Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Rotterdam

ECLI:NL:RBROT:2026:12256

2026-09-18 Civiel recht; Arbeidsrecht 12213361 VZ VERZ 26-2224
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Uitspraakdatum
2026-09-18
Publicatiedatum
2026-09-18
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12213361 VZ VERZ 26-2224
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; AR-Updates.nl 2026-1514; VAAN-AR-Updates.nl 2026-1514

Inhoudsindicatie

Werkgever moet aanzegvergoeding betalen. Onvoldoende onderbouwd dat aanzegging door werknemer is ontvangen. Vermelding van einddatum op loonstrook is geen aanzegging. Werkgever moet loon terugbetalen i.v.m. negatief verlofsaldo.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.189 tekens)
RECHTBANK ROTTERDAM


locatie Rotterdam



zaaknummer: 12213361 VZ VERZ 26-2224



datum uitspraak: 18 september 2026




Beschikking van de kantonrechter




in de zaak van





[verzoeker]
,
woonplaats: [woonplaats] ,
verzoeker en verweerder in het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. I. Atay,



tegen





[verweerster] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
verweerster en verzoekster in het tegenverzoek,
gemachtigde: mr. A.J. Verweij.



De partijen worden hierna ‘ [werknemer] ’ en ‘ [werkgever] ’ genoemd.





1De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:


het verzoekschrift van [werknemer] , met bijlagen;


het verweerschrift van [werkgever] , met een tegenverzoek, met bijlagen;


de brief van [werkgever] van 21 augustus 2026, met een bijlage;


de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [werknemer] .





1.2.
Op 28 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was de gemachtigde van [werknemer] aanwezig. Namens [werkgever] zijn [persoon A] (HR-manager) en de gemachtigde verschenen.





2De beoordeling



Waar gaat het om?




2.1.

[werknemer] werkte op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij [werkgever] . Die arbeidsovereenkomst eindigde op 2 maart 2026. [werkgever] heeft besloten om de arbeidsovereenkomst daarna niet voort te zetten. Volgens [werknemer] heeft [werkgever] hem dat niet op tijd laten weten. Hij maakt daarom aanspraak op de aanzegvergoeding, met buitengerechtelijke kosten. Volgens [werknemer] klopt daarnaast de eindafrekening niet. Hij verzoekt daarom dat [werkgever] wordt veroordeeld om een correcte eindafrekening op te stellen en om het bedrag dat daaruit volgt te betalen.



2.2.

[werkgever] is het hier niet mee eens. Ze voert aan dat ze [werknemer] op tijd heeft laten weten dat ze de arbeidsovereenkomst niet wil voortzetten, zodat ze geen aanzegvergoeding verschuldigd is. De eindafrekening die ze heeft opgestuurd is volgens [werkgever] correct. Daarom moeten de verzoeken die daarmee te maken hebben ook worden afgewezen.



2.3.

[werkgever] verzoekt zelf dat [werknemer] wordt veroordeeld om € 1.566,21 aan haar te betalen, omdat hij bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst een negatief verlofsaldo had. Volgens [werknemer] is echter geen sprake van een negatief saldo.



2.4.
De kantonrechter veroordeelt [werkgever] om de aanzegvergoeding van € 2.603,81 te betalen. De andere verzoeken van [werknemer] worden afgewezen. [werknemer] moet € 842,20 aan [werkgever] betalen, vanwege het negatieve verlofsaldo. In deze beschikking licht de kantonrechter dit toe.




[werkgever] heeft haar stelling dat [werknemer] de aanzegbrief heeft ontvangen onvoldoende onderbouwd





2.5.
Er is geen discussie over dat [werkgever] uiterlijk 2 februari 2026 aan [werknemer] moest laten weten of zijn arbeidsovereenkomst na 2 maart 2026 zou worden voortgezet (artikel 7:668 lid 1 BW). [werknemer] stelt dat [werkgever] dit niet heeft gedaan. [werkgever] voert aan dat ze dit wel heeft gedaan, in een brief van 28 januari 2026. Die brief heeft ze bij het verweerschrift gevoegd. [werknemer] heeft betwist dat hij die brief heeft ontvangen. Het is aan [werkgever] om te onderbouwen dat [werknemer] die brief wel heeft ontvangen of dat deze hem niet heeft bereikt vanwege een oorzaak die voor rekening van [werknemer] komt. Alleen dan komt aan de brief “werking” toe (artikel 3:37 lid 3 BW). Daarover overweegt de kantonrechter het volgende.



2.6.
Voorafgaand aan deze procedure heeft [werkgever] aan [werknemer] laten weten dat de aanzegbrief op 28 januari 2026 is “geregistreerd en verstuurd”. In het verweerschrift heeft ze iets soortgelijks geschreven, namelijk dat op die dag “de brief uitdienst is geregistreerd en de bevestiging is verstuurd”. Ze heeft dat daar niet concreet gemaakt. Voor het eerst tijdens de zitting heeft ze aangevoerd dat op die dag de brief niet daadwerkelijk per post is verstuurd, maar dat ze toen de brief in het online portaal van Afas heeft geplaatst. Op de vraag hoe [werknemer] had kunnen weten dat hij in het portaal moest kijken is vervolgens geen duidelijk antwoord gekomen. Volgens [werkgever] heeft [werknemer] daarvan een ‘bericht’, ‘mailtje’ of ‘pushmelding’ ontvangen. Ze heeft dat bericht of mailtje echter niet overgelegd en ook niet concreet gemaakt hoe [werknemer] die heeft ontvangen en wat daarin staat. [werkgever] heeft daarmee onvoldoende onderbouwd dat [werknemer] de brief heeft ontvangen of dat het voor zijn rekening komt dat hij de brief niet heeft ontvangen. Omdat [werkgever] haar stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, is er geen reden om haar bewijs op te dragen. In deze procedure betekent dit dat er van wordt uitgegaan dat aan de aanzegbrief van 28 januari 2025 geen werking toekomt.



De vermelding op de loonstrook is geen aanzegging





2.7.

[werkgever] heeft er verder op gewezen dat op de loonstroken van januari tot en met maart 2026 staat: ‘uit dienst 02-03-2026’. Volgens haar kan dit (ook) worden gezien als een aanzegging. De kantonrechter volgt haar daarin niet. Het enkele opnemen van een (eind)datum op een salarisstrook kan niet worden gezien als een schriftelijke mededeling van de werkgever dat het dienstverband niet wordt voortgezet.



De brief van 2 maart 2026 is niet relevant





2.8.

[werkgever] heeft ook nog gewezen op een brief aan [werknemer] van 2 maart 2026. Zelfs als die brief zou worden kunnen gezien als een aanzegging, dan is die pas gestuurd op de einddatum van de arbeidsovereenkomst. Daarmee is geen sprake van een tijdige aanzegging.




[werkgever] moet de aanzegvergoeding betalen





2.9.
Omdat [werkgever] onvoldoende heeft onderbouwd dat [werknemer] een tijdige aanzegging heeft ontvangen moet zij [werknemer] de aanzegvergoeding betalen van één maandsalaris (artikel 7:668 lid 3 BW).



2.10.
De partijen zijn het erover eens dat het basissalaris € 2.603,81 is. Op de loonstroken staat ook regelmatig een ‘booster’. Volgens [werkgever] gaat het om een prestatie-afhankelijke bonus. Dat heeft [werknemer] niet betwist. Een bonus telt niet mee als loon voor de aanzegvergoeding (artikel 2 Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding). Dat [werknemer] (zoals hij heeft aangevoerd) de bonus in de meeste maanden gekregen heeft maakt dat niet anders.



2.11.

[werkgever] wordt daarom veroordeeld om een aanzegvergoeding van € 2.603,81 te betalen.



De vergoeding voor buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen





2.12.
De door [werknemer] geëiste vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. De gemachtigde van [werknemer] heeft namelijk alleen een paar korte mails verstuurd. Dat is niet genoeg voor het recht op een vergoeding (artikel 6:96 lid 3 BW en artikel 241 Rv).



2.13.
Tijdens de zitting heeft [werknemer] aangevoerd dat hij tijdens de procedure ook nog geprobeerd heeft om met [werkgever] tot een oplossing te komen. Dat zijn geen buitengerechtelijke werkzaamheden, aangezien er toen al een procedure liep.



De verzoeken met betrekking tot de eindafrekening worden afgewezen





2.14.
Bij het einde van het dienstverband heeft [werkgever] een eindafrekening gemaakt. Volgens [werknemer] klopt het vakantie-urensaldo daarop niet. Hij wil daarom een gecorrigeerde versie ontvangen. [werknemer] heeft niet aangegeven wat hij heeft aan een specificatie met een ander saldo aan verlofuren, nu bij de eindafrekening deze uren niet in mindering zijn gebracht. Dit verzoek wordt daarom bij gebrek aan belang afgewezen (artikel 3:303 BW).



2.15.

[werkgever] wordt ook niet veroordeeld om op basis van de eindafrekening nog iets te betalen, zoals [werknemer] geëist heeft. Zijn gemachtigde heeft namelijk zelf bevestigd dat ter zake van die eindafrekening niets meer betaald hoeft te worden.




[werknemer] heeft 53,27 uur teveel verlof opgenomen





2.16.

[werkgever] verzoekt [werknemer] te veroordelen om € 1.566,21 aan haar te betalen, omdat [werknemer] volgens haar bij het einde van het dienstverband een negatief verlofsaldo van 91,75 uur had. Ze heeft daarvoor verwezen naar de loonstrook van maart 2026. [werknemer] heeft betwist dat die loonstrook klopt. Het is daarom aan [werkgever] om te onderbouwen hoe dat negatieve verlofsaldo tot stand is gekomen.



2.17.

[werkgever] heeft onbetwist gesteld dat [werknemer] recht had op 190 uur verlof gedurende zijn dienstverband en dat hij 243,27 uur heeft opgenomen. Dat leidt tot een negatief verlofsaldo van 53,27 uur.



2.18.

[werkgever] heeft verder gesteld dat er sprake is van 23,92 uur aan negatief flexverlofsaldo. Het gaat daarbij volgens haar om uren waarin [werknemer] niet gewerkt heeft, maar ook geen verlof heeft opgenomen. [werknemer] heeft betwist dat daarvan sprake was. Vervolgens heeft [werkgever] niet onderbouwd hoe ze die uren heeft berekend. Er is daarom geen reden om deze uren in mindering te brengen op het verlofsaldo. [werkgever] heeft daartoe namelijk onvoldoende gesteld.



2.19.
Waar de andere 14,56 uren aan negatief verlofsaldo (91,75 – 53,27 – 23,92) vandaan komen is voor de kantonrechter onduidelijk. Ondanks dat [werkgever] tijdens de zitting de gelegenheid heeft gehad om dit toe te lichten, kon zij hier geen begrijpelijke onderbouwing voor geven.



2.20.
De conclusie van het voorgaande is dat er in deze procedure van wordt uitgegaan dat [werknemer] 53,27 uur teveel verlof heeft opgenomen.




[werknemer] moet € 842,20 terugbetalen





2.21.
In de cao staat dat de werkgever een negatief verlofsaldo mag verrekenen met het salaris (artikel 6.2). Dat heeft [werkgever] niet gedaan. Dat [werkgever] het recht heeft op verrekening impliceert ook dat zij een vorderingsrecht heeft (artikel 6:127 BW). Daarom heeft [werkgever] het recht om te verzoeken dat [werknemer] wordt veroordeeld om het loon over de uren die hij niet gewerkt heeft terug te betalen, omdat hij dat loon onterecht heeft gehad (artikel 6:203 BW). Er is geen discussie over dat zijn uurloon € 15,81 is. Hij moet daarom € 842,20 terugbetalen.



2.22.

[werknemer] heeft tijdens de zitting aangevoerd dat hij nooit is gewaarschuwd voor een negatief verlofsaldo en dat hij ook geen gelegenheid heeft gehad om meer te werken om dit weer in te halen. Voor zover hij heeft bedoeld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [werkgever] terugbetaling vraagt, heeft hij dat onvoldoende onderbouwd (artikel 6:2 en 6:248 BW). Voor [werknemer] moet namelijk duidelijk zijn geweest dat zijn verlofsaldo negatief was, alleen al omdat dat op de salarisstroken stond. Daarnaast heeft hij ook niet gesteld dat hij bereid was geweest om meer uren te werken, om dit negatieve verlofsaldo in te halen. Gelet hierop is het niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [werkgever] terugbetaling eist, zeker ook omdat het een relatief beperkt aantal uur is.



De wettelijke rente wordt afgewezen





2.23.

[werkgever] eist de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 maart 2026, de einddatum van het dienstverband. Ze heeft echter niet gesteld waarom zij vanaf die datum recht heeft op rente. De kantonrechter wijst de rente daarom toe vanaf 14 dagen na deze uitspraak.




[werkgever] wordt veroordeeld in de proceskosten





2.24.

[werkgever] wordt veroordeeld in de proceskosten, omdat het verzoek van [werknemer] grotendeels wordt toegewezen (artikel 289 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [werkgever] aan [werknemer] moet betalen op € 93,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 814,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als deze beschikking wordt betekend.



De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad





2.25.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 288 Rv). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.



2.26.

[werkgever] heeft gevraagd om deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat sprake zou zijn van een restitutie-risico. Waarom daarvan sprake is heeft ze echter niet gesteld. Daarom ziet de kantonrechter geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat een veroordeling uitvoerbaar moet zijn tijdens een eventueel hoger beroep.





3De beslissing
De kantonrechter:


3.1.
veroordeelt [werkgever] om € 2.603,81 aan [werknemer] te betalen;



3.2.
veroordeelt [werknemer] om € 842,20 aan [werkgever] te betalen, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot de dag dat volledig is betaald;



3.3.
veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, die aan de kant van [werknemer] worden begroot op € 814,-;



3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;



3.5.
wijst al het andere af.


Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
33394




Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, 4.5.3


Gerechtshof Amsterdam 22 april 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1069, 5.5


Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026, 5.8