Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12371
2026-08-27
Civiel recht
C/10/723598 / KG ZA 26-772
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Kort geding. Geldvordering. Toewijzing (deels). Het spoedeisend belang bij de vorderingen is onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is ook de grondslag voor het gevorderde loon onduidelijk gebleven. Gedaagde heeft echter erkend dat zij een bedrag aan eisers verschuldigd is. Dit bedrag wordt daarom toegewezen na vermindering met de door eisers erkende aan gedaagde verschuldigde bedragen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.070 tekens)
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723598 / KG ZA 26-772
Vonnis in kort geding van 27 augustus 2026
in de zaak van
1 [eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. H.M.A. over de Linden,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna [eiseres] , [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd. [eiseres] en [eiser] worden gezamenlijk aangeduid als [eisers] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden gezamenlijk aangeduid als [gedaagden]
1De zaak in het kort
1.1.
[eiseres] , [eiser] en [gedaagde 2] zijn samen een restaurant gestart. Kort na de opening zijn partijen door een geschil uit elkaar gegaan. [eisers] vordert een vergoeding voor betaalde investeringen, voorgeschoten kosten en onbetaald loon. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen deels toe.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 juli 2026 met producties 1 tot en met 7;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7;- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026
3De feiten
3.1.
[eisers] en [gedaagde 2] hebben in april 2025 afgesproken om samen een restaurant te gaan exploiteren. [gedaagde 2] heeft op 11 juli 2025 daartoe [gedaagde 1] opgericht. [gedaagde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] .
3.2.
In november 2025 hebben [eisers] en [gedaagde 2] overlegd over de schriftelijke vastlegging van de samenwerking. Daarbij hebben partijen (onder meer) gesproken over het opnemen van [gedaagde 1] als werkmaatschappij in een concernstructuur, waarbij [eisers] en [gedaagde 2] via holdingvennootschappen in [gedaagde 1] zouden deelnemen.
3.3.
In de periode november 2025 tot en met februari 2026 hebben [eisers] en [gedaagde 2] zich bezig gehouden met de verbouwing van de bedrijfslocatie en opening van het restaurant.
3.4.
[eisers] hebben twee arbeidsovereenkomsten gedateerd op 18 februari 2026 opgemaakt en ondertekend. Deze overeenkomsten heeft [gedaagde 1] niet ondertekend.
3.5.
Het restaurant is op 25 februari 2026 geopend. [eisers] werkten vanaf dat moment in de keuken. Tussen partijen is vervolgens begin april een conflict ontstaan. [eisers] zijn daarom op 6 april 2026 gestopt met hun werkzaamheden bij [gedaagde 1] .
3.6.
Bij brief van 22 mei 2026 heeft de advocaat van [eisers] [gedaagde 1] gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 33.271,73. In de brief is omschreven dat dit bedrag is uitgebouwd uit een post investeringen van (na aftrek van eerder verrichte betalingen door [gedaagde 1] ) € 7.771,73 en een post loon voor zowel [eiseres] als [eiser] van (netto) € 25.500.
4Het geschil
4.1.
[eisers] vorderen - samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
1. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 8.772,- voor door [eisers] voorgeschoten bedragen,
2. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 18.000,- voor door [eisers] verrichte verbouwingswerkzaamheden,
3. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 7.500,- voor door [eisers] verrichte werkzaamheden gedurende de opening van het restaurant,
4. subsidiair in goede justitie vast te stellen welk bedrag [gedaagden] aan [eisers] is verschuldigd,
5. [gedaagden] veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke kosten,
6. [gedaagden] veroordeelt in de kosten van de procedure.
4.2.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
Toetsingskader geldvorderingen in kort geding
5.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Geen (bestuurders)aansprakelijkheid van [gedaagde 2]
5.2.
De ingestelde vorderingen hebben betrekking op de (terug)betaling van geldsommen investeringen en werkzaamheden voor [gedaagde 1] . [eisers] heeft geen grondslag aangevoerd voor de aansprakelijkheid van [gedaagde 2] voor die vorderingen en daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij daar naast [gedaagde 1] in privé voor aansprakelijk is. De vorderingen ingesteld tegen [gedaagde 2] worden daarom afgewezen.
Vordering voor betaling werkzaamheden wordt afgewezen
5.3.
De vordering onder 2, 3 en 4tot betaling en vaststelling van het verschuldigde loon voor de door [eisers] verrichte werkzaamheden wordt afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
5.4.
Het spoedeisend belang bij de vordering is onvoldoende aannemelijk geworden. Een concrete onderbouwing daarvan ontbreekt. Onvoldoende is, zoals [eisers] aanvoeren, dat [eiseres] geen werk heeft, nu zij wel een uitkering heeft (aangevraagd) en niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] door het uitblijven van betaling in een noodsituatie komt te verkeren. Bovendien leidt dat niet tot een spoedeisend belang voor [eiser] , die wel elders een baan heeft. [eisers] hebben ook het door [gedaagde 1] aangevoerde restitutierisico niet weersproken.
5.5.
Daarnaast is de grondslag voor de vordering onduidelijk gebleven. [eisers] stellen dat mogelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar dat anders sprake zou zijn van een overeenkomst van opdracht. Dit vereist nader onderzoek naar de feiten, zoals onder meer naar de afspraken die partijen over hun voorgenomen samenwerking hebben gemaakt, waarvoor in kort geding geen plaats is. Bij deze stand van zaken hebben [eisers] de grondslag voor hun vorderingen onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook als die grondslag wel duidelijk is laat dat onverlet dat ook de hoogte van de vergoeding voor de werkzaamheden in geschil is. [eisers] hebben onvoldoende aangevoerd om tot vaststelling van de hoogte van het loon uit arbeid te komen of het redelijk loon zoals bedoeld in artikel 7:405 lid 2 BW vast te kunnen stellen, nog daargelaten dat een aanspraak op nettoloon ook niet aan de orde kan zijn. Op het gebrek aan deze aanknopingspunten stuit ook de subsidiaire vordering onder 4 op af. Hoewel het aannemelijk is dat [eisers] aanspraak kunnen maken op enige vergoeding, omdat wel duidelijk is en erkend wordt dat zij werkzaamheden verricht hebben – hoewel de omvang daarvan voor zover het verbouwingswerkzaamheden betwist wordt – is dat onvoldoende voor toewijzing van een geldvordering in kort geding.
[gedaagde 1] moet gedane investeringen terugbetalen
5.6.
[eisers] voeren aan dat [gedaagde 1] een bedrag van € 8.772,- is verschuldigd, omdat [gedaagde 1] door [eisers] betaalde investeringen en voorschotten moet vergoeden. Dit betreft een ander bedrag dan het bedrag van € 7.771,73 genoemd in de brief van 22 mei 2026 van [eisers] . Aangezien [eisers] daarin aanspraak maakt op een bedrag van € 11.771,73 verminderd met het door [gedaagde 1] al betaalde bedrag van € 3.000,- en dat uitkomt op een bedrag van € 8.771,73, begrijpt de voorzieningenrechter dat de brief van 22 mei 2026 op dit punt een typefout bevat.
5.7.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eisers] onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij tot het gevorderde bedrag is gekomen. Een deugdelijke specificatie van de posten ontbreekt. Zij heeft weliswaar enkele stukken overgelegd, maar uit één van de overgelegde facturen blijkt enkel dat een deel is aanbetaald, van een andere factuur is niet toegelicht dat [eisers] deze heeft voldaan en betaalbewijzen voor het door [eisers] overgelegde overzicht ontbreken. Deze vordering is daarom in beginsel niet voldoende aannemelijk geworden om in kort geding toe te wijzen, ook gelet op wat in 5.4. is overwogen ten aanzien van het spoedeisend belang en het restitutierisico.
5.8.
[gedaagde 1] heeft echter ter zitting erkend dat zij een bedrag van € 7.771,73 aan [eisers] verschuldigd is voor de gedane investeringen en voorgeschoten bedragen. De vordering van [eisers] kan daarom worden toegewezen tot het erkende bedrag. In een dergelijk geval worden er immers geen hoge eisen gesteld aan de spoedeisendheid van de vordering of een eventueel restitutierisico.
5.9.
[gedaagde 1] heeft zich beroepen op verrekening voor bedragen van € 445,- aan kasopnamen door [eisers] , en twee leningen van € 500,- en € 1.200. Een beroep op verrekening als verweer kan enkel gehonoreerd worden wanneer de gegrondheid van daarvan op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is (artikel 6:136 BW). [eisers] hebben ter zitting erkend dat zij bedragen van € 400,- en € 500,- aan [gedaagde 1] zijn verschuldigd. Deze bedragen worden daarom in mindering gebracht op wat [gedaagde 1] aan [eisers] verschuldigd is. [eisers] hebben betwist dat zij (aan [gedaagde 1] ) een hoger bedrag dan € 400,- aan kasopnamen of het bedrag van € 1.200,- zijn verschuldigd. De gegrondheid van de verrekening is, mede door een gebrek aan onderbouwing, niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Het verweer op verrekening wordt op deze punten daarom niet gehonoreerd.
5.10.
De vordering van [eisers] onder 1 wordt gelet op het voorgaande toegewezen tot een bedrag van € 6.871,73 (€ 7.771,73 – € 400 – € 500).
Wettelijke rente
5.11.
Gesteld noch gebleken is dat de hoofdsom betrekking heeft op een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW, zodat enkel de wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen.
Geen vergoeding buitengerechtelijke kosten
5.12.
[eisers] vorderen onder 5 vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. De vordering wordt afgewezen, omdat [eisers] onvoldoende hebben gesteld voor toewijzing daarvan. Niet is gesteld dat het redelijk was de kosten te maken, dat de kosten naar omvang redelijk zijn en ook niet dat deze zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.
Proceskosten worden gecompenseerd
5.13.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 6.871,73, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 27 juli 2026, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
4049 / 2009
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/723598 / KG ZA 26-772
Vonnis in kort geding van 27 augustus 2026
in de zaak van
1 [eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
advocaat: mr. H.M.A. over de Linden,
tegen
1 [gedaagde 1] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,2. [gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna [eiseres] , [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd. [eiseres] en [eiser] worden gezamenlijk aangeduid als [eisers] . [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden gezamenlijk aangeduid als [gedaagden]
1De zaak in het kort
1.1.
[eiseres] , [eiser] en [gedaagde 2] zijn samen een restaurant gestart. Kort na de opening zijn partijen door een geschil uit elkaar gegaan. [eisers] vordert een vergoeding voor betaalde investeringen, voorgeschoten kosten en onbetaald loon. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen deels toe.
2De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 juli 2026 met producties 1 tot en met 7;- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 7;- de mondelinge behandeling van 13 augustus 2026
3De feiten
3.1.
[eisers] en [gedaagde 2] hebben in april 2025 afgesproken om samen een restaurant te gaan exploiteren. [gedaagde 2] heeft op 11 juli 2025 daartoe [gedaagde 1] opgericht. [gedaagde 2] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] .
3.2.
In november 2025 hebben [eisers] en [gedaagde 2] overlegd over de schriftelijke vastlegging van de samenwerking. Daarbij hebben partijen (onder meer) gesproken over het opnemen van [gedaagde 1] als werkmaatschappij in een concernstructuur, waarbij [eisers] en [gedaagde 2] via holdingvennootschappen in [gedaagde 1] zouden deelnemen.
3.3.
In de periode november 2025 tot en met februari 2026 hebben [eisers] en [gedaagde 2] zich bezig gehouden met de verbouwing van de bedrijfslocatie en opening van het restaurant.
3.4.
[eisers] hebben twee arbeidsovereenkomsten gedateerd op 18 februari 2026 opgemaakt en ondertekend. Deze overeenkomsten heeft [gedaagde 1] niet ondertekend.
3.5.
Het restaurant is op 25 februari 2026 geopend. [eisers] werkten vanaf dat moment in de keuken. Tussen partijen is vervolgens begin april een conflict ontstaan. [eisers] zijn daarom op 6 april 2026 gestopt met hun werkzaamheden bij [gedaagde 1] .
3.6.
Bij brief van 22 mei 2026 heeft de advocaat van [eisers] [gedaagde 1] gesommeerd tot betaling van een bedrag van € 33.271,73. In de brief is omschreven dat dit bedrag is uitgebouwd uit een post investeringen van (na aftrek van eerder verrichte betalingen door [gedaagde 1] ) € 7.771,73 en een post loon voor zowel [eiseres] als [eiser] van (netto) € 25.500.
4Het geschil
4.1.
[eisers] vorderen - samengevat – dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
1. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 8.772,- voor door [eisers] voorgeschoten bedragen,
2. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 18.000,- voor door [eisers] verrichte verbouwingswerkzaamheden,
3. [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 7.500,- voor door [eisers] verrichte werkzaamheden gedurende de opening van het restaurant,
4. subsidiair in goede justitie vast te stellen welk bedrag [gedaagden] aan [eisers] is verschuldigd,
5. [gedaagden] veroordeelt tot betaling van buitengerechtelijke kosten,
6. [gedaagden] veroordeelt in de kosten van de procedure.
4.2.
[gedaagden] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.
5De beoordeling
Toetsingskader geldvorderingen in kort geding
5.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De voorzieningenrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. In de afweging van de belangen van partijen moet de voorzieningenrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
Geen (bestuurders)aansprakelijkheid van [gedaagde 2]
5.2.
De ingestelde vorderingen hebben betrekking op de (terug)betaling van geldsommen investeringen en werkzaamheden voor [gedaagde 1] . [eisers] heeft geen grondslag aangevoerd voor de aansprakelijkheid van [gedaagde 2] voor die vorderingen en daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij daar naast [gedaagde 1] in privé voor aansprakelijk is. De vorderingen ingesteld tegen [gedaagde 2] worden daarom afgewezen.
Vordering voor betaling werkzaamheden wordt afgewezen
5.3.
De vordering onder 2, 3 en 4tot betaling en vaststelling van het verschuldigde loon voor de door [eisers] verrichte werkzaamheden wordt afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
5.4.
Het spoedeisend belang bij de vordering is onvoldoende aannemelijk geworden. Een concrete onderbouwing daarvan ontbreekt. Onvoldoende is, zoals [eisers] aanvoeren, dat [eiseres] geen werk heeft, nu zij wel een uitkering heeft (aangevraagd) en niet is gesteld of gebleken dat [eiseres] door het uitblijven van betaling in een noodsituatie komt te verkeren. Bovendien leidt dat niet tot een spoedeisend belang voor [eiser] , die wel elders een baan heeft. [eisers] hebben ook het door [gedaagde 1] aangevoerde restitutierisico niet weersproken.
5.5.
Daarnaast is de grondslag voor de vordering onduidelijk gebleven. [eisers] stellen dat mogelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar dat anders sprake zou zijn van een overeenkomst van opdracht. Dit vereist nader onderzoek naar de feiten, zoals onder meer naar de afspraken die partijen over hun voorgenomen samenwerking hebben gemaakt, waarvoor in kort geding geen plaats is. Bij deze stand van zaken hebben [eisers] de grondslag voor hun vorderingen onvoldoende aannemelijk gemaakt. Ook als die grondslag wel duidelijk is laat dat onverlet dat ook de hoogte van de vergoeding voor de werkzaamheden in geschil is. [eisers] hebben onvoldoende aangevoerd om tot vaststelling van de hoogte van het loon uit arbeid te komen of het redelijk loon zoals bedoeld in artikel 7:405 lid 2 BW vast te kunnen stellen, nog daargelaten dat een aanspraak op nettoloon ook niet aan de orde kan zijn. Op het gebrek aan deze aanknopingspunten stuit ook de subsidiaire vordering onder 4 op af. Hoewel het aannemelijk is dat [eisers] aanspraak kunnen maken op enige vergoeding, omdat wel duidelijk is en erkend wordt dat zij werkzaamheden verricht hebben – hoewel de omvang daarvan voor zover het verbouwingswerkzaamheden betwist wordt – is dat onvoldoende voor toewijzing van een geldvordering in kort geding.
[gedaagde 1] moet gedane investeringen terugbetalen
5.6.
[eisers] voeren aan dat [gedaagde 1] een bedrag van € 8.772,- is verschuldigd, omdat [gedaagde 1] door [eisers] betaalde investeringen en voorschotten moet vergoeden. Dit betreft een ander bedrag dan het bedrag van € 7.771,73 genoemd in de brief van 22 mei 2026 van [eisers] . Aangezien [eisers] daarin aanspraak maakt op een bedrag van € 11.771,73 verminderd met het door [gedaagde 1] al betaalde bedrag van € 3.000,- en dat uitkomt op een bedrag van € 8.771,73, begrijpt de voorzieningenrechter dat de brief van 22 mei 2026 op dit punt een typefout bevat.
5.7.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eisers] onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe zij tot het gevorderde bedrag is gekomen. Een deugdelijke specificatie van de posten ontbreekt. Zij heeft weliswaar enkele stukken overgelegd, maar uit één van de overgelegde facturen blijkt enkel dat een deel is aanbetaald, van een andere factuur is niet toegelicht dat [eisers] deze heeft voldaan en betaalbewijzen voor het door [eisers] overgelegde overzicht ontbreken. Deze vordering is daarom in beginsel niet voldoende aannemelijk geworden om in kort geding toe te wijzen, ook gelet op wat in 5.4. is overwogen ten aanzien van het spoedeisend belang en het restitutierisico.
5.8.
[gedaagde 1] heeft echter ter zitting erkend dat zij een bedrag van € 7.771,73 aan [eisers] verschuldigd is voor de gedane investeringen en voorgeschoten bedragen. De vordering van [eisers] kan daarom worden toegewezen tot het erkende bedrag. In een dergelijk geval worden er immers geen hoge eisen gesteld aan de spoedeisendheid van de vordering of een eventueel restitutierisico.
5.9.
[gedaagde 1] heeft zich beroepen op verrekening voor bedragen van € 445,- aan kasopnamen door [eisers] , en twee leningen van € 500,- en € 1.200. Een beroep op verrekening als verweer kan enkel gehonoreerd worden wanneer de gegrondheid van daarvan op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is (artikel 6:136 BW). [eisers] hebben ter zitting erkend dat zij bedragen van € 400,- en € 500,- aan [gedaagde 1] zijn verschuldigd. Deze bedragen worden daarom in mindering gebracht op wat [gedaagde 1] aan [eisers] verschuldigd is. [eisers] hebben betwist dat zij (aan [gedaagde 1] ) een hoger bedrag dan € 400,- aan kasopnamen of het bedrag van € 1.200,- zijn verschuldigd. De gegrondheid van de verrekening is, mede door een gebrek aan onderbouwing, niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Het verweer op verrekening wordt op deze punten daarom niet gehonoreerd.
5.10.
De vordering van [eisers] onder 1 wordt gelet op het voorgaande toegewezen tot een bedrag van € 6.871,73 (€ 7.771,73 – € 400 – € 500).
Wettelijke rente
5.11.
Gesteld noch gebleken is dat de hoofdsom betrekking heeft op een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW, zodat enkel de wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen.
Geen vergoeding buitengerechtelijke kosten
5.12.
[eisers] vorderen onder 5 vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. De vordering wordt afgewezen, omdat [eisers] onvoldoende hebben gesteld voor toewijzing daarvan. Niet is gesteld dat het redelijk was de kosten te maken, dat de kosten naar omvang redelijk zijn en ook niet dat deze zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.
Proceskosten worden gecompenseerd
5.13.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, worden de proceskosten tussen hen gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6De beslissing
De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 6.871,73, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 27 juli 2026, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.3.
wijst het meer of anders gevorderde af,
6.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
4049 / 2009