Rechtbank Rotterdam
ECLI:NL:RBROT:2026:12334
2026-08-21
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/10/707355 / FA RK 25-7301
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wijziging zorgregeling. Art. 1:253a BW. Vrouw verzoekt uitbreiding zorgregeling. Man verzet zich, maar rb. acht uitbreiding in belang van de minderjarigen
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (12.249 tekens)
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/707355 / FA RK 25-7301
Beschikking van 21 augustus 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam 1]
, hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Kara te Rotterdam,
t e g e n
[naam 2]
, hierna: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. S. Koçak te Rotterdam.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 26 september 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlage van de man, ingekomen op 9 juli 2026;
de berichten met bijlage(n) van de vrouw van 15 juli en 16 juli 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2De vaststaande feiten
2.1
Het huwelijk van partijen is op 3 juni 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 30 april 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Uit het huwelijk van partijen zijn geboren de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats] .
2.3
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 25 februari 2024 hebben ondertekend. Het ouderschapsplan maakt deel uit van de voornoemde echtscheidingsbeschikking. In het ouderschapsplan zijn zij de volgende regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen:
de dagelijkse zorg wordt verleend door de vrouw;
de minderjarigen zullen bij de man verblijven een weekend per veertien dagen van zaterdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur waarbij de man de minderjarigen ophaalt en weer thuisbrengt bij de vrouw;
de minderjarigen zullen in de zomervakantie twee weken aaneensluitend bij de man verblijven;
de ouders houden rekening met het vieren van verjaardagen/feestjes van de kinderen, elkaars verjaardag en die van familieleden van beide ouders;
de ouders maken vaste afspraken over halen en brengen;
telefonisch en e-mailcontact tussen ouders en de minderjarigen moet mogelijk zijn;
de ouders ondersteunen elkaar in opvang van de minderjarigen en hun werkroosters;
de ouders hebben contact over ouderavonden, muziek- en sportwedstrijden;
de ouders zullen elkaar over en weer op de hoogte stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarigen en elkaar daarover te dezer zake raadplegen (bijvoorbeeld medische zaken, schoolarts, tandarts en dergelijke).
2.4
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt van rechtswege door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.5
De man heeft de Marokkaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3De beoordeling
3.1
Zorgregeling
3.1.1
De vrouw verzoekt een wijziging van de in de beschikking van 30 april 2024 en daarin opgenomen ouderschapsplan vastgelegde zorgregeling, in die zin dat:
de minderjarigen om het weekend van vrijdag 15:00 uur tot zondag 15:00 uur bij de man zullen verblijven óf iedere week van zaterdag 14:00 uur tot en met zondag 14:00 uur bij de man zullen verblijven, doorlopend tijdens de één wekelijks vakanties;
het halen en brengen wordt gelijkelijk tussen partijen verdeeld;
de zomervakantie, de kerstvakantie, de meivakantie en de (Islamitische) feestdagen worden bij helfte tussen partijen verdeeld;
dan wel een dusdanige zorgregeling te bepalen die de rechtbank in het belang van de minderjarigen acht.
3.1.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek te bepalen dat een zorgregeling wordt vastgesteld inhoudende dat:
- de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van zaterdag 14:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw de minderjarigen op zaterdag naar de man brengt en de man de minderjarigen op zondag terugbrengt naar de moeder, althans een regeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie passend en juist acht.
3.1.3
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.1.4
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De bestaande zorgregeling sloot destijds aan bij de leeftijd van de minderjarigen, maar lijkt inmiddels niet meer passend. Bovendien heeft de man eveneens een verzoek tot wijziging van de bestaande zorgregeling gedaan. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
3.1.5
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel betwist door de man, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de minderjarigen hun vader missen. In de huidige zorgregeling zien zij de man weinig. Daarnaast heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij onvoldoende draagkracht heeft om uitvoering te kunnen geven aan de bestaande zorgregeling. Dit komt onder meer door de gedragsproblematiek die de minderjarigen op school laten zien. Uit de door de vrouw ingediende stukken blijk dat beide minderjarigen individuele ondersteuning nodig hebben. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen om de bestaande zorgregeling uit te breiden, zodat de minderjarigen meer omgangsmomenten met de man hebben.
