderhavige procedure gestart tegen VDM.
3Het geschil
3.1.
Fidus (BSR) vordert, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat VDM tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht jegens [naam];
in het geval in de procedure met zaaknummer C/10/703740 zou komen vast te staan dat Fidus (BSR) aansprakelijk is voor de door [naam] geleden schade en jegens [naam] schadeplichtig is, voor recht te verklaren dat VDM op basis van hoofdelijkheid gehouden is deze schade volledig aan Fidus (BSR) te vergoeden, althans op basis van hoofdelijkheid gehouden is bij te dragen in een gedeelte van de door BSR te vergoeden schade jegens [naam];
VDM te veroordelen om de eigen gemaakte kosten van Fidus (BSR) in deze procedure tegen VDM aan (Fidus) BSR te voldoen, te begroten op het liquidatietarief en te vermeerderen met wettelijke rente als de kosten niet binnen 14 dagen na datum van het vonnis worden voldaan;
VDM jegens Fidus (BSR) te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijke advocaatkosten van Fidus (BSR) in de procedure tegen [naam] met zaaknummer C/10/703740.
3.2.
Fidus (BSR) baseert haar vorderingen in deze procedure op het tekortschieten van VDM in de op haar rustende zorgplicht jegens [naam]. Als de rechtbank in de procedure tussen [naam] en Fidus (BSR), in weerwil van de verweren van Fidus (BSR), tot het oordeel komt dat Fidus (BSR) vanwege schending van haar zorgplicht jegens [naam] gehouden is meer te vergoeden dan het bedrag dat ze tot op heden aan [naam] heeft voldaan, dan dient VDM die schade te vergoeden, aldus Fidus (BSR). Niet alleen Fidus (BSR) maar ook VDM, die als professionele vastgoedbeheerder namens [naam] nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming van de brandverzekering bij ASR, heeft haar zorgplicht jegens [naam] geschonden. VDM heeft niet gehandeld als van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vastgoedbeheerder mag worden verwacht. Dat maakt VDM aansprakelijk (bijdrageplichtig) ten opzichte van [naam]. Als de rechtbank in deze procedure tot het oordeel komt dat VDM haar zorgplicht heeft geschonden jegens [naam], zijn Fidus en BSR op grond van artikel 6:6 BW hoofdelijk verbonden om de schade van [naam] te voldoen. In dat geval moet de eventuele vergoedingsplicht van Fidus (BSR) overeenkomstig artikel 6:10 BW in verbinding met artikel 6:102 en 6:101 BW worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de omstandigheden hunnerzijds tot de schade hebben bijgedragen.
3.3.
VDM voert gemotiveerd verweer en concludeert, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van Fidus (BSR) af te wijzen, met veroordeling in de kosten van deze procedure aan de zijde van VDM, vermeerderd met de nakosten en met de wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
4De beoordeling
Vordering onder 1
4.1.
Fidus (BSR) vordert te verklaren voor recht dat VDM tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht jegens [naam].
4.2.
Artikel 3:302 BW bepaalt dat op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon, de rechter omtrent die rechtsverhouding een verklaring van recht uitspreekt. In dit artikel wordt dus de voorwaarde gesteld dat de eisende partij ‘onmiddellijk betrokken’ is bij de rechtsverhouding waaromtrent een verklaring voor recht gevorderd wordt.
4.3.
De rechtsverhouding waaromtrent Fidus (BSR) een verklaring voor recht vordert is in dit geval de contractuele relatie tussen [naam] en VDM. Fidus (BSR) is geen partij bij die rechtsverhouding en daaruit vloeien voor haar geen rechten of verplichtingen voort. Fidus (BSR) is om die reden niet aan te merken als onmiddellijk betrokken bij de rechtsverhouding waaromtrent de verklaring voor recht wordt gevorderd. Dit betekent dat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 3:302 BW. Dit leidt ertoe dat de vordering onder 1 niet toewijsbaar is en wordt afgewezen.
Vordering onder 2
4.4.
De vordering onder 2 deelt hetzelfde lot. De verklaring voor recht dat VDM tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht jegens [naam], is niet toewijsbaar (zie 4.3). Dit betekent dat de verklaring voor recht dat, in het geval in de procedure met zaaknummer C/10/703740 zou komen vast te staan dat Fidus (BSR) aansprakelijk is voor de door [naam] geleden schade, VDM op basis van hoofdelijkheid gehouden is bij te dragen in een gedeelte van de door BSR te vergoeden schade jegens [naam], evenmin toewijsbaar is.
