Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12376
Inhoudsindicatie
Kort geding. Meewerken notariële levering woning. Gedeeltelijke toewijzing. Op grond van een eerder vonnis had de man tot en met 1 juli 2026 de tijd om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning te laten ontslaan én de vrouw een bedrag van € 50.000,00 te betalen. Vast staat dat dat de man niet binnen die termijn is gelukt. Dit heeft in principe tot gevolg dat de man zijn medewerking moet verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde. Toch krijgt de man op grond van een belangenafweging een extra termijn tot vier weken na vandaag om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan en haar € 50.000,00 te betalen. De gevorderde dwangsommen en machtiging worden afgewezen. Reconventie. Afwijzing. In het geval dat de man de extra termijn nu opnieuw niet haalt, gelden de veroordelingen uit het eerdere vonnis onverkort. De voorzieningenrechter heeft nog steeds geen aanleiding om te veronderstellen dat de man daar in dat geval geen medewerking aan zal verlenen. Voor het opleggen van een dwangsom bestaat daarom op dit moment geen grond.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBROT:2026:6013 Rechtbank Rotterdam 26-05-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (27.817 tekens)
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723224 / KG ZA 26-737
Vonnis in kort geding van 17 september 2026
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. K.S. Loilargosain,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. L.E.M. Elbertse.
Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.
1De zaak in het kort
1.1.
Partijen zijn getrouwd geweest en zijn op dit moment nog samen eigenaar van een woning. In een vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank is aan de man tot en met 1 juli 2026 de tijd gegeven om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening te laten ontslaan én de vrouw een bedrag van € 50.000,00 te betalen, bij gebreke waarvan de man zijn medewerking zou moeten verlenen aan verkoop van de woning aan een derde. De vrouw is op dit moment niet ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid en de man heeft haar ook geen € 50.000,00 betaald. De man vordert in deze zaak – kort gezegd – dat de vrouw onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld om alsnog mee te werken aan de notariële levering van de woning aan de man. De vrouw voert verweer en vordert als tegenvordering – kort gezegd – dat de man onder druk van een dwangsom wordt veroordeeld om mee te werken aan de verkoop van de woning aan een derde. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van de man grotendeels toe en de tegenvorderingen van de vrouw af.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 24 juli 2026, met bijlagen 1 tot en met 17;
de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie (tegenvordering), met bijlagen 1 tot en met 6;
de conclusie van antwoord in reconventie tevens akte houdende overlegging producties, met bijlagen 18 tot en met 22;
de aanvullende bijlagen 23 tot en met 25 van de man;
de mondelinge behandeling op 3 september 2026;
de spreekaantekeningen van mr. Loilargosain.
3Enkele feiten
3.1.
Partijen zijn samen eigenaar van de woning aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] .
3.2.
De voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft in een vonnis van 26 mei 2026 – voor zover van belang – het volgende overwogen en beslist:
“4. De beoordeling
4.1.
In een beschikking van 22 november 2023 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is beslist over de manier waarop – onder andere – de in eigendom aan partijen toebehorende woning aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] (‘de woning’) moet worden verdeeld. De man kreeg tot vier maanden na inschrijving van de echtscheiding de tijd om de financiering van de woning rond te krijgen. De man is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking, maar alleen voor wat betreft de kinder- en partneralimentatie en de verdeling van een aantal financiële posten (niet betreffende de woning). De vrouw heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.
4.2. (…)
Omdat de uitkomst van het hoger beroep van belang is voor de over en weer tussen partijen te verrekenen posten en daarmee ook voor de vraag of de man in staat is om de woning te financieren, is deze zaak – met instemming van partijen – aangehouden tot na de beschikking in het hoger beroep. Die beschikking is uiteindelijk op 17 september 2025 gegeven. Vervolgens is de zaak opnieuw aangehouden, om partijen in de gelegenheid te stellen om met inachtneming van de beschikkingen van deze rechtbank en het Gerechtshof Den Haag een convenant op te stellen. Dat convenant is opgesteld en op 24 respectievelijk 25 maart 2026 door de man en de vrouw ondertekend (…). Partijen zijn in het convenant – voor zover van belang – overeengekomen dat:
i) de woning aan de man wordt toebedeeld tegen een waarde van € 600.000,00, onder de opschortende voorwaarden dat de man aan de vrouw een bedrag van € 50.000,00 betaalt ter zake van haar aandeel in de overwaarde van de woning en het saldo van alle wederzijdse vergoedings- en verrekenposten en dat de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening die op de woning rust wordt ontslagen;
ii) de notaris binnen drie maanden na ondertekening van het convenant door beide partijen een notariële akte zal verlijden, waarbij de woning goederenrechtelijk aan de man wordt geleverd;
iii) de woning wordt verkocht in het geval dat de man niet binnen drie maanden na ondertekening van het convenant aan de opschortende voorwaarden zoals genoemd in i) voldoet, waarbij het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de woning wordt gebaseerd op de werkelijke verkoopprijs, na aftrek van de verkoopkosten, en het saldo van de hypotheekschuld à € 439.290,00.
4.3.
Hoewel de voorzieningenrechter constateert dat partijen duidelijke afspraken hebben gemaakt over de woning en de financiële afwikkeling tussen hen beiden en de man tijdens de voortzetting van de mondelinge behandeling meermaals heeft gezegd dat hij die afspraken zal nakomen, valt niet uit te sluiten dat de overname door de man binnen de afgesproken termijn niet doorgaat, bijvoorbeeld omdat de bank toch niet meewerkt. In dat geval is denkbaar dat de man – om wat voor reden dan ook – na afloop van de in het convenant aan hem gegeven termijn toch niet voldoende voortvarend meewerkt aan verkoop van de woning aan een derde. De vrouw heeft er voldoende (spoedeisend) belang bij om zekerheid te hebben dat zij nu daadwerkelijk binnen afzienbare tijd haar aandeel in de overwaarde van de woning (en het saldo van de wederzijdse vergoedings- en verrekeningsposten) ontvangt en uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening die op de woning rust wordt ontslagen. Daarbij heeft de voorzieningenrechter acht geslagen op het grote tijdsverloop sinds de in de beschikking van deze rechtbank van 2023 aan de man gegeven termijn en de door de vrouw gestelde én onderbouwde inmiddels opgetreden financiële en mentale problemen. De gewijzigde vorderingen van de vrouw worden dan ook toegewezen als volgt.
4.4.
De voorzieningenrechter zal bepalen dat de man tot en met 1 juli 2026 de tijd heeft om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning te laten ontslaan en haar een bedrag van € 50.000,00 te betalen. Dit is één week langer dan de termijn die partijen in het convenant hebben opgenomen, maar de man heeft aangevoerd dat hij vanwege de late verzending van het ondertekende convenant door de vrouw recht heeft op één extra week en de vrouw verzet zich daar niet tegen. Die beperkte verlenging komt de voorzieningenrechter redelijk voor.
4.5.
Voor het geval dat het de man niet lukt om uiterlijk op 1 juli 2026 de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning te laten ontslaan en/of haar een bedrag van € 50.000,00 te betalen, geldt het volgende. De man wordt veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde, op de wijze zoals hierna in de beslissing staat vermeld (als gevorderd in vordering 1). De man moet de woning twee dagen voor de met de koper overeen te komen overdrachtsdatum ontruimen (vordering 2). (…) De voorzieningenrechter zal wel bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man in de akte van overdracht van de woning, indien de man zijn medewerking niet verleent aan de overdracht van de woning (vordering 4). (…)
5De beslissing
5.1.
bepaalt dat de man tot en met 1 juli 2026 de tijd heeft om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] te laten ontslaan én de vrouw een bedrag van € 50.000,00 te betalen;
en voor het geval dat de vrouw uiterlijk op 1 juli 2026 niet uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning is ontslagen en/of de man aan de vrouw niet uiterlijk op 1 juli 2026 € 50.000,00 heeft betaald:
5.2.
veroordeelt de man om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] door al datgene te doen wat daarvoor nodig is, waaronder:
- de verkoopopdracht te tekenen bij de verkoopmakelaar [naam bedrijf] B.V. (binnen veertien dagen na 1 juli 2026);
- de woning schoon en opgeruimd te houden tijdens de bezichtiging(en) (telkens als er een bezichtiging is);
- de vrouw toe te laten de woning te betreden met de makelaar en de potentiële kopers gedurende de bezichtigingen;
- de benodigde informatie te verschaffen aan de verkoopmakelaar (telkens binnen vijf dagen nadat daar om gevraagd wordt);
- in te stemmen met een verkoopprijs van minimaal de waarde die de makelaar heeft bepaald;
- het verkoopcontract te tekenen (binnen vijf dagen nadat deze gereed is) en de daarvoor benodigde informatie te verschaffen aan de notaris (telkens binnen vijf dagen nadat daar om gevraagd wordt);
- de overdrachtsakte te tekenen bij de notaris (op de overdrachtsdatum);
- de woning schoon en opgeruimd op te leveren (op de opleverdatum);
5.3.
beveelt de man om de woning te ontruimen uiterlijk twee dagen vóór de overdrachtsdatum;
5.4.
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de handtekening van de man in de akte van overdracht van de woning, indien de man zijn medewerking niet verleent aan de overdracht van de woning; (…)”.
3.3.
De vrouw is op dit moment niet ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] en de man heeft haar ook geen € 50.000,00 betaald.
4De vorderingen in conventie en in reconventie
4.1.
De man vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de vrouw veroordeelt om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis schriftelijk aan notariskantoor [naam notariskantoor] te bevestigen dat zij gebruik wenst te maken van de diensten van dat kantoor voor het verlijden van de hypothecaire geldleningsakte en de akte van verdeling en levering met betrekking tot de woning aan [adres] te [plaats] , zodat de notaris de voorbereidende werkzaamheden kan aanvangen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;
de vrouw veroordeelt om, zodra notariskantoor [naam notariskantoor] een passeerdatum heeft voorgesteld, binnen twee werkdagen na die kennisgeving al datgene te doen wat van haar zijde is vereist om de onder l genoemde akten te doen passeren, waaronder het verstrekken van de daarvoor benodigde stukken en gegevens en het op de voorgestelde passeerdatum in persoon of bij schriftelijke volmacht verschijnen, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,00;
voor het geval notariskantoor [naam notariskantoor] binnen zes weken na betekening van dit vonnis geen passeerdatum heeft kunnen aanbieden, of de vrouw alsnog niet aan het onder 1 en 2 gevorderde voldoet: bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de voor de notariële levering benodigde toestemming en/of handtekening van de vrouw, en de man machtigt om zich met dit vonnis rechtstreeks tot notariskantoor [naam notariskantoor] , of bij gebreke van beschikbaarheid van dat kantoor tot een ander notariskantoor, te wenden ter uitvoering van het convenant van 24-25 maart 2026 en het vonnis van 26 mei 2026;
de tenuitvoerlegging van het dictum onder 5.2 tot en met 5.4 van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 26 mei 2026 (C/10/687617 / KG ZA 24-978) schorst, voor de duur dat de man uitvoering geeft aan het onder 1 en 2 gevorderde, en uiterlijk tot de datum waarop de notariële levering overeenkomstig dit vonnis heeft plaatsgevonden;
de vrouw veroordeelt in de kosten van dit geding, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis zijn voldaan.
4.2.
De vrouw vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet dat toelaat:
I. de vorderingen van de man af te wijzen;
II. een dwangsom te verbinden van € 500,00 voor iedere dag dat de man na afloop van een van de voornoemde termijnen in gebreke blijft aan het in het ten deze te wijzen vonnis bepaalde te voldoen:
- de verkoopopdracht te tekenen bij de verkoopmakelaar [naam bedrijf] B.V. binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis;
- de woning schoon en opgeruimd te houden tijdens de bezichtiging(en) (telkens als er een bezichtiging is);
- de vrouw toe te laten de woning te betreden met de makelaar en de potentiële kopers gedurende de bezichtigingen;
- de benodigde informatie te verschaffen aan de verkoopmakelaar (telkens binnen vijf dagen nadat daar om gevraagd wordt);
- in te stemmen met een verkoopprijs van minimaal de waarde die de makelaar heeft bepaald;
- het verkoopcontract te tekenen (binnen vijf dagen nadat deze gereed is de benodigde informatie te verschaffen aan de notaris (telkens binnen vijf dagen nadat daar om gevraagd wordt);
- de overdrachtsakte te tekenen bij de notaris (op de overdrachtsdatum);
- de woning schoon en opgeruimd op te leveren (op de opleverdatum).
5De beoordeling in conventie en in reconventie
5.1.
Het uitgangspunt voor de beoordeling van deze zaak is het vonnis van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 (zie 3.2.). Op grond van dat vonnis had de man tot en met 1 juli 2026 de tijd om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] te laten ontslaan én de vrouw een bedrag van € 50.000,00 te betalen. Vast staat dat dat de man niet binnen die termijn is gelukt. Anders dan de man onder verwijzing naar artikel 6:23 lid 1 BW betoogt, is hij de voorwaarden uit het vonnis dus niet nagekomen. Dit heeft in principe tot gevolg dat de man zijn medewerking moet verlenen aan de verkoop van de woning aan een derde. Vonnissen moeten immers worden nagekomen.
5.2.
In deze zaak beoordeelt de voorzieningenrechter of ondanks het voorgaande aan de man een aanvullende termijn kan worden verstrekt om de vrouw alsnog uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan en haar € 50.000,00 te betalen. Het komt daarbij aan op een belangenafweging in het licht van artikel 6:2 lid 1 BW. In die afweging worden alle relevante omstandigheden van het geval betrokken.
De man krijgt een extra termijn om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid te laten ontslaan en haar € 50.000,00 te betalen
5.3.
De voorzieningenrechter weegt in de eerste plaats mee dat de vrouw er een financieel belang bij heeft om de woning aan een derde te laten verkopen. Hoewel partijen van mening verschillen over het precieze verwachte financiële voordeel van de vrouw in het geval van verkoop aan een derde is wel duidelijk dat dit om een substantieel bedrag gaat. Het is voorstelbaar dat de vrouw om die reden niet heeft ingestemd met een langer uitstel. Daarnaast kan de man het de vrouw redelijkerwijs niet tegenwerpen dat zij zich op het standpunt stelt dat het vonnis van 26 mei 2026 moet worden nagekomen. Verder is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan de vrouw geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het niet halen van de deadline van 1 juli 2026. Het was aan de man om alle handelingen te verrichten die nodig waren om de deadline te halen. De vrouw hoefde daarin geen initiatief te nemen; zij moest enkel haar medewerking verlenen en daarbij voldoende voortvarend handelen. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de vrouw de financieringsaanvraag van de man en/of het opstellen van de notariële akte van verdeling op enige manier heeft getraineerd of daar onvoldoende (voortvarend) haar medewerking aan heeft gegeven. De man kan het niet halen van de deadline dan ook niet geheel of gedeeltelijk afwentelen op de vrouw.
5.4.
De voorzieningenrechter weegt ook mee dat het de man bijna was gelukt om de deadline te halen. Uit de stukken blijkt dat de man al vóór de ondertekening van het convenant bezig is geweest met het regelen van financiering voor de overname van het aandeel van de vrouw in de woning. Ook nadien heeft de man steeds adequaat gereageerd op verzoeken van zijn tussenpersoon om informatie die nodig was voor de financierings-aanvraag. Het lijkt erop dat het feit dat de man zelfstandig ondernemer is voor enige vertraging in het aanvraagproces heeft gezorgd. Zelfstandig ondernemers moeten namelijk meer (financiële) documenten aanleveren voor een financieringsaanvraag en daarmee (en vervolgens met de beoordeling daarvan) gaat dan ook meer tijd gemoeid. Dit zal ook de reden zijn dat de man vooraf had ingeschat zes maanden nodig te hebben om de financiering rond te krijgen. Dat laatste is echter geen omstandigheid die in het voordeel van de man wordt meegewogen. De man heeft zich met het ondertekenen van het convenant immers gecommitteerd aan een termijn van drie maanden, die in het vonnis van de voorzieningenrechter van 26 mei 2026 met één week is verlengd.
5.5.
Het enige punt waarop de man (iets) voortvarender had kunnen handelen, was het benaderen van de notaris voor het laten opstellen van de akte van verdeling. Uit de stukken blijkt dat de man op 3 juni 2026 een offerte van de bank had ontvangen voor de financiering. Op dat moment wist de man dus dat de financiering rond zou komen. Toch heeft de tussenpersoon van de man, naar aanleiding van een vraag van de man, pas op 17 juni 2026 contact opgenomen met de notaris voor het opstellen van de akte van verdeling. Dat was dus pas veertien dagen ná ontvangst van de offerte van de bank en bovendien vrij kort voor de deadline van 1 juli 2026. Op 23 juni 2026 bleek vervolgens dat het de notaris – vanwege vakantie – niet meer ging lukken om de akte van verdeling voor 1 juli 2026 op te stellen. De vrouw was daarna slechts bereid in te stemmen met uitstel tot en met 3 juli 2026, maar dat was voor de notaris ook niet haalbaar; de notaris kon de akte pas op 15 juli 2026 passeren en dat is dus veertien dagen na de oorspronkelijke deadline en in principe te laat.
5.6.
Alles afwegende is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan de man in alle redelijkheid een extra termijn moet worden gegeven om aan de voorwaarden uit het vonnis van 26 mei 2026 te voldoen. Daarvoor hecht de voorzieningenrechter gewicht aan de inspanningen die de man heeft verricht om op tijd aan die voorwaarden te voldoen en de minimale overschrijding van de termijn in het geval dat de vrouw wel met uitstel had ingestemd. De vrouw was er eind juni 2026 mee bekend dat de financiering rond was en dat – vanwege vakantie van de notaris – slechts nog een beperkte termijn nodig was om de benodigde notariële akten te laten passeren. Van de vrouw mocht onder die omstandigheden redelijkerwijs worden verwacht dat zij met zo’n beperkt uitstel zou instemmen. De voorzieningenrechter leest in overweging 4.3. van het vonnis van 26 mei 2026 dat de vrouw er “belang bij [heeft] om zekerheid te hebben dat zij nu daadwerkelijk binnen afzienbare tijd haar aandeel in de overwaarde van de woning (en het saldo van de wederzijdse vergoedings- en verrekeningsposten) ontvangt en uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening die op de woning rust wordt ontslagen”. Die zekerheid zou de vrouw niet verliezen door een beperkt uitstel te aanvaarden, zoals de man had gevraagd. De vrouw verliest die zekerheid nu overigens ook niet, aangezien in dit vonnis een strikte termijn aan de man wordt verleend. Het verder vooral financiële belang van de vrouw weegt onvoldoende zwaar om de man nu al te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan verkoop van de woning aan een derde.
5.7.
Dit alles leidt tot de volgende conclusie.
5.8.
De man krijgt gedurende een termijn van vier weken na vandaag de tijd om de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] te laten ontslaan en de vrouw een bedrag van € 50.000,00 te betalen. Bij het bepalen van deze termijn is rekening gehouden met de door de man zelf genoemde termijn van tien tot veertien dagen die nodig is om een akte van verdeling op te stellen en daarnaast met enige vertraging door welke omstandigheid dan ook. Deze termijn is feitelijk een verlenging van de termijn die al in het vonnis van 26 mei 2026 is opgenomen. De tenuitvoerlegging van dat vonnis hoeft daarom niet te worden geschorst, zoals de man in conventie onder 4 vordert. Die vordering wordt daarom afgewezen. De vrouw kan het vonnis van 26 mei 2026 gedurende de hiervoor bedoelde termijn niet (verder) ten uitvoer leggen.
5.9.
De vrouw moet gedurende de termijn van vier weken na vandaag haar medewerking verlenen aan haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] en de betaling aan haar van een bedrag van € 50.000,00. Dit houdt onder andere in dat de vrouw steeds zo snel mogelijk (i) alle daarvoor benodigde informatie moet verstrekken en (ii) moet reageren op verzoeken van (de advocaat van) de man daaromtrent, dat (iii) de vrouw zo nodig opdracht moet geven aan de door de man ingeschakelde notaris en dat (iv) de vrouw alle benodigde stukken moet ondertekenen. De voorzieningenrechter begrijpt dat de man in eerste instantie wil proberen om de notariële stukken door notariskantoor [naam notariskantoor] op te laten stellen en dat de man, in het geval dat dit niet snel genoeg mogelijk is, een ander notariskantoor wil benaderen. De voorzieningenrechter laat de man vrij in zijn keuze voor een notaris en veroordeelt de vrouw dus niet om aan één specifieke notaris opdracht te geven en haar medewerking te verlenen. In zoverre worden vorderingen 1 en 2 in conventie van de man enigszins gewijzigd toegewezen.
5.10.
Voor het geval dat de vrouw gedurende de termijn van vier weken na vandaag niet (tijdig) haar medewerking als hiervoor bedoeld verleent, bepaalt de voorzieningenrechter dat dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de voor de notariële levering benodigde toestemming en/of handtekening van de vrouw (vordering 3 in conventie). In dat geval heeft de man geen machtiging nodig om zich tot de notaris te wenden om de benodigde akten te laten passeren, zodat de daartoe strekkende vordering wordt afgewezen.
5.11.
Het opleggen van één of meerdere dwangsommen voegt niets toe aan de uit te spreken veroordelingen, althans de man heeft niet uitgelegd waarom een dwangsom wel iets zou toevoegen. De daartoe strekkende vorderingen worden daarom afgewezen.
5.12.
De vordering in reconventie onder II wordt ook afgewezen. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de man zich terecht op het standpunt gesteld dat hij nog een korte termijn moet krijgen om het vonnis van 26 mei 2026 alsnog na te komen. In het geval dat de man deze termijn nu opnieuw niet haalt, ook al is het maar met één dag, gelden de veroordelingen in 5.2. tot en met 5.4. van het vonnis van 26 mei 2026 onverkort. De voorzieningenrechter heeft nog steeds geen aanleiding om te veronderstellen dat de man daar in dat geval geen medewerking aan zal verlenen. Voor het opleggen van een dwangsom bestaat daarom op dit moment geen grond.
Iedere partij betaalt de eigen proceskosten
5.13.
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-partners is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen grond om van dit uitgangspunt af te wijken. De proceskosten worden dus gecompenseerd.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.14.
Dit vonnis wordt voor wat betreft de beslissingen in conventie uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
6De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie
6.1.
veroordeelt de vrouw om gedurende vier weken na vandaag haar medewerking te verlenen aan haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening met betrekking tot de woning aan [adres] ( [postcode] ) in [plaats] en de betaling aan haar van een bedrag van € 50.000,00, onder meer door te handelen zoals in 5.9. uiteen is gezet;
en voor het geval dat de vrouw hier niet aan voldoet:
6.2.
bepaalt dat dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de voor de notariële levering benodigde toestemming en/of handtekening van de vrouw;
en in alle gevallen:
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt;
6.5.
wijst al het andere af;
in reconventie
6.6.
wijst de vordering af;
6.7.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sikkel en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
3349 / 1573
Rechtbank Rotterdam 26 mei 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6013.