3.1.6
De rechtbank is het daarbij met de raad eens dat een uitbreiding van de zorgregeling wel uitvoerbaar moet zijn voor de man, gelet op zijn werkverplichtingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat hij van maandag tot en met vrijdag werkt en elke zaterdagochtend tot 12:00 uur. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat het subsidiaire verzoek van de vrouw aansluit bij de werkverplichtingen van de man. De man stelt dat hij naast werkverplichtingen ook andere verplichtingen heeft en tijd met zijn nieuwe partner wil doorbrengen. De rechtbank begrijpt dat de man een druk bestaan heeft, maar dat neemt niet weg dat hij verantwoordelijkheden heeft voor zijn kinderen. De rechtbank wijst daarbij op de verplichting van een gezaghebbende ouder om de minderjarige te verzorgen en op te voeden, als bedoeld in artikel 1:247 lid 1 BW. Dat is een verantwoordelijkheid van beide ouders (zie ook lid 4). De rechtbank overweegt dat de vrouw lange tijd het grootste gedeelte van de zorg op zich heeft genomen, maar dat zij dit niet langer kan volhouden. Dit brengt mee dat de man een grotere bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen moet gaan leveren. De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de vrouw dan ook toewijzen. De rechtbank zal eveneens de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het halen en brengen en de verdeling van de vakantie en feestdagen toewijzen.
3.1.7
De rechtbank overweegt ten overvloede dat partijen binnen het vrijwillig kader kunnen deelnemen aan het traject ouderschapsbemiddeling als zij daar behoefte aan hebben. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen bevestigd hiervoor open te staan. De rechtbank moedigt partijen dan ook aan om in het belang van de minderjarigen te werken aan hun onderlinge communicatie.
3.2
Proceskosten
3.3
De vrouw vordert de man te veroordelen in de kosten van de procedure. Uitgangspunt in het familierecht is dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Dit houdt in dat iedere partijen de eigen kosten draagt. In uitzonderingsgevallen wordt een proceskostenveroordeling toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke uitzondering zich in dit geval niet voordoet. Daarom wordt de vordering van de vrouw afgewezen en bepaald dat gelet op de aard van de procedure elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 30 april 2024 en het daarin opgenomen ouderschapsplan ter zake van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat:
de minderjarigen iedere week van zaterdag 14:00 uur tot en met zondag 14:00 uur bij de man zullen verblijven, doorlopend tijdens de één wekelijkse vakanties;
het halen en brengen wordt gelijkelijk tussen partijen verdeeld;
de zomervakantie, de kerstvakantie, de meivakantie en de (Islamitische) feestdagen worden bij helfte tussen partijen verdeeld;
4.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. N.W.J. van der Veen, griffier, op 21 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/707355 / FA RK 25-7301
Beschikking van 21 augustus 2026 over de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van:
[naam 1]
, hierna: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. S. Kara te Rotterdam,
t e g e n
[naam 2]
, hierna: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. S. Koçak te Rotterdam.
1De procedure
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 26 september 2025;
het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlage van de man, ingekomen op 9 juli 2026;
de berichten met bijlage(n) van de vrouw van 15 juli en 16 juli 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
2De vaststaande feiten
2.1
Het huwelijk van partijen is op 3 juni 2024 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 30 april 2024 in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
Uit het huwelijk van partijen zijn geboren de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats] .
2.3
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, dat zij op 25 februari 2024 hebben ondertekend. Het ouderschapsplan maakt deel uit van de voornoemde echtscheidingsbeschikking. In het ouderschapsplan zijn zij de volgende regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) overeengekomen:
de dagelijkse zorg wordt verleend door de vrouw;
de minderjarigen zullen bij de man verblijven een weekend per veertien dagen van zaterdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur waarbij de man de minderjarigen ophaalt en weer thuisbrengt bij de vrouw;
de minderjarigen zullen in de zomervakantie twee weken aaneensluitend bij de man verblijven;
de ouders houden rekening met het vieren van verjaardagen/feestjes van de kinderen, elkaars verjaardag en die van familieleden van beide ouders;
de ouders maken vaste afspraken over halen en brengen;
telefonisch en e-mailcontact tussen ouders en de minderjarigen moet mogelijk zijn;
de ouders ondersteunen elkaar in opvang van de minderjarigen en hun werkroosters;
de ouders hebben contact over ouderavonden, muziek- en sportwedstrijden;
de ouders zullen elkaar over en weer op de hoogte stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarigen en elkaar daarover te dezer zake raadplegen (bijvoorbeeld medische zaken, schoolarts, tandarts en dergelijke).
2.4
Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt van rechtswege door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.
2.5
De man heeft de Marokkaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit. De minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.
3De beoordeling
3.1
Zorgregeling
3.1.1
De vrouw verzoekt een wijziging van de in de beschikking van 30 april 2024 en daarin opgenomen ouderschapsplan vastgelegde zorgregeling, in die zin dat:
de minderjarigen om het weekend van vrijdag 15:00 uur tot zondag 15:00 uur bij de man zullen verblijven óf iedere week van zaterdag 14:00 uur tot en met zondag 14:00 uur bij de man zullen verblijven, doorlopend tijdens de één wekelijks vakanties;
het halen en brengen wordt gelijkelijk tussen partijen verdeeld;
de zomervakantie, de kerstvakantie, de meivakantie en de (Islamitische) feestdagen worden bij helfte tussen partijen verdeeld;
dan wel een dusdanige zorgregeling te bepalen die de rechtbank in het belang van de minderjarigen acht.