4.5.
Daar komt bij dat Fidus (BSR) tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft toegelicht de vordering onder 2 niet alleen te hebben ingesteld onder de voorwaarde dat in de procedure met zaaknummer C/10/703740 zou komen vast te staan dat Fidus (BSR) aansprakelijk is voor de door [naam] geleden schade, maar ook onder de voorwaarde dat het handelen van VDM jegens [naam] in de procedure met zaaknummer C/10/703740 nog niet zou zijn of kunnen worden beoordeeld. Nu de rechtbank in de procedure met zaaknummer C/10/703740 in het kader van het eigen schuld-verweer van BSR aan de beoordeling van het handelen van VDM jegens [naam] is toegekomen, is aan die voorwaarde niet voldaan. Dat brengt mee dat de vordering ook om die reden niet toewijsbaar is.
Vorderingen onder 3 en 4
4.6.
Ook de vorderingen onder 3 en 4 worden afgewezen. Zonder toewijzing van de vorderingen onder 1 en 2 bestaat er geen grond voor toewijzing van deze vorderingen.
Proceskosten
4.7.
Fidus (BSR) is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VDM worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.764,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van Fidus (BSR) af,
5.2.
veroordeelt Fidus (BSR) in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Fidus niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Fidus (BSR) tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Dongelmans en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
3262/1980
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710640 / HA ZA 25-1018
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
FIDUS.NL B.V., t.h.o.d.n. BSR ASSURANTIËN B.V., t.h.o.d.n. D + F ASSURANTIËN,
gevestigd te Heinenoord,
eisende partij,
advocaat: mr. R. Bosman te Rotterdam,
tegen
VDM VASTGOED GROEP B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde partij,
advocaat: mr. V. Kortenbach.
Eiser wordt hierna genoemd Fidus (BSR). Gedaagde wordt hierna genoemd VDM.
De zaak in het kort
[naam] (hierna: [naam]) heeft Fidus (BSR) bij dagvaarding van 9 juli 2025 in een procedure bij de rechtbank Rotterdam betrokken, bekend onder zaaknummer C/10/703740. Fidus (BSR) heeft een incident ingesteld waarin zij heeft gevorderd dat het haar wordt toegestaan VDM in vrijwaring op te roepen. De rechtbank Rotterdam heeft de vordering afgewezen bij vonnis van 29 oktober 2025. Vanwege de afwijzing van die incidentele vordering, is Fidus (BSR) de onderhavige procedure gestart tegen VDM. Voor het geval in de procedure met zaaknummer C/10/703740 komt vast te staan dat Fidus (BSR) aansprakelijk is voor de door [naam] geleden schade, vordert Fidus in deze procedure te verklaren voor recht dat VDM tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht jegens [naam] en te verklaren voor recht dat VDM op basis van hoofdelijkheid gehouden is tot vergoeding van (een deel van) deze schade aan Fidus (BSR). De rechtbank komt tot afwijzing van de vorderingen.
In beide zaken is op dezelfde dag eindvonnis gewezen.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 november 2025 met producties 1 tot en met 12;- de conclusie van antwoord van 7 januari 2026;
- de akte overlegging producties van 7 januari 2026 van Fidus (BSR) met productie 13;
- de brief van de rechtbank van 23 februari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- de akte indienen productie van 11 juni 2026 van VDM met productie 1;
- de akte indiening aanvullende productie van 11 juni 2026 van Fidus (BSR) met productie 14;
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026 ter gelegenheid waarvan door mr. K.M. Roos namens Fidus (BSR) pleitaantekeningen zijn overgelegd.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Fidus (BSR) is de assurantietussenpersoon van [naam].
2.2.
VDM is de vastgoedbeheerder van [naam].
2.3.
[naam] is samen met 2 anderen eigenaar van een bedrijfspand, staande en gelegen aan de [adres] (hierna: het bedrijfspand), ieder voor 1/3 deel. Dat bedrijfspand is in 2017 gekocht voor € 220.000,- en wordt sinds de aankoop verhuurd. [naam] bezit meerdere panden.
2.4.
VDM heeft ten behoeve van het afsluiten van de opstalverzekering voor het bedrijfspand voor [naam] een aanvraagformulier ingevuld.
2.5.
Op het aanvraagformulier is door VDM een verzekerde som van € 300.000,- ingevuld. Op de vraag of de waarde van het bedrijfspand door een deskundige moest worden vastgesteld is “nee” geantwoord. Het formulier is ondertekend door [naam] en door VDM opgestuurd naar Fidus (BSR).
2.6.
Fidus (BSR) heeft vervolgens het bedrijfspand met ingang van 23 januari 2020 bij ASR Schadeverzekeringen N.V. (hierna: ASR) verzekerd tegen brand op basis van herbouw(waarde) voor een bedrag van € 300.000,-.
2.7.
Op de avond van 25 januari 2023 is het bedrijfspand door brand verloren gegaan.
2.8.
ASR heeft de totale opstalschade berekend op € 495.851,-. Op basis van de verzekeringspolis heeft ASR vastgesteld dat sprake is van onderverzekering.
2.9.
[naam] heeft Fidus (BSR) op 4 oktober 2023 aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van de onderverzekering.
2.10.
Op 3 november 2023 heeft HDI Global Specialty SE (hierna: HDI), de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van BSR, gereageerd op de aansprakelijkstelling. In die reactie schrijft HDI dat Fidus (BSR), [naam] en VDM alle drie een even grote verantwoordelijkheid hebben in het ontstaan van de onderverzekering. De verzekeraar heeft zich op het standpunt gesteld dat zij niet gehouden is om meer dan 1/3 van de door [naam] geleden schade te vergoeden.
2.11.
Op 25 oktober 2024 heeft Fidus (BSR), nadat [naam] Fidus (BSR) in kort geding had gedagvaard, aan [naam] een voorschot van € 35.960,82 betaald.
2.12.
Fidus (BSR) heeft VDM op 11 november 2024 (mede) aansprakelijk gesteld.
2.13.
Op 16 december 2024 heeft VDM aansprakelijkheid van de hand gewezen.
2.14.
[naam] heeft Fidus (BSR) bij dagvaarding van 9 juli 2025 in een procedure bij de rechtbank Rotterdam betrokken, bekend onder zaaknummer C/10/703740.
2.15.
Fidus (BSR) heeft een incident ingesteld in de procedure met zaaknummer C/10/703740 waarin zij heeft gevorderd dat het haar wordt toegestaan VDM in vrijwaring op te roepen. De rechtbank Rotterdam heeft de vordering afgewezen bij vonnis van29 oktober 2025, omdat de rechtbank van oordeel was dat door Fidus (BSR) niet genoegzaam was gesteld dat tussen Fidus (BSR) en VDM een rechtsverhouding bestaat die voor VDM een verplichting tot vrijwaring meebrengt.
2.16.
Vanwege de afwijzing van het incident in vrijwaring is Fidus (BSR) de onderhavige procedure gestart tegen VDM.
3Het geschil
3.1.
Fidus (BSR) vordert, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad:
te verklaren voor recht dat VDM tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht jegens [naam];
in het geval in de procedure met zaaknummer C/10/703740 zou komen vast te staan dat Fidus (BSR) aansprakelijk is voor de door [naam] geleden schade en jegens [naam] schadeplichtig is, voor recht te verklaren dat VDM op basis van hoofdelijkheid gehouden is deze schade volledig aan Fidus (BSR) te vergoeden, althans op basis van hoofdelijkheid gehouden is bij te dragen in een gedeelte van de door BSR te vergoeden schade jegens [naam];
VDM te veroordelen om de eigen gemaakte kosten van Fidus (BSR) in deze procedure tegen VDM aan (Fidus) BSR te voldoen, te begroten op het liquidatietarief en te vermeerderen met wettelijke rente als de kosten niet binnen 14 dagen na datum van het vonnis worden voldaan;
VDM jegens Fidus (BSR) te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijke advocaatkosten van Fidus (BSR) in de procedure tegen [naam] met zaaknummer C/10/703740.
3.2.
Fidus (BSR) baseert haar vorderingen in deze procedure op het tekortschieten van VDM in de op haar rustende zorgplicht jegens [naam]. Als de rechtbank in de procedure tussen [naam] en Fidus (BSR), in weerwil van de verweren van Fidus (BSR), tot het oordeel komt dat Fidus (BSR) vanwege schending van haar zorgplicht jegens [naam] gehouden is meer te vergoeden dan het bedrag dat ze tot op heden aan [naam] heeft voldaan, dan dient VDM die schade te vergoeden, aldus Fidus (BSR). Niet alleen Fidus (BSR) maar ook VDM, die als professionele vastgoedbeheerder namens [naam] nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming van de brandverzekering bij ASR, heeft haar zorgplicht jegens [naam] geschonden. VDM heeft niet gehandeld als van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vastgoedbeheerder mag worden verwacht. Dat maakt VDM aansprakelijk (bijdrageplichtig) ten opzichte van [naam]. Als de rechtbank in deze procedure tot het oordeel komt dat VDM haar zorgplicht heeft geschonden jegens [naam], zijn Fidus en BSR op grond van artikel 6:6 BW hoofdelijk verbonden om de schade van [naam] te voldoen. In dat geval moet de eventuele vergoedingsplicht van Fidus (BSR) overeenkomstig artikel 6:10 BW in verbinding met artikel 6:102 en 6:101 BW worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de omstandigheden hunnerzijds tot de schade hebben bijgedragen.
3.3.
VDM voert gemotiveerd verweer en concludeert, samengevat, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van Fidus (BSR) af te wijzen, met veroordeling in de kosten van deze procedure aan de zijde van VDM, vermeerderd met de nakosten en met de wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
4De beoordeling
Vordering onder 1
4.1.
Fidus (BSR) vordert te verklaren voor recht dat VDM tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht jegens [naam].
4.2.
Artikel 3:302 BW bepaalt dat op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon, de rechter omtrent die rechtsverhouding een verklaring van recht uitspreekt. In dit artikel wordt dus de voorwaarde gesteld dat de eisende partij ‘onmiddellijk betrokken’ is bij de rechtsverhouding waaromtrent een verklaring voor recht gevorderd wordt.
4.3.
De rechtsverhouding waaromtrent Fidus (BSR) een verklaring voor recht vordert is in dit geval de contractuele relatie tussen [naam] en VDM. Fidus (BSR) is geen partij bij die rechtsverhouding en daaruit vloeien voor haar geen rechten of verplichtingen voort. Fidus (BSR) is om die reden niet aan te merken als onmiddellijk betrokken bij de rechtsverhouding waaromtrent de verklaring voor recht wordt gevorderd. Dit betekent dat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 3:302 BW. Dit leidt ertoe dat de vordering onder 1 niet toewijsbaar is en wordt afgewezen.
Vordering onder 2
4.4.
De vordering onder 2 deelt hetzelfde lot. De verklaring voor recht dat VDM tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht jegens [naam], is niet toewijsbaar (zie 4.3). Dit betekent dat de verklaring voor recht dat, in het geval in de procedure met zaaknummer C/10/703740 zou komen vast te staan dat Fidus (BSR) aansprakelijk is voor de door [naam] geleden schade, VDM op basis van hoofdelijkheid gehouden is bij te dragen in een gedeelte van de door BSR te vergoeden schade jegens [naam], evenmin toewijsbaar is.
4.5.
Daar komt bij dat Fidus (BSR) tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd heeft toegelicht de vordering onder 2 niet alleen te hebben ingesteld onder de voorwaarde dat in de procedure met zaaknummer C/10/703740 zou komen vast te staan dat Fidus (BSR) aansprakelijk is voor de door [naam] geleden schade, maar ook onder de voorwaarde dat het handelen van VDM jegens [naam] in de procedure met zaaknummer C/10/703740 nog niet zou zijn of kunnen worden beoordeeld. Nu de rechtbank in de procedure met zaaknummer C/10/703740 in het kader van het eigen schuld-verweer van BSR aan de beoordeling van het handelen van VDM jegens [naam] is toegekomen, is aan die voorwaarde niet voldaan. Dat brengt mee dat de vordering ook om die reden niet toewijsbaar is.
Vorderingen onder 3 en 4
4.6.
Ook de vorderingen onder 3 en 4 worden afgewezen. Zonder toewijzing van de vorderingen onder 1 en 2 bestaat er geen grond voor toewijzing van deze vorderingen.
Proceskosten
4.7.
Fidus (BSR) is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VDM worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.764,00
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van Fidus (BSR) af,
5.2.
veroordeelt Fidus (BSR) in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Fidus niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt Fidus (BSR) tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Dongelmans en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.
3262/1980