3.1.2
De man voert gemotiveerd verweer en verzoekt bij zelfstandig verzoek te bepalen dat een zorgregeling wordt vastgesteld inhoudende dat:
- de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van zaterdag 14:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man verblijven, waarbij de vrouw de minderjarigen op zaterdag naar de man brengt en de man de minderjarigen op zondag terugbrengt naar de moeder, althans een regeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie passend en juist acht.
3.1.3
De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen op grond van artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing over een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
3.1.4
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De bestaande zorgregeling sloot destijds aan bij de leeftijd van de minderjarigen, maar lijkt inmiddels niet meer passend. Bovendien heeft de man eveneens een verzoek tot wijziging van de bestaande zorgregeling gedaan. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
3.1.5
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel betwist door de man, is naar het oordeel van de rechtbank vast komen te staan dat de minderjarigen hun vader missen. In de huidige zorgregeling zien zij de man weinig. Daarnaast heeft de vrouw naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij onvoldoende draagkracht heeft om uitvoering te kunnen geven aan de bestaande zorgregeling. Dit komt onder meer door de gedragsproblematiek die de minderjarigen op school laten zien. Uit de door de vrouw ingediende stukken blijk dat beide minderjarigen individuele ondersteuning nodig hebben. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen om de bestaande zorgregeling uit te breiden, zodat de minderjarigen meer omgangsmomenten met de man hebben.
3.1.6
De rechtbank is het daarbij met de raad eens dat een uitbreiding van de zorgregeling wel uitvoerbaar moet zijn voor de man, gelet op zijn werkverplichtingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven dat hij van maandag tot en met vrijdag werkt en elke zaterdagochtend tot 12:00 uur. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat het subsidiaire verzoek van de vrouw aansluit bij de werkverplichtingen van de man. De man stelt dat hij naast werkverplichtingen ook andere verplichtingen heeft en tijd met zijn nieuwe partner wil doorbrengen. De rechtbank begrijpt dat de man een druk bestaan heeft, maar dat neemt niet weg dat hij verantwoordelijkheden heeft voor zijn kinderen. De rechtbank wijst daarbij op de verplichting van een gezaghebbende ouder om de minderjarige te verzorgen en op te voeden, als bedoeld in artikel 1:247 lid 1 BW. Dat is een verantwoordelijkheid van beide ouders (zie ook lid 4). De rechtbank overweegt dat de vrouw lange tijd het grootste gedeelte van de zorg op zich heeft genomen, maar dat zij dit niet langer kan volhouden. Dit brengt mee dat de man een grotere bijdrage in de verzorging en opvoeding van de minderjarigen moet gaan leveren. De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de vrouw dan ook toewijzen. De rechtbank zal eveneens de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het halen en brengen en de verdeling van de vakantie en feestdagen toewijzen.
3.1.7
De rechtbank overweegt ten overvloede dat partijen binnen het vrijwillig kader kunnen deelnemen aan het traject ouderschapsbemiddeling als zij daar behoefte aan hebben. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen bevestigd hiervoor open te staan. De rechtbank moedigt partijen dan ook aan om in het belang van de minderjarigen te werken aan hun onderlinge communicatie.
3.2
Proceskosten
3.3
De vrouw vordert de man te veroordelen in de kosten van de procedure. Uitgangspunt in het familierecht is dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Dit houdt in dat iedere partijen de eigen kosten draagt. In uitzonderingsgevallen wordt een proceskostenveroordeling toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke uitzondering zich in dit geval niet voordoet. Daarom wordt de vordering van de vrouw afgewezen en bepaald dat gelet op de aard van de procedure elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4De beslissing
De rechtbank:
4.1
wijzigt de bij beschikking van deze rechtbank van 30 april 2024 en het daarin opgenomen ouderschapsplan ter zake van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in die zin dat:
de minderjarigen iedere week van zaterdag 14:00 uur tot en met zondag 14:00 uur bij de man zullen verblijven, doorlopend tijdens de één wekelijkse vakanties;
het halen en brengen wordt gelijkelijk tussen partijen verdeeld;
de zomervakantie, de kerstvakantie, de meivakantie en de (Islamitische) feestdagen worden bij helfte tussen partijen verdeeld;
4.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Moerman (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. N.W.J. van der Veen, griffier, op 21 augustus 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden